"Bier en een jägermeister. En jij?"
"Baileys. Met ijs."
Ze komt alleen binnen. Ik vraag waar de rest is. Ze vertelt dat ze iedereen is kwijtgeraakt. Bewust? Ze schuift aan bij de harde kern aan de grote tafel en wacht tot het sluitingstijd is. Wacht tot het haar tijd is.
Ik word te vroeg wakker. Geen kater maar een stekende pijn in mijn ribbenkast. Daar raakte ik mijn stuur dus. Hoe ik ook ga liggen, elke houding veroorzaakt een nieuwe pijnscheut.
Op de hoek van de bar zit een pubermeisje. Ze vraagt pen en papier en duwt even later een briefje in mijn handen. Zo gaat dat. De puberteit is mooier als je twee keer de pubertijd hebt overschreden. Aan het andere eind van de bar zit Blond met vriend. Lichaamstaal: zij open, hij gesloten. Ik kwam hem laatst tegen in Paradiso en bood hem een biertje aan. Ik had iets goed te maken. Ik geloof niet dat zij hem heeft verteld wat.
Het verschuiven van de bierfusten jaagt de eerste pijnscheuten door mijn ribbenkast. Beginnerstikje. Ik leg één hand in mijn nek en pak met de andere hand een fust. Kom maar jongen. Ik buig door mijn knieën en kom langzaam omhoog. Het fust kantelt en balanceert op de ronde rand aan de onderkant. Wat moet je nou? Ik strek mijn rug en het fust komt los van de grond. Mijn borstkas zet uit, de steken beginnen onderaan, verdwijnen via mijn oksel naar mijn rug. Tot tien tellen. Wat je ook moet doen wanneer je geen haal van je sigaret kunt nemen en je jezelf moet inhouden om erger te voorkomen. Ik tel, mijn arm begint te trillen, aderen zwellen op. Het fust verliest.
Een obsessie van drie jaar geleden gaat aan de bar zitten. De obsessie verdween toen ze zichzelf, stomdronken, aan me opdrong. Iedereen was weg, het café was leeg, en ik kreeg haar met geen mogelijkheid naar buiten. Ze moest en zou me hebben. Dronken mensen, zeker vrouwen, hebben iets aandoenlijks maar dit was geen aandoenlijkheid meer. Dit was gewoon stom alcoholisme en bij gebrek aan beter, überhaupt bij gebrek aan iemand, volledig gefixeerd op de barkeeper. Niet voor rede vatbaar. Of ze mooi is. Ja, je bent mooi. Of haar lichaam er nog goed uitziet voor haar leeftijd. Ja, je lichaam ziet er nog goed uit voor je leeftijd. Ze had het beter kunnen relateren aan de hoeveelheid drank die haar slokdarm de afgelopen jaren heeft verwerkt. Aan de hoeveelheid vlees die haar dijen de afgelopen jaren naar binnen hebben gewerkt.
"Hoe gaat het met je?"
Ze willen helemaal niet weten hoe het met je gaat. Ze hopen er alleen maar op dat je de beleefdheid bezit de verplichte wedervraag te stellen. Zodat ze zelf kunnen vertellen wat ze kwijt willen. Je vroeg er toch naar? Dan moet je luisteren ook.
Een verlangen naar verpleging maar het aangebodene afwijzen. Niemand willen zien. Niemand kunnen zien. Mezelf aan niemand willen laten zien. Niemand mag me zo zien. Lege kasten. Beschimmeld brood kun je best roosteren. Koffie en een slof sigaretten, die had ik nog net op tijd gehaald. Wat doen cafeïne en nicotine eigenlijk met je hoofd? Dokter?
"Hoe is het eigenlijk met je liefdesleven?"
Een vraag die mensen stellen wanneer ze over hun eigen liefdesleven willen praten. Niet jouw verhaal interesseert ze, welnee, ze willen zelf lekker lozen over hun nieuwe verworven ossenworst.
Dagen, nachtenlang surfen. Kijken, lezen, absorberen. De porno werkt niet. Ik heb niet eens zin om te rukken. Ook al zou ik zin hebben, het kan niet eens. Daar ben ik in elk geval van af. Obsessief loggedrag. Hoe druk kun je jezelf maken over een website. Misschien toch een rode maken? Waar zit die bloedrode kleur? En wat doe ik met de kopfoto? Wat doe ik met mijn muze? De laatste format C kostte me het meisje met het roze haar. Binnen vijf minuten heb ik haar weer gevonden. Mijn geheugen is nog niet aangetast. Valt ook niet aan te tasten. Mijn lichaam begeeft het eerder dan mijn hoofd. Weblogs uitspitten. De reden waarom er singlereizen zijn uitgevonden spat van het scherm. Laat maar zitten. Open dirren blootleggen. Kijk, dat is nou eens een inkijk in het leven van mensen. Dit is het ultieme voyeurisme.
"Goed. Erg goed."
Vooral dat woordje erg doet het hem. Bij ossenworst moet je altijd het velletje verwijderen. Na opening beperkt houdbaar. Minder dan een dag. Erg bederfelijk. Ik wil helemaal niet weten hoe het met je gaat. Ik kan het niet meer horen. Je hebt het bedorven. Je bent bedorven.
Wit. Het ziekenhuis waarin ik me mentaal bevond? Steriele lakens. Verpleegstersuniformen. De rode lijnen als de kruisjes. Dunne, magere lijnen. De magere bloedtoevoer. Een verlangen naar reinheid? Schoon schip maken? De gif-afbeelding omdat ik wil schoppen maar het niet kan? Wie houdt me tegen? Wat houdt me tegen? En waarom houdt het me tegen? Hoe een fysieke aanslag de mentale kwetsbaarheid blootlegt. Ik kan er niet tegen wanneer mijn lichaam het begeeft.
"Mag ik de rekening?"
Dat wil ik horen. En neem die vellen mee.
Ik lijk gvd wel een wijf. Deze rok? Maar daar passen die schoenen niet bij. Streepje hier, gifje daar. Meer rood, nee minder. Alles wit en alleen zwarte tekst. Kaal. Kaler. Kaalst. Ziek. Zieker. Ziekst. Dood heeft geen overtreffende trap. Morsdood is ook dood.
Zwanger en Zwanger komen binnen. Twee jaar lang iedere vrijdag als een stel hormoonbommen aan de bar. Dertig plus, dan krijg je dat. Flirten, praten, drinken, neem zelf ook wat. Verkapte gezelligheid. Ik mag de verhalen aanhoren. Over het zoeken, over de probleempjes met hem, over de problemen van haar. Anybody will do. Hoe is het eigenlijk met jouw liefdesleven? Ik doe niet aan liefdesleven want dan had ik hier niet gestaan. Uiteindelijk hebben ze er allebei eentje mee naar huis gekregen. Eerst buiten een beetje bekken, lachen om de verplichte fietsverlichting. Met een dronken kop is het moeilijk om de lampjes aan de fiets te bevestigen. Kan daar niet eens iemand op af studeren? Aankloppen bij het ondertussen schoongemaakte café want er moet toch nog even een wc worden bezocht. Wie nam ik ook alweer mee naar huis? O ja, hij daarbuiten. Het gaat maar om één ding.
Dagen, nachtenlang muziek. Waanzinnige muziek. Koptelefoon op voor een nog intensere beleving. Het volume zo hard dat ik mezelf niet meer kan horen denken. Dat ik überhaupt niet meer kan denken. Rust. Eindelijk. Verdrinken in de muziek. De muziek die uit mijn leven is verdwenen.
Altijd aan de bar, nooit aan een tafel. Met mensen aan een tafel heb je geen contact. Een volle bar is leuker dan een vol café. Zwanger kwam ook vaak alleen. Ik dronk met haar mee, ondanks de verplichte geheelonthouding onder werktijd. Hoek van de bar, leunend op haar ellebogen. Haar toekomstige melkfabriek onontkoombaar onder mijn neus duwend.
Slapen is geen optie want liggen is geen optie. In wat voor een roes beland je dan? Rondjes lopen. Douchen. Douchen is goed. Douchen is lekker. Hoe heter hoe beter. Wanneer is lang douchen schadelijk? De zo wenselijke rugmassage. De broodnodige verzachting van de spieren. De douchestraal als twee masserende handen. De broodnodige verwarming. De broodnodige omarming. Hoe beschimmeld ook.
Mijn muze gaat aan de bar zitten en rolt met haar ogen.
"Ik ben dronken en dus ontoerekeningsvatbaar."
Ik zet een biertje voor haar neer en laat haar alleen. De armbeweging onder de bar van de jongen naast haar zegt genoeg. Ik loop naar de vriezer en schenk mezelf een borrel in. Ik hoef niet meer voor haar te zorgen.
Ik ben niet jaloers. Ik houd wel van verkapte gezelligheid. Mijn computer zegt niets terug. Ik ben twee klanten kwijt. Een klant is potentie en ik ben te koop. Elke klant is een potentiële koper.
Verkoudheid heerst. Iedereen wordt een beetje ziek. Gelul. Iedereen is per definitie ziek. Gedimde lampen, veel drank. Een alcoholroes in een schemergebied van geblaat en sigarettenrook. Beperkte blikvelden. Dan valt het minder op. Geen facial wanneer je last hebt van brandende ogen. Wacht met de gordijnen open doen totdat de ander de ochtendurine verwijdert. Gordijnen moet je sowieso nooit open doen. Dan zien mensen teveel. Je moet niet alles laten zien. Je moet niet alles willen zien.
Haar tijd is gekomen. Het is sluitingstijd geweest. De gordijnen dicht, onze drank onaangeroerd op de bar. Ze zakt door haar knieën. Ik pak haar bij haar schouders en trek haar omhoog. Ik lijk op hem, hij deed ooit hetzelfde. Het beangstigt haar dat zonder zaadlozende bevestiging iemand van haar kan houden. Ik til haar aan haar billen omhoog en zet haar op de bar. Instinctief spreidt ze haar benen.
Vaste waarden zijn vervangen door variabelen. De constante factor is verdwenen. Legio oplossingen, de uitkomst hetzelfde. Terugvallen op oude waarden is een gebrek aan daadkracht en realiteitszin. Wat je niet bezit kun je niet verliezen. Het tegenovergestelde van aftakelen is toetakelen.
"Ik ga je pijn doen."
Het spel als fragment van een fragmentatiebom. Onherstelbare schade, die zet je niet meer terug in elkaar. Liefdessap is liefdesgif. Daar kan geen chemokuur tegenop.
Op de Amstelveenseweg nemen we afscheid. Ik krijg een vreemd voorgevoel. Voorgoed? Ze is stil. Aanhankelijk zonder woorden, ze laat me niet los. Was dit de laatste keer? Ik sla linksaf, zij loopt rechtdoor. Het is druk op straat, ik heb moeite met me te concentreren op de weg. Bij de Koninginneweg vallen mijn ogen dicht. Dit gaat fout. Ik stap af en loop met mijn fiets aan de hand verder. Bij de kruising met de Zeilstraat ga ik op de grond zitten en rook een sigaret. De hoeveelste? Ik begin te zweven. Wat is dit voor leven? Een veel te warme septemberzon, ik moet ergens binnen gaan zitten. Om de hoek zit het Haarlemmermeerstation. Broodje Jaap is open. De stamtafel gevuld met kettingrokend oud en verbitterd. Hun tijd is geweest. Ik schuif bij ze aan, de legging vraagt wat ik wil drinken.
"Koffie alsjeblieft."
07 October 2005
Core
Fietssturen verstrengelen. Het asfalt van de Weteringschans is hard. Dronken mensen vallen goed, breken nooit wat. Daarom ben ik graag dronken. Ingebouwde veiligheid. Ik ga zitten en strek mijn ledematen. Ze zitten er allemaal nog aan. En nog heel ook. Mijn pols doet zeer.
Haar zwartgelakte nagels rusten op zijn been. Wat een gezelligheid. Moet ik hier vanavond mee uit? Het zweet staat op mijn rug. Op mijn voorhoofd. Heb ik koorts? Er is maar één remedie. Aan de drank. Mijn rug doet zeer. Ik weiger pijnstillers te slikken. Alcohol is een spierverslapper.
Bij gebrek aan een eigen leven lees ik de levens van anderen. Bij gebrek aan eigen foto’s bekijk ik de foto’s van andere levens. Lezen is beter dan televisie kijken. Een foto is beter dan een film.
De klap is harder aangekomen dan verwacht. Waarom komt die zwelling zo langzaam op gang? Na anderhalve week gaat voor het eerst de telefoon. Goh, mis je me nu al? Waarom ik niets heb gezegd. Zo ernstig is het nou ook weer niet. Ik ben niet dood. Al doe ik met twee pakjes per dag goed mijn best. Hoeveel gif kunnen je longen verdragen? Hoeveel mensen kan ik verdragen is beter. Die jagen me eerder het graf in.
Het is binnen rustig, ik dacht dat het was uitverkocht. Bij het voorprogramma is de zaal nog niet eens halfvol. We praten bij. Opleidingen en werk. Log en leven. Wat valt er te vertellen? We komen voor de muziek. Nooit de core vergeten. Mensen maken zich te vaak te druk over randverschijnselen. Concerten kun je ook prima in je eentje doen. Wanneer je alleen bent zie je meer. Nee, niet meer, anders. Je ziet andere dingen. Je kijkt anders. Wanneer je alleen bent zie je andere mensen.
Zwart geverfd haar. Stoer motorjack. Gele rookaanslag op haar geringde vingers.
"Je kunt toch ook bellen om gewoon even te kletsen?"
Kletsen? Wat moet ik vertellen dan? Wat ik vandaag allemaal niet heb gedaan? Ik heb niet gedoucht, ik heb me niet geschoren en ik heb geen eten gekookt. Ik heb geen krant gelezen en ik heb geen televisie gekeken. Ik doe niets. Echt helemaal niets. En dat is verdomd lekker. Dat zou ik kunnen vertellen.
De lampen gaan uit. Het intromuziekje zwelt aan. Beginjaren tachtig gothic. Langhaar doet een stap naar achter, ik houd mijn sigaret naast mijn lichaam. Ik kan haar ruiken. De zaal is toch volgelopen, ze schuift iets naar links voor het beste zicht op het podium, ze is lang. Ze ruikt lekker. Ik laat mijn sigaret vallen en volg de brandende punt met mijn ogen. Mijn blik valt op haar schoenen. Waar je allemaal niet op af kunt knappen. Meer bier. Ik leg mijn hand in haar zij, duw haar naar voren en loop naar de bar.
Ze is mooi. Het is tien jaar geleden, maar dan nog. Had ik je toen maar ontmoet. Toen mezelf vasthoudend aan de nette wereld. Geregeld, gestructureerd, geëffende paden, ik hoefde ze slechts te bewandelen. Ik liep over het pad maar keek naar de andere weg. Keek naar andere mensen. Nu zwemmend tussen twee werelden in. Drijvend. Te degelijk voor de ene, te onaangepast voor de andere. Er is geen als dan.
"Straks weet ik meer van hem dan jij."
Inderdaad. Veel plezier ermee. See you at his funeral.
Haar zwartgelakte nagels rusten op zijn been. Wat een gezelligheid. Moet ik hier vanavond mee uit? Het zweet staat op mijn rug. Op mijn voorhoofd. Heb ik koorts? Er is maar één remedie. Aan de drank. Mijn rug doet zeer. Ik weiger pijnstillers te slikken. Alcohol is een spierverslapper.
Bij gebrek aan een eigen leven lees ik de levens van anderen. Bij gebrek aan eigen foto’s bekijk ik de foto’s van andere levens. Lezen is beter dan televisie kijken. Een foto is beter dan een film.
De klap is harder aangekomen dan verwacht. Waarom komt die zwelling zo langzaam op gang? Na anderhalve week gaat voor het eerst de telefoon. Goh, mis je me nu al? Waarom ik niets heb gezegd. Zo ernstig is het nou ook weer niet. Ik ben niet dood. Al doe ik met twee pakjes per dag goed mijn best. Hoeveel gif kunnen je longen verdragen? Hoeveel mensen kan ik verdragen is beter. Die jagen me eerder het graf in.
Het is binnen rustig, ik dacht dat het was uitverkocht. Bij het voorprogramma is de zaal nog niet eens halfvol. We praten bij. Opleidingen en werk. Log en leven. Wat valt er te vertellen? We komen voor de muziek. Nooit de core vergeten. Mensen maken zich te vaak te druk over randverschijnselen. Concerten kun je ook prima in je eentje doen. Wanneer je alleen bent zie je meer. Nee, niet meer, anders. Je ziet andere dingen. Je kijkt anders. Wanneer je alleen bent zie je andere mensen.
Zwart geverfd haar. Stoer motorjack. Gele rookaanslag op haar geringde vingers.
"Je kunt toch ook bellen om gewoon even te kletsen?"
Kletsen? Wat moet ik vertellen dan? Wat ik vandaag allemaal niet heb gedaan? Ik heb niet gedoucht, ik heb me niet geschoren en ik heb geen eten gekookt. Ik heb geen krant gelezen en ik heb geen televisie gekeken. Ik doe niets. Echt helemaal niets. En dat is verdomd lekker. Dat zou ik kunnen vertellen.
De lampen gaan uit. Het intromuziekje zwelt aan. Beginjaren tachtig gothic. Langhaar doet een stap naar achter, ik houd mijn sigaret naast mijn lichaam. Ik kan haar ruiken. De zaal is toch volgelopen, ze schuift iets naar links voor het beste zicht op het podium, ze is lang. Ze ruikt lekker. Ik laat mijn sigaret vallen en volg de brandende punt met mijn ogen. Mijn blik valt op haar schoenen. Waar je allemaal niet op af kunt knappen. Meer bier. Ik leg mijn hand in haar zij, duw haar naar voren en loop naar de bar.
Ze is mooi. Het is tien jaar geleden, maar dan nog. Had ik je toen maar ontmoet. Toen mezelf vasthoudend aan de nette wereld. Geregeld, gestructureerd, geëffende paden, ik hoefde ze slechts te bewandelen. Ik liep over het pad maar keek naar de andere weg. Keek naar andere mensen. Nu zwemmend tussen twee werelden in. Drijvend. Te degelijk voor de ene, te onaangepast voor de andere. Er is geen als dan.
"Straks weet ik meer van hem dan jij."
Inderdaad. Veel plezier ermee. See you at his funeral.
05 October 2005
Festina
Ze heeft iemand bij zich.
Of het goed is dat hij meekomt.
Heeft er ooit iemand ontkennend op zo’n vraag geantwoord?
Ze komen samen binnen.
Een gelaatsuitdrukking die ik niet eerder bij haar zag.
Verliefdheid.
We laten elkaar los.
"Jullie hebben geneukt."
Ze is me voor.
Ik buig naar voren en zoek haar oor.
"Omdat ik jou niet kan krijgen."
Of het goed is dat hij meekomt.
Heeft er ooit iemand ontkennend op zo’n vraag geantwoord?
Ze komen samen binnen.
Een gelaatsuitdrukking die ik niet eerder bij haar zag.
Verliefdheid.
We laten elkaar los.
"Jullie hebben geneukt."
Ze is me voor.
Ik buig naar voren en zoek haar oor.
"Omdat ik jou niet kan krijgen."
02 October 2005
Iemand
"Bied je mij niets aan?"
Ik heb haar niet binnen zien komen. Ik kijk haar zwijgend aan.
"Ik ben weer clean."
Vooral dat weer doet het hem. Voor hoelang dit keer?
"En over een maand krijg je je geld terug."
Ik wil dat geld helemaal niet terug. Eens gegeven blijft gegeven. Ik geef makkelijk. Laten mensen zichzelf maar ten gronde richten, dan hoef ik het niet te doen. Met tegenzin bestel ik iets te drinken voor haar. Ondertussen kijk ik naar te jong aan de overkant van de bar.
"Wat doe jij hier eigenlijk?"
Mezelf beter proberen te voelen.
Ik vraag waar ze tegenwoordig woont.
"In de Bloedstraat. Hier om de hoek. Ik heb een matras bij de jongens van het atelier."
Dat is slapen, dat is geen wonen.
"Wil je het zien? We kunnen er zo meteen even heenlopen."
Zo meteen is dus na sluitingstijd. Ik staar naar te jong, ze voelt het en kijkt strak terug. Wedstrijdje? Heel even flitsen haar ogen naar de gevulde plek naast mij aan de bar. Haar onderlip draait naar binnen. Ik heb verloren.
Ze staat op.
"Ik ga even iemand gedag zeggen."
Ik blijf zitten en volg haar route door het café. Ik herken hem. Leeft hij nog steeds? Ze wijst naar me en we maken oogcontact. Hij knikt naar haar, grijnst naar mij. Vanavond niet op afbetaling. Een pakje sigaretten wisselt van jaszak. De trut. De barkeeper zet een biertje voor me neer en ik geef hem het geld. Opgewekt komt ze weer naast me zitten.
"Alleen voor vannacht. Oké?"
Ik antwoord door op te staan. Ik pak mijn biertje en loop naar te jong. Nu ga ik even iemand gedag zeggen.
Wanneer ik bij haar ben komt de grijns naar me toe.
"Je hebt het er maar druk mee."
"Waarom ben jij nog niet dood?"
Hij slaat me op mijn schouders.
"Jack Daniels, toch?"
Ik knik.
"Met ijs. En geef haar ook wat."
Ik wijs naar te jong. Haar onderlip zit nog steeds in haar mond. Misschien dat de lip terugdraait wanneer ze een slokje neemt.
"Wat moet je?"
Ze kijkt me niet aan terwijl ze het zegt. In plaats daarvan kijkt ze naar de plek waar ik zojuist zat. Vroeger kwam ik hier vaak. Maakte makkelijk contact maar zat met hetzelfde gemak twee uur zwijgend aan de bar. Altijd dezelfde barkruk. De barkruk die nu leeg is. Denken. Drinken.
Ik antwoord met een tegenvraag en vraag hoe ze heet. Vragen die met hoe en waarom beginnen doen het altijd goed. Ze negeert de vraag.
"Je bent met iemand."
Ik heb haar niet binnen zien komen. Ik kijk haar zwijgend aan.
"Ik ben weer clean."
Vooral dat weer doet het hem. Voor hoelang dit keer?
"En over een maand krijg je je geld terug."
Ik wil dat geld helemaal niet terug. Eens gegeven blijft gegeven. Ik geef makkelijk. Laten mensen zichzelf maar ten gronde richten, dan hoef ik het niet te doen. Met tegenzin bestel ik iets te drinken voor haar. Ondertussen kijk ik naar te jong aan de overkant van de bar.
"Wat doe jij hier eigenlijk?"
Mezelf beter proberen te voelen.
Ik vraag waar ze tegenwoordig woont.
"In de Bloedstraat. Hier om de hoek. Ik heb een matras bij de jongens van het atelier."
Dat is slapen, dat is geen wonen.
"Wil je het zien? We kunnen er zo meteen even heenlopen."
Zo meteen is dus na sluitingstijd. Ik staar naar te jong, ze voelt het en kijkt strak terug. Wedstrijdje? Heel even flitsen haar ogen naar de gevulde plek naast mij aan de bar. Haar onderlip draait naar binnen. Ik heb verloren.
Ze staat op.
"Ik ga even iemand gedag zeggen."
Ik blijf zitten en volg haar route door het café. Ik herken hem. Leeft hij nog steeds? Ze wijst naar me en we maken oogcontact. Hij knikt naar haar, grijnst naar mij. Vanavond niet op afbetaling. Een pakje sigaretten wisselt van jaszak. De trut. De barkeeper zet een biertje voor me neer en ik geef hem het geld. Opgewekt komt ze weer naast me zitten.
"Alleen voor vannacht. Oké?"
Ik antwoord door op te staan. Ik pak mijn biertje en loop naar te jong. Nu ga ik even iemand gedag zeggen.
Wanneer ik bij haar ben komt de grijns naar me toe.
"Je hebt het er maar druk mee."
"Waarom ben jij nog niet dood?"
Hij slaat me op mijn schouders.
"Jack Daniels, toch?"
Ik knik.
"Met ijs. En geef haar ook wat."
Ik wijs naar te jong. Haar onderlip zit nog steeds in haar mond. Misschien dat de lip terugdraait wanneer ze een slokje neemt.
"Wat moet je?"
Ze kijkt me niet aan terwijl ze het zegt. In plaats daarvan kijkt ze naar de plek waar ik zojuist zat. Vroeger kwam ik hier vaak. Maakte makkelijk contact maar zat met hetzelfde gemak twee uur zwijgend aan de bar. Altijd dezelfde barkruk. De barkruk die nu leeg is. Denken. Drinken.
Ik antwoord met een tegenvraag en vraag hoe ze heet. Vragen die met hoe en waarom beginnen doen het altijd goed. Ze negeert de vraag.
"Je bent met iemand."
26 September 2005
Klimrek
Bedankt voor je uitnodiging trouwens. Ik kom alleen niet. Ik kan het goedkope excuus gebruiken dat ik de nacht ervoor moet werken, dat ik op zondag moet bijslapen voor de hele week. Of dat je te ver weg woont. Gelul natuurlijk. Eigenlijk ben ik gewoon bang dat je me niet leuk genoeg vindt.
Natuurlijk wil je veel mensen om je heen, vreugd en zielen enzo. En dus ook mensen die iets minder leuk zijn. Al je vrienden nemen hun kinderen mee. Ik heb geen kind. Ik kom omdat ik jou leuk vind, omdat ik jou wil zien. Omdat ik van jou wil genieten. En ik ben zo bang dat het stil genieten wordt. Iedereen praat met elkaar, de kinderen spelen iets verderop bij de klimrekken en de glijbaan.
Ik heb eigenlijk niets te zeggen. Ik heb geen kind om naar te wijzen of verhalen over te vertellen, over school, over de gym, over zwemles, over de dierentuin. Ik ben bang dat ik er maar een beetje bij hang. Schaapachtig luisteren naar wat er niet gezegd wordt. Bedenken wat er niet gedaan wordt en wat ik graag zou willen doen. Ken je dat ongemakkelijk gevoel?
Ik kan het excuus gebruiken dat het overdag is. Overdag ben ik stil, bedachtzaam, in mijzelf gekeerd. Overdag drink ik niet. Ik ben een avondmens, beter, een nachtmens. ’s Avonds bloei ik op, om vervolgens ’s nachts los te gaan. Om ’s nachts toe te slaan. ’s Avonds wordt er gedronken. ’s Avonds wordt er opgebouwd. Overdag bouw je niets op. Overdag wordt er gewerkt, daar is de dag voor bedoeld.
Misschien klikt het wel helemaal niet tussen ons. En dan? Wachten tot ik lang genoeg aanwezig ben geweest om met goed fatsoen weer naar huis te kunnen gaan? Weet je wel hoe lang die treinreis dan duurt? Lang. Heel lang. Dat wordt een lange reis met teveel tijd en te weinig afleiding om niet aan je te hoeven denken. Denken aan hoe je me zonder woorden afwijst. Denken aan hoe je middenrif net iets teveel naar hem is gericht. Lichaamstaal. Koud staal.
Hoe meer zielen hoe meer vreugd. Kinderen worden meegebracht aan de ene hand. Picknickmanden in de andere. Iedereen neemt wat mee. Ik neem mijn ziel mee. Onder mijn arm.
Mee terug naar huis.
Natuurlijk wil je veel mensen om je heen, vreugd en zielen enzo. En dus ook mensen die iets minder leuk zijn. Al je vrienden nemen hun kinderen mee. Ik heb geen kind. Ik kom omdat ik jou leuk vind, omdat ik jou wil zien. Omdat ik van jou wil genieten. En ik ben zo bang dat het stil genieten wordt. Iedereen praat met elkaar, de kinderen spelen iets verderop bij de klimrekken en de glijbaan.
Ik heb eigenlijk niets te zeggen. Ik heb geen kind om naar te wijzen of verhalen over te vertellen, over school, over de gym, over zwemles, over de dierentuin. Ik ben bang dat ik er maar een beetje bij hang. Schaapachtig luisteren naar wat er niet gezegd wordt. Bedenken wat er niet gedaan wordt en wat ik graag zou willen doen. Ken je dat ongemakkelijk gevoel?
Ik kan het excuus gebruiken dat het overdag is. Overdag ben ik stil, bedachtzaam, in mijzelf gekeerd. Overdag drink ik niet. Ik ben een avondmens, beter, een nachtmens. ’s Avonds bloei ik op, om vervolgens ’s nachts los te gaan. Om ’s nachts toe te slaan. ’s Avonds wordt er gedronken. ’s Avonds wordt er opgebouwd. Overdag bouw je niets op. Overdag wordt er gewerkt, daar is de dag voor bedoeld.
Misschien klikt het wel helemaal niet tussen ons. En dan? Wachten tot ik lang genoeg aanwezig ben geweest om met goed fatsoen weer naar huis te kunnen gaan? Weet je wel hoe lang die treinreis dan duurt? Lang. Heel lang. Dat wordt een lange reis met teveel tijd en te weinig afleiding om niet aan je te hoeven denken. Denken aan hoe je me zonder woorden afwijst. Denken aan hoe je middenrif net iets teveel naar hem is gericht. Lichaamstaal. Koud staal.
Hoe meer zielen hoe meer vreugd. Kinderen worden meegebracht aan de ene hand. Picknickmanden in de andere. Iedereen neemt wat mee. Ik neem mijn ziel mee. Onder mijn arm.
Mee terug naar huis.
05 September 2005
Gewist
Het gaat niet goed. Ik had mezelf moeten blijven. Ga je anders voordoen en je kunt erop wachten. Hij komt. Je weet niet precies wanneer. Maar je weet het. Ik wist het.
Journalistiek schrijven is wat anders dan een log bijhouden. De artikelen die ik inleverde komen terug wegens te weinig journalistieke waarde. Kritisch, dat wel, maar dat is niet genoeg. Wie, wat, waar, hoe en waarom, dat willen ze lezen. Ze? Ik niet. Het herschrijven schuif ik voor me uit en ik mis de deadline. Gezichtsverlies. Ik heb in elk geval een gezicht om te verliezen. Dat kunnen de meeste niet zeggen. De halve fabriek is met vakantie en ik draai overuren. Waarom eigenlijk? Waar komt dat achterlijke verantwoordelijkheidsgevoel vandaan? Had ik maar een kind gehad, dan had ik daar mijn verantwoordelijkheid op kunnen projecteren en als een normale ambtenaar naar mijn werk kunnen gaan. Zonder me druk te hoeven maken over welke prestatie dan ook. Waarom wil een mens presteren? Wat is de noodzakelijkheid daarvan?
Het zwarte gat na de festivalroes. Een roes die ik niet vast kan houden. Een roes, ruw verstoord door de maandagochtendwekker. De festivalroes, afzien in een tentje op een weiland. Leven op koffie, melk, bier, pasta en gebakken vis. Saamhorigheidsgevoel. Vijf dagen samen met mensen die ik zelf heb uitgekozen, mensen die niet op mijn zenuwen werken. Mensen die niets van je verwachten, waar ik zelf niets van verwacht. Omdat ze niets meer hoeven te bewijzen. Omdat ze zijn. Vijf dagen geen zorgen, geen stress. Vijf dagen muziek. Vijf dagen een leeg hoofd. Vijf dagen een vol gemoed. De maandagochtendwekker, terug naar de huichelaars, de likkers, de ziek zwak en misselijk, de schijnheiligen. Het zwarte gat van de vakantieliefde. Voltooide tijd. Gemist.
Een goed bericht dat slecht valt. Op maandagmiddag wordt het team bij elkaar geroepen en word ik gepresenteerd als nieuwe onderbaas. Vorig jaar zat een leidinggevende functie er niet in. Ik heb mijn houding aangepast en bingo. Ik ben een onderdeel van de huichelaars geworden. Welke prijs ga ik betalen voor mijn slecht geweten? Twee directe collega’s aasden ook op de positie, liepen zich maanden te profileren. Ik profileer mezelf niet, ik doe gewoon mijn werk. De jaloezie straalt van hun koppen af, een slap handje wordt me toegestoken. Felicitatiemails stromen binnen. Gerechtigheid, wordt er geschreven. Ik reply het meisje twee bureaus verderop en vraag of ze met me wil lunchen. Een keihard nee komt retour. In haar beleving bewandelen we de gein-niet gein grens en voor haar is die duidelijk. En ze vraagt zich af of het voor mij ook wel zo duidelijk is. What the fuck? Ik vraag je voor een lunch, muts, niet ten huwelijk. Naarmate de dag vordert neemt de kracht van haar woorden toe, wordt de overwinningseuforie van de promotie voorbij gestreefd door haar afwijzing. Doordat ze dwars door me heen prikt. De verleden tijd van geweten is gewist.
Ik slaap slecht de afgelopen weken. Kort, dat ook, maar dat doe ik zelf. Bezig blijven, dan hoef ik niet te denken. Ik denk mezelf gek. Daar heb ik tegenwoordig niet eens meer een ander voor nodig. Op zaterdagmiddag word ik wakker en ik draai door. Het is teveel. Alles schiet door mijn hoofd. Ik heb het eerder gehad, ik weet wat me te doen staat. Schoonmaaktherapie. En wel nu meteen. Ik maak een emmer met sop en kruip op mijn knieën door de douche, door de wc, door het huis. Het zweet druipt van mijn voorhoofd, ik steek mijn tong uit en lik mijn eigen zout op. Ik boen totdat ik spierpijn in mijn armen begin te krijgen, totdat mijn knieën rood zijn uitgeslagen. Aan het eind van de middag ben ik leeg, fysiek en mentaal. Ik strek mijn benen en wrijf over mijn knieën. Ik schuif de emmer met sop opzij, recht mijn rug, laat me zakken op de glimmende vloer en val in slaap.
Ik word wakker met een stijve nek. Uit de woonkamer komt een piepend geluid. Twee gemiste oproepen, één nieuw bericht zegt het scherm van mijn mobiel. What else is new. Ik lees het bericht. Een tijd en de naam van een kroeg. Ze weet hoe ze me aan moet pakken, geen overbodige informatie leveren. En wat een timing. Alsof ze ruikt dat ik haar nodig heb. Wederzijds belang. Ze wil ook lozen. Ik sta op, gooi de emmer leeg in de wc en ga onder de douche staan. De helderheid keert terug. Ben ik afhankelijk van een vrouw? Of ben ik afhankelijk van dé vrouw? Ik ben vergeten boodschappen te doen en fiets op een lege maag naar de stad. Naar de kroeg. Naar haar.
Het is druk, bedrijfsleider viert zijn afscheid. Ik sta tussen Afwachtend en Uitdagend en bestel mijn vaste recept. Ik zie haar niet en ga met de dubbele consumptie op het terras zitten. Fijne nazomer. Twee ambulances rijden kort achter elkaar voorbij. Ik ben nog niet rustig, mijn fantasie slaat op hol. Altijd te laat. Ik weet het, rustig blijven, niet nadenken. Ze komt vanzelf wel opdagen. De veertig procent doet wat ik ervan verwacht. De spanning vloeit uit mijn lichaam weg. Grijnzend staar ik naar de brug waar ze elk moment overheen kan komen. Meer symbolisch is een verbinding niet geweest.
Ze komt. Ik weet niet precies wanneer. Maar ik weet het.
Journalistiek schrijven is wat anders dan een log bijhouden. De artikelen die ik inleverde komen terug wegens te weinig journalistieke waarde. Kritisch, dat wel, maar dat is niet genoeg. Wie, wat, waar, hoe en waarom, dat willen ze lezen. Ze? Ik niet. Het herschrijven schuif ik voor me uit en ik mis de deadline. Gezichtsverlies. Ik heb in elk geval een gezicht om te verliezen. Dat kunnen de meeste niet zeggen. De halve fabriek is met vakantie en ik draai overuren. Waarom eigenlijk? Waar komt dat achterlijke verantwoordelijkheidsgevoel vandaan? Had ik maar een kind gehad, dan had ik daar mijn verantwoordelijkheid op kunnen projecteren en als een normale ambtenaar naar mijn werk kunnen gaan. Zonder me druk te hoeven maken over welke prestatie dan ook. Waarom wil een mens presteren? Wat is de noodzakelijkheid daarvan?
Het zwarte gat na de festivalroes. Een roes die ik niet vast kan houden. Een roes, ruw verstoord door de maandagochtendwekker. De festivalroes, afzien in een tentje op een weiland. Leven op koffie, melk, bier, pasta en gebakken vis. Saamhorigheidsgevoel. Vijf dagen samen met mensen die ik zelf heb uitgekozen, mensen die niet op mijn zenuwen werken. Mensen die niets van je verwachten, waar ik zelf niets van verwacht. Omdat ze niets meer hoeven te bewijzen. Omdat ze zijn. Vijf dagen geen zorgen, geen stress. Vijf dagen muziek. Vijf dagen een leeg hoofd. Vijf dagen een vol gemoed. De maandagochtendwekker, terug naar de huichelaars, de likkers, de ziek zwak en misselijk, de schijnheiligen. Het zwarte gat van de vakantieliefde. Voltooide tijd. Gemist.
Een goed bericht dat slecht valt. Op maandagmiddag wordt het team bij elkaar geroepen en word ik gepresenteerd als nieuwe onderbaas. Vorig jaar zat een leidinggevende functie er niet in. Ik heb mijn houding aangepast en bingo. Ik ben een onderdeel van de huichelaars geworden. Welke prijs ga ik betalen voor mijn slecht geweten? Twee directe collega’s aasden ook op de positie, liepen zich maanden te profileren. Ik profileer mezelf niet, ik doe gewoon mijn werk. De jaloezie straalt van hun koppen af, een slap handje wordt me toegestoken. Felicitatiemails stromen binnen. Gerechtigheid, wordt er geschreven. Ik reply het meisje twee bureaus verderop en vraag of ze met me wil lunchen. Een keihard nee komt retour. In haar beleving bewandelen we de gein-niet gein grens en voor haar is die duidelijk. En ze vraagt zich af of het voor mij ook wel zo duidelijk is. What the fuck? Ik vraag je voor een lunch, muts, niet ten huwelijk. Naarmate de dag vordert neemt de kracht van haar woorden toe, wordt de overwinningseuforie van de promotie voorbij gestreefd door haar afwijzing. Doordat ze dwars door me heen prikt. De verleden tijd van geweten is gewist.
Ik slaap slecht de afgelopen weken. Kort, dat ook, maar dat doe ik zelf. Bezig blijven, dan hoef ik niet te denken. Ik denk mezelf gek. Daar heb ik tegenwoordig niet eens meer een ander voor nodig. Op zaterdagmiddag word ik wakker en ik draai door. Het is teveel. Alles schiet door mijn hoofd. Ik heb het eerder gehad, ik weet wat me te doen staat. Schoonmaaktherapie. En wel nu meteen. Ik maak een emmer met sop en kruip op mijn knieën door de douche, door de wc, door het huis. Het zweet druipt van mijn voorhoofd, ik steek mijn tong uit en lik mijn eigen zout op. Ik boen totdat ik spierpijn in mijn armen begin te krijgen, totdat mijn knieën rood zijn uitgeslagen. Aan het eind van de middag ben ik leeg, fysiek en mentaal. Ik strek mijn benen en wrijf over mijn knieën. Ik schuif de emmer met sop opzij, recht mijn rug, laat me zakken op de glimmende vloer en val in slaap.
Ik word wakker met een stijve nek. Uit de woonkamer komt een piepend geluid. Twee gemiste oproepen, één nieuw bericht zegt het scherm van mijn mobiel. What else is new. Ik lees het bericht. Een tijd en de naam van een kroeg. Ze weet hoe ze me aan moet pakken, geen overbodige informatie leveren. En wat een timing. Alsof ze ruikt dat ik haar nodig heb. Wederzijds belang. Ze wil ook lozen. Ik sta op, gooi de emmer leeg in de wc en ga onder de douche staan. De helderheid keert terug. Ben ik afhankelijk van een vrouw? Of ben ik afhankelijk van dé vrouw? Ik ben vergeten boodschappen te doen en fiets op een lege maag naar de stad. Naar de kroeg. Naar haar.
Het is druk, bedrijfsleider viert zijn afscheid. Ik sta tussen Afwachtend en Uitdagend en bestel mijn vaste recept. Ik zie haar niet en ga met de dubbele consumptie op het terras zitten. Fijne nazomer. Twee ambulances rijden kort achter elkaar voorbij. Ik ben nog niet rustig, mijn fantasie slaat op hol. Altijd te laat. Ik weet het, rustig blijven, niet nadenken. Ze komt vanzelf wel opdagen. De veertig procent doet wat ik ervan verwacht. De spanning vloeit uit mijn lichaam weg. Grijnzend staar ik naar de brug waar ze elk moment overheen kan komen. Meer symbolisch is een verbinding niet geweest.
Ze komt. Ik weet niet precies wanneer. Maar ik weet het.
17 August 2005
Gadus
Lappendag. De laatste dag van de Hoornse kermis. Iedere derde maandag van augustus. Niet moeilijk te onthouden. Ik heb mijn middelbare schooljeugd doorgebracht in Hoorn. Na het eindexamen gevlucht naar Amsterdam, naar de universiteit. Naar een kamer. Eindelijk mijn eigen kamer, eindelijk veilig. Ik heb niets meer met de stad. Behalve dan Lappendag. Alles mag op Lappendag.
Om tien uur ’s morgens strompelen we Station Sloterdijk binnen en kopen bij de automaat een kaartje. Bij de loketten is het veel te druk. Wat doen al die mensen hier? Met het vervoersbewijs warm in mijn hand luister ik naar de omroeper. Al het treinverkeer is gestremd. Pardon lul? Al het treinverkeer is gestremd. Ga ik één keer per jaar met de trein, besluit er uitgerekend vandaag eentje te ontsporen. Ik krijg te horen dat we via CS moeten reizen. Met de bus welteverstaan. We lopen naar buiten en sluiten achteraan bij de mensenmassa die voor een bus staat te wachten. Wachten. Wachten. Een andere bus met Centraal Station op de voorkant komt aangereden. Ik wurm me uit de rij en loop naar de verse bus. Op het moment dat ik instap wijzigt de chauffeur de tekst op de voorkant in Sloten. Ik stap weer uit en loop terug naar de rij die ik heb verlaten en die ondertussen is opgelost. De bus is ook opgelost, hij rijdt voor onze neus weg. We lopen terug naar onze fietsen en besluiten dan zelf maar naar CS te rijden. Nog even en ik ontspoor. Klote openbaar vervoer. Leve de benenwagen en de fiets. Ik heb een hekel aan afhankelijkheid.
Bij de streekbussen op het CS is het verbazingwekkend rustig. Ik stap in de bus, laat de chauffeur het treinkaartje zien en vertel over de stremming. Of het treinkaartje ook in de bus geldig is. Hij kijkt me meewarig aan. Hij heeft zoiets gehoord, zegt ie. Stroomleidingen zijn neergestort, ambulances rijden af en aan, een traumahelicopter vliegt over het terrein en meneer heeft zoiets gehoord. Vooral lekker de Telegraaf blijven lezen. Ik vertel dat ik heb afgesproken met collega’s van hem. Hij kijkt naar het treinkaartje en negeert mijn opmerking. Mensen die aan het werk zijn, zijn niet geïnteresseerd in de verhalen van andere mensen, in de verplichtingen van andere mensen. Daarom zullen ze ook rustig weer gaan staken. Reizigers? Lekker belangrijk. Luister sukkel. Ik zal de catering voor de bruiloft van je dochter eens vijf minuten van te voren annuleren. Vervelend hè, wanneer je ergens op rekent en het even anders loopt. We mogen gaan zitten.
Eenmaal in Hoorn, anderhalf uur later dan gepland, ga ik op zoek naar Rem uit de fabriek. Sorry dat ik te laat ben, Dude. Overmacht. Hij is geen velden of wegen te bekennen. We lopen naar Het Plafond en sluiten aan bij Broer en aanhang. We gaan beginnen. Het is rustig in de stad. Waar is iedereen? Oké, het is geen superweer maar wel aangenaam. Ik spreek Broer één keer per jaar. Op Lappendag. Eén keer is genoeg. We hoeven niet te bellen met elkaar. Een telefoon gebruik je om afspraken te maken of af te sms-en. Verhalen vertel je bij een biertje. We bestellen bier en vertellen verhalen. Leuke anekdote. Onze familienaam dreigt uit te sterven. Broer en ik zijn de enigen die nog voor nageslacht met de familienaam kunnen zorgen. Alle neven met onze achternaam zijn of getrouwd met een gescheiden vrouw, zijn impotent of homofiel of hebben alleen maar dochters. Een zware last drukt op onze schouders. En wij, de twee overgeblevenen, willen geen kinderen. Broer bestelt een dubbel rondje. Even de last verdrinken, de schouders verlichten.
Broer heeft een leuke club mensen om zich heen verzameld, wat later op het Kerkplein vinden we de buschauffeurs ook. Elk jaar vaste prik. Mooie gasten. Geen lulverhalen maar plezier maken. Handen schudden, bier halen, proosten. We lopen verder het plein op en vinden een vrij rondje. Ik sta het liefst aan een rondje. Genoeg plaats voor de glazen, lekker hangen, niet naar een houding hoeven zoeken. Eén van de buschauffeurs is een jeugdvriend van me, met hem bespreek ik de vorderingen van mijn leven. Mex houdt ondertussen zijn collega’s bezig. Ik ga op zoek naar een ober, draai me om en kijk naar de deuropening van het café waar we voor staan. Ik kijk recht in de ogen van twintig jaar oud zeer. Ik zeg haar naam. Ze zegt mijn naam. Zonder een spoor van twijfel. Geen steek veranderd. Ik niet. Zij niet. Dezelfde uitstraling. Dezelfde vrolijkheid. Dezelfde bos met haar.
Dezelfde twinkeling in haar ogen. Dezelfde vlinders in mijn buik.
Ik heb de foto nog steeds, een foto van een kringfeestje thuis van puistenpubertjes. De bank en de stoelen gevuld met adolescente onzekerheid. Op tafel flesjes bier, glazen pisang ambon en bessen-jus, schalen met chips en nootjes. Wij samen op de grond. Ik met mijn rug tegen de bank, zij in mijn armen.
"Weet je dat ik stapelverliefd op je was?"
"Ik ook op jou!"
"Waarom zeggen we dat nu pas?"
All that could have been. Het is even stil. Ik breng mijn gezicht naar het hare en zoen zachtjes haar lippen. Er wordt nieuwe drank aangereikt en we hervatten het gesprek. We nemen iedereen van het kringfeestje door. Wat er van ze is geworden. Wie we nog zien, met wie we nog contact hebben. Ik zie helemaal niemand meer, ik ben in Amsterdam een nieuw leven begonnen. Gevlucht van thuis, omdat er geen thuis meer was. In mijn vlucht voorbijgaand aan het mooie, dat toen niet mooi genoeg was. Omdat ik het niet zag, niet wilde zien, niet kon zien. Geen sentimenten, alles of niks. Gevlucht bij gebrek aan liefde, die dus weldegelijk aanwezig was. Als een blind paard vertrokken, omdat niemand mijn oogkleppen verwijderde. Omdat ik niemand de oogkleppen liet verwijderen. Ze vertelt met wie ze uiteindelijk is getrouwd. Ze vertelt dat ze nu vier en acht jaar oud zijn.
Waarom hebben we dat nooit eerder gezegd. De angst voor de afwijzing die het altijd wint van de euforische bekentenis. De verwarring van gevoelens die je niet kunt duiden. Toen en nu. Zeg het maar gewoon wanneer je verliefd bent. Wat is het ergste dat kan gebeuren?
Een goed moment voor sterke drank. Ik neem afscheid van haar en ga op zoek naar Density die ik tequila heb beloofd. Mijn belofte komt als geroepen. Ik loop een rondje over het Kerkplein maar zie niemand die voldoet aan de beschrijving. Nog een poging. Ik loop nu in tegenovergestelde richting. Bingo! Ga in de trein eens achterstevoren zitten en je ziet ook hele andere dingen. Alweer zo’n kleintje. Of ben ik zelf gewoon lang? Ik val meteen aan op haar wangen, ik heb behoefte aan fysiek contact. Na het standaard gebrabbel loop ik het café in om mijn belofte in te lossen. De tequila is op. Heeft ze nu al de hele voorraad haar keelgat ingejaagd? Ik denk even na en neem als alternatief wodka mee. Manlief en broer voorzie ik van bier. We proosten, ik giet het destillaat in één keer naar binnen en sluit mijn ogen. Die had ik even nodig. Ze nipt van het goedje en geeft mij haar glas. Ze drinkt alleen maar tequila. Whatever. Ik neem haar glas aan en sla ook deze meteen achterover. Hij blijft even hangen maar glijdt dan door naar de plaats van bestemming. Mex is er ondertussen bij komen staan en geeft me haar lachende je-bent-weer-lekker-bezig blik. Inderdaad. Ik ben lekker bezig.
We sluiten het kroegengedeelte zoals gewoonlijk af op de Rooie Steen. Ook hier vinden we weer een vrij rondje. Heerlijk, die tradities. Rooie Steen is pullentijd. De kroegen sluiten om vier uur, tijdelijke drooglegging van de binnenstad van Hoorn. Bij een drooglegging moet je hamsteren. Maar hoe hamster je liefde?
Om onze hersencellen en maagwand te redden gaan we even na vieren naar de visboer. De meeste mensen vallen na een stevige drankpartij aan op de patat en frikadellen. Fout. Behalve die dellen dan, dat mag dan weer wel. Alles mag op Lappendag. De verzadigd vette rotzooi uit de snackbar maakt je alleen maar misselijker en zorgt voor een ongewenst effect. Je maaginhoud zal in omgekeerde richting je lichaam verlaten. Zo heeft God het biologisch niet bedoeld. Vis is het antwoord. Familiebakken kibbeling en haring. Lekker en gezond. De vis is een zwaar ondergewaardeerd beestje, ik voel me er wel bij thuis. Op Lappendag voel ik me ook thuis, als een vis in het water. De metafoor over de vis en de fiets laat ik achterwege. Want zo heeft God het biologisch tenslotte niet bedoeld.
Om tien uur ’s morgens strompelen we Station Sloterdijk binnen en kopen bij de automaat een kaartje. Bij de loketten is het veel te druk. Wat doen al die mensen hier? Met het vervoersbewijs warm in mijn hand luister ik naar de omroeper. Al het treinverkeer is gestremd. Pardon lul? Al het treinverkeer is gestremd. Ga ik één keer per jaar met de trein, besluit er uitgerekend vandaag eentje te ontsporen. Ik krijg te horen dat we via CS moeten reizen. Met de bus welteverstaan. We lopen naar buiten en sluiten achteraan bij de mensenmassa die voor een bus staat te wachten. Wachten. Wachten. Een andere bus met Centraal Station op de voorkant komt aangereden. Ik wurm me uit de rij en loop naar de verse bus. Op het moment dat ik instap wijzigt de chauffeur de tekst op de voorkant in Sloten. Ik stap weer uit en loop terug naar de rij die ik heb verlaten en die ondertussen is opgelost. De bus is ook opgelost, hij rijdt voor onze neus weg. We lopen terug naar onze fietsen en besluiten dan zelf maar naar CS te rijden. Nog even en ik ontspoor. Klote openbaar vervoer. Leve de benenwagen en de fiets. Ik heb een hekel aan afhankelijkheid.
Bij de streekbussen op het CS is het verbazingwekkend rustig. Ik stap in de bus, laat de chauffeur het treinkaartje zien en vertel over de stremming. Of het treinkaartje ook in de bus geldig is. Hij kijkt me meewarig aan. Hij heeft zoiets gehoord, zegt ie. Stroomleidingen zijn neergestort, ambulances rijden af en aan, een traumahelicopter vliegt over het terrein en meneer heeft zoiets gehoord. Vooral lekker de Telegraaf blijven lezen. Ik vertel dat ik heb afgesproken met collega’s van hem. Hij kijkt naar het treinkaartje en negeert mijn opmerking. Mensen die aan het werk zijn, zijn niet geïnteresseerd in de verhalen van andere mensen, in de verplichtingen van andere mensen. Daarom zullen ze ook rustig weer gaan staken. Reizigers? Lekker belangrijk. Luister sukkel. Ik zal de catering voor de bruiloft van je dochter eens vijf minuten van te voren annuleren. Vervelend hè, wanneer je ergens op rekent en het even anders loopt. We mogen gaan zitten.
Eenmaal in Hoorn, anderhalf uur later dan gepland, ga ik op zoek naar Rem uit de fabriek. Sorry dat ik te laat ben, Dude. Overmacht. Hij is geen velden of wegen te bekennen. We lopen naar Het Plafond en sluiten aan bij Broer en aanhang. We gaan beginnen. Het is rustig in de stad. Waar is iedereen? Oké, het is geen superweer maar wel aangenaam. Ik spreek Broer één keer per jaar. Op Lappendag. Eén keer is genoeg. We hoeven niet te bellen met elkaar. Een telefoon gebruik je om afspraken te maken of af te sms-en. Verhalen vertel je bij een biertje. We bestellen bier en vertellen verhalen. Leuke anekdote. Onze familienaam dreigt uit te sterven. Broer en ik zijn de enigen die nog voor nageslacht met de familienaam kunnen zorgen. Alle neven met onze achternaam zijn of getrouwd met een gescheiden vrouw, zijn impotent of homofiel of hebben alleen maar dochters. Een zware last drukt op onze schouders. En wij, de twee overgeblevenen, willen geen kinderen. Broer bestelt een dubbel rondje. Even de last verdrinken, de schouders verlichten.
Broer heeft een leuke club mensen om zich heen verzameld, wat later op het Kerkplein vinden we de buschauffeurs ook. Elk jaar vaste prik. Mooie gasten. Geen lulverhalen maar plezier maken. Handen schudden, bier halen, proosten. We lopen verder het plein op en vinden een vrij rondje. Ik sta het liefst aan een rondje. Genoeg plaats voor de glazen, lekker hangen, niet naar een houding hoeven zoeken. Eén van de buschauffeurs is een jeugdvriend van me, met hem bespreek ik de vorderingen van mijn leven. Mex houdt ondertussen zijn collega’s bezig. Ik ga op zoek naar een ober, draai me om en kijk naar de deuropening van het café waar we voor staan. Ik kijk recht in de ogen van twintig jaar oud zeer. Ik zeg haar naam. Ze zegt mijn naam. Zonder een spoor van twijfel. Geen steek veranderd. Ik niet. Zij niet. Dezelfde uitstraling. Dezelfde vrolijkheid. Dezelfde bos met haar.
Dezelfde twinkeling in haar ogen. Dezelfde vlinders in mijn buik.
Ik heb de foto nog steeds, een foto van een kringfeestje thuis van puistenpubertjes. De bank en de stoelen gevuld met adolescente onzekerheid. Op tafel flesjes bier, glazen pisang ambon en bessen-jus, schalen met chips en nootjes. Wij samen op de grond. Ik met mijn rug tegen de bank, zij in mijn armen.
"Weet je dat ik stapelverliefd op je was?"
"Ik ook op jou!"
"Waarom zeggen we dat nu pas?"
All that could have been. Het is even stil. Ik breng mijn gezicht naar het hare en zoen zachtjes haar lippen. Er wordt nieuwe drank aangereikt en we hervatten het gesprek. We nemen iedereen van het kringfeestje door. Wat er van ze is geworden. Wie we nog zien, met wie we nog contact hebben. Ik zie helemaal niemand meer, ik ben in Amsterdam een nieuw leven begonnen. Gevlucht van thuis, omdat er geen thuis meer was. In mijn vlucht voorbijgaand aan het mooie, dat toen niet mooi genoeg was. Omdat ik het niet zag, niet wilde zien, niet kon zien. Geen sentimenten, alles of niks. Gevlucht bij gebrek aan liefde, die dus weldegelijk aanwezig was. Als een blind paard vertrokken, omdat niemand mijn oogkleppen verwijderde. Omdat ik niemand de oogkleppen liet verwijderen. Ze vertelt met wie ze uiteindelijk is getrouwd. Ze vertelt dat ze nu vier en acht jaar oud zijn.
Waarom hebben we dat nooit eerder gezegd. De angst voor de afwijzing die het altijd wint van de euforische bekentenis. De verwarring van gevoelens die je niet kunt duiden. Toen en nu. Zeg het maar gewoon wanneer je verliefd bent. Wat is het ergste dat kan gebeuren?
Een goed moment voor sterke drank. Ik neem afscheid van haar en ga op zoek naar Density die ik tequila heb beloofd. Mijn belofte komt als geroepen. Ik loop een rondje over het Kerkplein maar zie niemand die voldoet aan de beschrijving. Nog een poging. Ik loop nu in tegenovergestelde richting. Bingo! Ga in de trein eens achterstevoren zitten en je ziet ook hele andere dingen. Alweer zo’n kleintje. Of ben ik zelf gewoon lang? Ik val meteen aan op haar wangen, ik heb behoefte aan fysiek contact. Na het standaard gebrabbel loop ik het café in om mijn belofte in te lossen. De tequila is op. Heeft ze nu al de hele voorraad haar keelgat ingejaagd? Ik denk even na en neem als alternatief wodka mee. Manlief en broer voorzie ik van bier. We proosten, ik giet het destillaat in één keer naar binnen en sluit mijn ogen. Die had ik even nodig. Ze nipt van het goedje en geeft mij haar glas. Ze drinkt alleen maar tequila. Whatever. Ik neem haar glas aan en sla ook deze meteen achterover. Hij blijft even hangen maar glijdt dan door naar de plaats van bestemming. Mex is er ondertussen bij komen staan en geeft me haar lachende je-bent-weer-lekker-bezig blik. Inderdaad. Ik ben lekker bezig.
We sluiten het kroegengedeelte zoals gewoonlijk af op de Rooie Steen. Ook hier vinden we weer een vrij rondje. Heerlijk, die tradities. Rooie Steen is pullentijd. De kroegen sluiten om vier uur, tijdelijke drooglegging van de binnenstad van Hoorn. Bij een drooglegging moet je hamsteren. Maar hoe hamster je liefde?
Om onze hersencellen en maagwand te redden gaan we even na vieren naar de visboer. De meeste mensen vallen na een stevige drankpartij aan op de patat en frikadellen. Fout. Behalve die dellen dan, dat mag dan weer wel. Alles mag op Lappendag. De verzadigd vette rotzooi uit de snackbar maakt je alleen maar misselijker en zorgt voor een ongewenst effect. Je maaginhoud zal in omgekeerde richting je lichaam verlaten. Zo heeft God het biologisch niet bedoeld. Vis is het antwoord. Familiebakken kibbeling en haring. Lekker en gezond. De vis is een zwaar ondergewaardeerd beestje, ik voel me er wel bij thuis. Op Lappendag voel ik me ook thuis, als een vis in het water. De metafoor over de vis en de fiets laat ik achterwege. Want zo heeft God het biologisch tenslotte niet bedoeld.
11 August 2005
Teil
Ze is een beetje in de war, zegt ze. Moet je vooral met mij dronken gaan worden, dat schept pas duidelijkheid.
Een stralend gezicht kijkt me aan. Hoe haal ik het in mijn hoofd dat de straling voor mij is bedoeld? De oorzaak van de straling ligt van binnen, daar zit de bron. Het doel, de ontvanger, is onbepaald. At random verplaatst de radioactiviteit zich. Straling is een radio. Onbedoeld wordt er meer dan het object besmet. De meerwaarde van de aanslag, de onschuldige slachtoffers vallen bij bosjes. Ik val bij bosjes. Onbedoeld besmet.
De eerste redactievergadering. Op maandagochtend. Whatever. Ik schud de handen van de mederedacteuren en stel me als agendapunt één officieel voor. Het pak komt een kwartier te laat.
De voorzitter legt uit: "Dat krijg je met twee kinderen."
Daag, Pak.
Na het werk fiets ik naar Get en vraag of mijn bestelling al binnen is. Mager kijkt in zijn computer en antwoordt ontkennend. Nog een week. Oké. Om het gat te dichten vraag ik naar andere nieuwe releases. Alleen op DVD. Veel te duur, zegt Mager. De marketingmachines draaien weer op volle toeren. Goede verkoper. Smeert je geen rotzooi aan.
"Pak maar in."
Het is feest vandaag. Ik wijs er nog drie aan en reken meer af dan hij per dag verdient.
Ik rijd door naar het café, dump de handel, gooi een borrel naar binnen en ben voor even besluiteloos. Naar huis? Nop. Ik fiets door naar het filmhuis en bestel een koffie. Even pauze. Ik ben onrustig.
"Ga je naar de film?"
Nee, ik kom de krant lezen. Er wordt een kaartje voor me geregeld, ik loop de trap af en ga in de verkeerde zaal zitten. Het meisje in de film intrigeert, is mooi, dus ik blijf tot het eind. De film zelf blijkt een draak maar de bevestiging van het menselijk seksuele onvermogen houdt hem drijvend. Na de film vertel ik mijn blunder.
"Dan ga je er toch nog één kijken?"
O ja, het is feest vandaag. Een kwartier later bevind ik me weer in een zaal, nu in de juiste. De reclames beginnen te irriteren en ik zet mijn discman op. Een goede policier later zit ik weer aan de krantentafel. Het filmhuis is leuk.
Afspreken is helemaal niet leuk. Een afspraak is ontdaan van alle spontaniteit. Kom maar langs wanneer je zin hebt. Ik weet niet wat je vruchtbare dagen zijn, ik weet niet wanneer je hormonen hun maandelijks kotspartijtje hebben. Andersom ook. Ik kom langs wanneer ik zin heb. Om zes uur ’s avonds bepaal ik wat ik gaan doen. Eten of drinken? Niet een week daarvoor.
Ze vraagt of ik op haar wil wachten. De nieuwe tijdschriften worden geleverd en we storten ons op de kamelenzuiger in de Vrij Nederland. Bedrijfsleider doet de rolluiken naar beneden en zet nieuwe drank neer. Mijn café wordt verbouwd dus we blijven nazitten in het filmhuis. De alarmcode wordt een uur doorgeschoven en we blijven zitten totdat alle hokjes zijn gevuld. Ik kijk naar de tijd. De minimaal benodigde slaaptijd is al niet meer haalbaar.
"Wodka," zegt ze wanneer we uiteindelijk buiten staan.
Ik had mijn zinnen al gezet op haar logeerbed dus die wodka kan er wel bij.
"Eentje dan."
Eén fles dat is.
Het onoverzichtelijke middenspel. Veel stukken op een kleine ruimte. Talloze mogelijkheden. Teveel mogelijkheden. Een whisky. Overzicht door de exploderende werking ervan. Dan puinruimen, kijken wat er over is gebleven. Wie er over is gebleven. Stukken worden geslagen, stelletjes verdwijnen in de nacht. De ruimte is daar, duidelijkheid door beneveling. Door ontruiming.
"En toen begon je nog aan me te zitten ook."
Ik dacht dat ik aan het Chineesje, die aan de andere kant van me zat, had gezeten.
"Daarna, ja."
Ik moet echt minder drinken. Of in ieder geval iets eten voordat ik mijn slokdarm open gooi.
Chineesje was op blote voeten, blote voeten die ze op mijn benen neerlegde. Ik streelde haar voetzolen. Ze vertrok geen spier. Ik zette mijn nagels in haar voetzolen. Onberoerd keek ze me aan. Chinezen zijn gevoelloos. Daarom moet ik niet meer achter ze aanlopen. Ze hebben wat. Maar wat dan? Ik pakte één van haar voeten, bracht hem naar mijn gezicht en zette mijn lippen erop. Ze riep dat ik het niet moest doen. Omdat ze vies zijn. Is zoenen vies? Dat krijg je van dat roken. Ik legde haar voeten terug op mijn dijbenen en zoende vervolgens haar schouder. Een ritueel wanneer ik haar zie. Altijd even haar ontblote schouder proeven. Ze tolereert het. Ze weet dat ik ongevaarlijk ben. Dat heb ik haar verteld. Ze is slechts surrogaat. Maar dat heb ik haar niet verteld.
Ze heeft haar ouders verteld over haar geplande vaderloos ouderschap. Het is een hint. Nu word ik geacht mijn mening te geven. Een bekende of een onbekende donor. De bekende donor ben ik. Grote kans op blauwe ogen, bos blonde schapenkrulletjes. Het gaat een mooie worden. En een slimme. Eén nadeel. De rest van haar leven zit ze aan mij vast. Sterker. Zit ik aan haar vast. Ik ken mijn verantwoordelijkheden, hoeveel afspraken we van te voren ook maken. Dat weet ze ook. Ze neigt naar onafhankelijk moederschap. En met twee gepensioneerde ouders beschikbaar komt het allemaal wel goed. Ze vertelt het alsof de beslissing al is genomen.
Weet ik veel dat ze zo aanhankelijk is. Ik ben ook aanhankelijk. Iedereen is aanhankelijk maar de meesten zitten nog in hun ontkenningsfase, ze laten niets blijken. Ik schuif de fles, de glazen en de asbak opzij en kruip op handen en knieën naar haar toe. Ik ga achter haar zitten en sla mijn armen om haar heen. Haar armen hangen als stukken lood langs haar lichaam. Er gebeurt niets. Is Bartholini je klieren vergeten? Niks mis met aanhankelijkheid. Jammer alleen dat steeds de verkeerde mensen aan je gaan zitten.
De bodem van de fles Zoladkowa komt in zicht. Het geluid van ratelende trams heeft de garage vervangen. Ze doet een poging op te staan en zweeft naar haar bed. Zonder zich uit te kleden gaat ze onder het bovenste laken liggen.
"Wil je een teiltje pakken?"
Helderheid van geest, dat dan weer wel. Ik loop naar de douche, pak de bak en zet hem bij het eind van haar hoofd. Binnen een minuut ligt ze in coma. Wat nu? Nog maar een wodka bedenktijd. De fabriek is al open maar ik heb teveel alcohol in mijn bloed om te gaan werken. Slapen, minstens een paar uur. Maar waar dan? Het logeerbed? Wat als ze wel begint te kotsen? Ik moet bij haar blijven, of ze dat nu wil of niet.
Het loopt uit de hand. Ik heb ze niet meer in de hand, ze vinden allemaal iemand anders leuker. Heb ik op teveel paarden gewed? Niets komt aanwaaien en als het al komt aanwaaien is het niet interessant. De vuilnisbelt uitspitten om daar die ene bloem te vinden. Kruipend door het afval, waar de werkelijke schoonheid zichzelf eerder openbaart. Ik verlies het zelfs van een donor. Nee, ik heb niet gewed. Ik was mooi behang, alleen te snel verkleurd. Dat krijg je ook van roken.
Na twee uur schrik ik wakker van haar telefoon die als wekker dienst doet. Bellen, ik moet de fabriek bellen. Ik pak de fles water, gorgel een beetje en luister naar mijn eigen stem. Moet lukken.
"Ik kom wat later."
Het vrij nemen is er niet eenvoudiger op geworden met de verplichte telefoondiensten. Rechts van me draait ze zich op haar rug en begint te snurken. De teil is leeg gebleven.
Ik ga weer liggen en pak nog twee uur slaap. Moet genoeg zijn. Wodka levert vage dronkenschappen. Geen kater maar je voelt dat er iets niet klopt in je lichaam. Daarna sta ik op, loop naar haar douche en spoel de drank- en rooklucht van me af. Tril alert. Heb ik wel gegeten gisteren? Terug in haar kamer kleed ik me aan en geef haar een aai over haar bol. Ze stopt acuut met snurken. Ik pak mijn fiets en ga naar buiten. Waar is de visboer als je hem nodig hebt? Ik fiets naar De Cuyp en koop vier haringen. Het trillen stopt. In de fabriek stort ik me op de espresso’s. Aan het eind van de middag komt de sms terreur op gang. De afgelopen nacht en de komende nachten worden besproken. Ik lees de berichten. Hoe lang houd ik dit vol?
Niet alleen zij is in de war. Iedereen is in de war. Geen komkommertijd, geen hondsdagen. Zomerkolder noemen we dit. Nog een maand en het is weer herfst. Dan gaan we weer normaal leven, dan doen ze weer normaal. Ik ben slechts surrogaat. Dat wordt me net verteld.
Mag ik een teiltje?
Een stralend gezicht kijkt me aan. Hoe haal ik het in mijn hoofd dat de straling voor mij is bedoeld? De oorzaak van de straling ligt van binnen, daar zit de bron. Het doel, de ontvanger, is onbepaald. At random verplaatst de radioactiviteit zich. Straling is een radio. Onbedoeld wordt er meer dan het object besmet. De meerwaarde van de aanslag, de onschuldige slachtoffers vallen bij bosjes. Ik val bij bosjes. Onbedoeld besmet.
De eerste redactievergadering. Op maandagochtend. Whatever. Ik schud de handen van de mederedacteuren en stel me als agendapunt één officieel voor. Het pak komt een kwartier te laat.
De voorzitter legt uit: "Dat krijg je met twee kinderen."
Daag, Pak.
Na het werk fiets ik naar Get en vraag of mijn bestelling al binnen is. Mager kijkt in zijn computer en antwoordt ontkennend. Nog een week. Oké. Om het gat te dichten vraag ik naar andere nieuwe releases. Alleen op DVD. Veel te duur, zegt Mager. De marketingmachines draaien weer op volle toeren. Goede verkoper. Smeert je geen rotzooi aan.
"Pak maar in."
Het is feest vandaag. Ik wijs er nog drie aan en reken meer af dan hij per dag verdient.
Ik rijd door naar het café, dump de handel, gooi een borrel naar binnen en ben voor even besluiteloos. Naar huis? Nop. Ik fiets door naar het filmhuis en bestel een koffie. Even pauze. Ik ben onrustig.
"Ga je naar de film?"
Nee, ik kom de krant lezen. Er wordt een kaartje voor me geregeld, ik loop de trap af en ga in de verkeerde zaal zitten. Het meisje in de film intrigeert, is mooi, dus ik blijf tot het eind. De film zelf blijkt een draak maar de bevestiging van het menselijk seksuele onvermogen houdt hem drijvend. Na de film vertel ik mijn blunder.
"Dan ga je er toch nog één kijken?"
O ja, het is feest vandaag. Een kwartier later bevind ik me weer in een zaal, nu in de juiste. De reclames beginnen te irriteren en ik zet mijn discman op. Een goede policier later zit ik weer aan de krantentafel. Het filmhuis is leuk.
Afspreken is helemaal niet leuk. Een afspraak is ontdaan van alle spontaniteit. Kom maar langs wanneer je zin hebt. Ik weet niet wat je vruchtbare dagen zijn, ik weet niet wanneer je hormonen hun maandelijks kotspartijtje hebben. Andersom ook. Ik kom langs wanneer ik zin heb. Om zes uur ’s avonds bepaal ik wat ik gaan doen. Eten of drinken? Niet een week daarvoor.
Ze vraagt of ik op haar wil wachten. De nieuwe tijdschriften worden geleverd en we storten ons op de kamelenzuiger in de Vrij Nederland. Bedrijfsleider doet de rolluiken naar beneden en zet nieuwe drank neer. Mijn café wordt verbouwd dus we blijven nazitten in het filmhuis. De alarmcode wordt een uur doorgeschoven en we blijven zitten totdat alle hokjes zijn gevuld. Ik kijk naar de tijd. De minimaal benodigde slaaptijd is al niet meer haalbaar.
"Wodka," zegt ze wanneer we uiteindelijk buiten staan.
Ik had mijn zinnen al gezet op haar logeerbed dus die wodka kan er wel bij.
"Eentje dan."
Eén fles dat is.
Het onoverzichtelijke middenspel. Veel stukken op een kleine ruimte. Talloze mogelijkheden. Teveel mogelijkheden. Een whisky. Overzicht door de exploderende werking ervan. Dan puinruimen, kijken wat er over is gebleven. Wie er over is gebleven. Stukken worden geslagen, stelletjes verdwijnen in de nacht. De ruimte is daar, duidelijkheid door beneveling. Door ontruiming.
"En toen begon je nog aan me te zitten ook."
Ik dacht dat ik aan het Chineesje, die aan de andere kant van me zat, had gezeten.
"Daarna, ja."
Ik moet echt minder drinken. Of in ieder geval iets eten voordat ik mijn slokdarm open gooi.
Chineesje was op blote voeten, blote voeten die ze op mijn benen neerlegde. Ik streelde haar voetzolen. Ze vertrok geen spier. Ik zette mijn nagels in haar voetzolen. Onberoerd keek ze me aan. Chinezen zijn gevoelloos. Daarom moet ik niet meer achter ze aanlopen. Ze hebben wat. Maar wat dan? Ik pakte één van haar voeten, bracht hem naar mijn gezicht en zette mijn lippen erop. Ze riep dat ik het niet moest doen. Omdat ze vies zijn. Is zoenen vies? Dat krijg je van dat roken. Ik legde haar voeten terug op mijn dijbenen en zoende vervolgens haar schouder. Een ritueel wanneer ik haar zie. Altijd even haar ontblote schouder proeven. Ze tolereert het. Ze weet dat ik ongevaarlijk ben. Dat heb ik haar verteld. Ze is slechts surrogaat. Maar dat heb ik haar niet verteld.
Ze heeft haar ouders verteld over haar geplande vaderloos ouderschap. Het is een hint. Nu word ik geacht mijn mening te geven. Een bekende of een onbekende donor. De bekende donor ben ik. Grote kans op blauwe ogen, bos blonde schapenkrulletjes. Het gaat een mooie worden. En een slimme. Eén nadeel. De rest van haar leven zit ze aan mij vast. Sterker. Zit ik aan haar vast. Ik ken mijn verantwoordelijkheden, hoeveel afspraken we van te voren ook maken. Dat weet ze ook. Ze neigt naar onafhankelijk moederschap. En met twee gepensioneerde ouders beschikbaar komt het allemaal wel goed. Ze vertelt het alsof de beslissing al is genomen.
Weet ik veel dat ze zo aanhankelijk is. Ik ben ook aanhankelijk. Iedereen is aanhankelijk maar de meesten zitten nog in hun ontkenningsfase, ze laten niets blijken. Ik schuif de fles, de glazen en de asbak opzij en kruip op handen en knieën naar haar toe. Ik ga achter haar zitten en sla mijn armen om haar heen. Haar armen hangen als stukken lood langs haar lichaam. Er gebeurt niets. Is Bartholini je klieren vergeten? Niks mis met aanhankelijkheid. Jammer alleen dat steeds de verkeerde mensen aan je gaan zitten.
De bodem van de fles Zoladkowa komt in zicht. Het geluid van ratelende trams heeft de garage vervangen. Ze doet een poging op te staan en zweeft naar haar bed. Zonder zich uit te kleden gaat ze onder het bovenste laken liggen.
"Wil je een teiltje pakken?"
Helderheid van geest, dat dan weer wel. Ik loop naar de douche, pak de bak en zet hem bij het eind van haar hoofd. Binnen een minuut ligt ze in coma. Wat nu? Nog maar een wodka bedenktijd. De fabriek is al open maar ik heb teveel alcohol in mijn bloed om te gaan werken. Slapen, minstens een paar uur. Maar waar dan? Het logeerbed? Wat als ze wel begint te kotsen? Ik moet bij haar blijven, of ze dat nu wil of niet.
Het loopt uit de hand. Ik heb ze niet meer in de hand, ze vinden allemaal iemand anders leuker. Heb ik op teveel paarden gewed? Niets komt aanwaaien en als het al komt aanwaaien is het niet interessant. De vuilnisbelt uitspitten om daar die ene bloem te vinden. Kruipend door het afval, waar de werkelijke schoonheid zichzelf eerder openbaart. Ik verlies het zelfs van een donor. Nee, ik heb niet gewed. Ik was mooi behang, alleen te snel verkleurd. Dat krijg je ook van roken.
Na twee uur schrik ik wakker van haar telefoon die als wekker dienst doet. Bellen, ik moet de fabriek bellen. Ik pak de fles water, gorgel een beetje en luister naar mijn eigen stem. Moet lukken.
"Ik kom wat later."
Het vrij nemen is er niet eenvoudiger op geworden met de verplichte telefoondiensten. Rechts van me draait ze zich op haar rug en begint te snurken. De teil is leeg gebleven.
Ik ga weer liggen en pak nog twee uur slaap. Moet genoeg zijn. Wodka levert vage dronkenschappen. Geen kater maar je voelt dat er iets niet klopt in je lichaam. Daarna sta ik op, loop naar haar douche en spoel de drank- en rooklucht van me af. Tril alert. Heb ik wel gegeten gisteren? Terug in haar kamer kleed ik me aan en geef haar een aai over haar bol. Ze stopt acuut met snurken. Ik pak mijn fiets en ga naar buiten. Waar is de visboer als je hem nodig hebt? Ik fiets naar De Cuyp en koop vier haringen. Het trillen stopt. In de fabriek stort ik me op de espresso’s. Aan het eind van de middag komt de sms terreur op gang. De afgelopen nacht en de komende nachten worden besproken. Ik lees de berichten. Hoe lang houd ik dit vol?
Niet alleen zij is in de war. Iedereen is in de war. Geen komkommertijd, geen hondsdagen. Zomerkolder noemen we dit. Nog een maand en het is weer herfst. Dan gaan we weer normaal leven, dan doen ze weer normaal. Ik ben slechts surrogaat. Dat wordt me net verteld.
Mag ik een teiltje?
27 July 2005
Pak
Het laatste fabriekslog is al weer even geleden. Logisch, wie werkt er in een fabriek en schrijft daar dan nog over ook? Wie gaat het überhaupt lezen? Lekker belangrijk, achterlijk geneuzel over werk. Het enige belang van werk is het bankafschrift. En de koffiemachine. En de lunch. En het meisje van twee bureaus verderop.
Mijn enige eerder gefabriceerd fabriekslog ging over communicatie. Eén sarcastische mail en ik was aangenomen. De zaken gaan voorspoedig. Ik communiceer, vergader met managers, knip, plak en schrijf op ons intranet en maak een nieuwsbrief voor onze divisie. Net een weblog maar dan zonder reageermogelijkheid. Je kunt wel mailen. Dat dan weer wel.
Onze divisie is ondervertegenwoordigd in de redactie van ons huisorgaan. De mededeling wordt samenzweerderig gebracht. Het communicatieteam bestaat uit samenzweerders. Ondervertegenwoordigd is een understatement. We zijn helemaal niet vertegenwoordigd, meldt de hoofdredactrice van het huisorgaan na onze kamervragen. En er is plaats genoeg in de redactie. Nederland is vol maar ons huisorgaan niet. De voorzitter vraagt om een vrijwilliger om onze divisie te vertegenwoordigen in de redactie. Mijn sollicitatiemail heb ik twee dagen daarvoor al naar de hoofdredactrice verzonden. Ik heb geleerd hoe bedrijfscommunicatie werkt.
Pak één laat ik voor wat het is, het regent en pak één fietst niet lekker in een regenpak. Spijkerbroek, zwart shirt, capuchon. Jezelf zijn werkt het beste. De afspraak is aan het eind van de middag. Dat is goed, ’s middags ben ik scherper dan ’s morgens. Ik schreef haar dat ik een zuiver informatief gesprek wilde. Zij vertaalt zuiver als wat zij wil en wat ik heb te bieden. Het informatieve is de locatie, ik word verwacht in de foyer. Nu eerst de dag zien door te komen.
De tien uur sigaret. Ik heb regelmaat nodig. Daarom ben ik hier gaan werken. In het rookhok kom ik Toon tegen. Toon is een goede toon. Hard werken, niet zeiken, roken en espresso’s drinken. Alsof ik mezelf zie. Toon zit alleen met die achterlijke achtergrond die hij heeft meegenomen. Kan hij zelf niets aan doen, dat snap ik ook wel, maar toch. Probeer zelf eens na te denken, knul. Zo moeilijk is dat niet. "Alle vrouwen in korte rokjes zijn hoeren." Nee, Toon. Een vrouw in een kort rokje is communicatie.
Eén uur. Kontjes kijken in het restaurant. De schapen gaan lunchen, ik houd Vriend gezelschap bij het naar binnen werken van een aankomend hartinfarct en doe een update over mijn leven. Zo vaak spreken we elkaar niet. Hoeft ook niet. Aanwezigheid is voldoende. Vriendschap vraagt geen bevestiging door oeverloze woordenstromen. Er zijn wanneer nodig en nooit overbodig. Ik vertel over het weekend in het café, mijn log, vage emails en puisten, hij vertelt over sterilon en zijn afgescheurde kleine teennagel. Verschil moet er zijn. Half uur sharp, mannen van de klok als we zijn, staan we op en lopen naar de spoelkeuken. Een lopende band waarachter gesubsidieerden hun uitkering spekken. Inderdaad, verschil moet er zijn.
Een pak aan het laatste tafeltje voordat we rechtsaf moeten richting de wasstraat trekt mijn aandacht. Oké, er zijn wel meer mensen die alleen eten, ik eet bijna altijd alleen, maar waarom zit dit alleen? Niet het pak doet het hem, ik haat pakken, maar het pak in combinatie met de bijbehorende bos haar, uitwaaierend tussen haar schouderbladen, alle herfstkleuren in zich verenigend. Het pak in combinatie met de onder tafel uitstekende punten, de met oranje stiksel afgewerkte bruine punten van haar cowboylaarzen. Ik schop Vriend tegen zijn voet en knik in haar richting. Hij krimpt ineen. "Auw." Aha, het was zijn linkerteen.
Na de lunch eerst roken. In het rookhok staat vijfentwintig jaar trouwe dienst. Ik begroet hem als zaagmans. Hij kijkt me niet begrijpend aan. "Om de week door midden te zagen." Kantoorhumor. Vijfentwintig jaar trouwe dienst heeft de mens niet slimmer gemaakt. Ik zei al dat ik me heb aangepast. Het rookhok is communicatie bij uitstek. En ik moet verhalen voor de nieuwsbrief hebben. Roken is werken.
Telefoondienst. De achterstandsbrieven zijn de deur uit dus dat betekent de hele dag incassoshit aan de andere kant van de lijn. De open internetverbinding vergoedt veel. Vreemd trouwens. Hotmail doet het hier nooit maar Gmail kan gewoon geopend worden. Ik bekijk de foto’s in de inbox en zeg ondertussen tegen de bellers dat ze niet moeten zeiken maar betalen. Op een nette manier dan. Communicatie hè. De telefoontraining werpt zijn vruchten af. Buiten giet het, ik bekijk mijn eigen verbrande kop en waan mezelf op een mooie zondagmiddag in het park. Ik zie een kontje in een legerbroek en kan de muziek van het getoonde podium bijna horen. Ik zie Gent en kan het bier bijna proeven. Waar komt in godsnaam dat hoge ziekteverzuim vandaan? Hier kun je niet ziek worden.
Om vier uur ga ik naar beneden en nestel mezelf in de foyer. Altijd op tijd. Hoofdredactrice is er niet. Aanpassen, communicatie. Een espresso later is ze er nog niet. Ik haal een tweede espresso en ga weer zitten. Waarom komen vrouwen altijd te laat? Dan hoor ik het geklak van hakken. Stevige hakken. Hm, dit zijn geen pumps, dit zijn laarzen. De lunch maakt een sprongetje in mijn buik en ik buig het hoofd om de hoest op te vangen. Wanneer ik mijn hoofd weer omhoog doe staat ze al voor me. Staan ze al voor me. De bruine punten met oranje stiksels.
"Hoi," zegt het pak. Ik steek mijn hand uit. Aangenomen.
Freud heeft gelijk. Wanneer een man een vrouw voor het eerst ziet is zijn eerste gedachte of hij ermee naar bed wil. Maar wat denken vrouwen eigenlijk?
Mijn enige eerder gefabriceerd fabriekslog ging over communicatie. Eén sarcastische mail en ik was aangenomen. De zaken gaan voorspoedig. Ik communiceer, vergader met managers, knip, plak en schrijf op ons intranet en maak een nieuwsbrief voor onze divisie. Net een weblog maar dan zonder reageermogelijkheid. Je kunt wel mailen. Dat dan weer wel.
Onze divisie is ondervertegenwoordigd in de redactie van ons huisorgaan. De mededeling wordt samenzweerderig gebracht. Het communicatieteam bestaat uit samenzweerders. Ondervertegenwoordigd is een understatement. We zijn helemaal niet vertegenwoordigd, meldt de hoofdredactrice van het huisorgaan na onze kamervragen. En er is plaats genoeg in de redactie. Nederland is vol maar ons huisorgaan niet. De voorzitter vraagt om een vrijwilliger om onze divisie te vertegenwoordigen in de redactie. Mijn sollicitatiemail heb ik twee dagen daarvoor al naar de hoofdredactrice verzonden. Ik heb geleerd hoe bedrijfscommunicatie werkt.
Pak één laat ik voor wat het is, het regent en pak één fietst niet lekker in een regenpak. Spijkerbroek, zwart shirt, capuchon. Jezelf zijn werkt het beste. De afspraak is aan het eind van de middag. Dat is goed, ’s middags ben ik scherper dan ’s morgens. Ik schreef haar dat ik een zuiver informatief gesprek wilde. Zij vertaalt zuiver als wat zij wil en wat ik heb te bieden. Het informatieve is de locatie, ik word verwacht in de foyer. Nu eerst de dag zien door te komen.
De tien uur sigaret. Ik heb regelmaat nodig. Daarom ben ik hier gaan werken. In het rookhok kom ik Toon tegen. Toon is een goede toon. Hard werken, niet zeiken, roken en espresso’s drinken. Alsof ik mezelf zie. Toon zit alleen met die achterlijke achtergrond die hij heeft meegenomen. Kan hij zelf niets aan doen, dat snap ik ook wel, maar toch. Probeer zelf eens na te denken, knul. Zo moeilijk is dat niet. "Alle vrouwen in korte rokjes zijn hoeren." Nee, Toon. Een vrouw in een kort rokje is communicatie.
Eén uur. Kontjes kijken in het restaurant. De schapen gaan lunchen, ik houd Vriend gezelschap bij het naar binnen werken van een aankomend hartinfarct en doe een update over mijn leven. Zo vaak spreken we elkaar niet. Hoeft ook niet. Aanwezigheid is voldoende. Vriendschap vraagt geen bevestiging door oeverloze woordenstromen. Er zijn wanneer nodig en nooit overbodig. Ik vertel over het weekend in het café, mijn log, vage emails en puisten, hij vertelt over sterilon en zijn afgescheurde kleine teennagel. Verschil moet er zijn. Half uur sharp, mannen van de klok als we zijn, staan we op en lopen naar de spoelkeuken. Een lopende band waarachter gesubsidieerden hun uitkering spekken. Inderdaad, verschil moet er zijn.
Een pak aan het laatste tafeltje voordat we rechtsaf moeten richting de wasstraat trekt mijn aandacht. Oké, er zijn wel meer mensen die alleen eten, ik eet bijna altijd alleen, maar waarom zit dit alleen? Niet het pak doet het hem, ik haat pakken, maar het pak in combinatie met de bijbehorende bos haar, uitwaaierend tussen haar schouderbladen, alle herfstkleuren in zich verenigend. Het pak in combinatie met de onder tafel uitstekende punten, de met oranje stiksel afgewerkte bruine punten van haar cowboylaarzen. Ik schop Vriend tegen zijn voet en knik in haar richting. Hij krimpt ineen. "Auw." Aha, het was zijn linkerteen.
Na de lunch eerst roken. In het rookhok staat vijfentwintig jaar trouwe dienst. Ik begroet hem als zaagmans. Hij kijkt me niet begrijpend aan. "Om de week door midden te zagen." Kantoorhumor. Vijfentwintig jaar trouwe dienst heeft de mens niet slimmer gemaakt. Ik zei al dat ik me heb aangepast. Het rookhok is communicatie bij uitstek. En ik moet verhalen voor de nieuwsbrief hebben. Roken is werken.
Telefoondienst. De achterstandsbrieven zijn de deur uit dus dat betekent de hele dag incassoshit aan de andere kant van de lijn. De open internetverbinding vergoedt veel. Vreemd trouwens. Hotmail doet het hier nooit maar Gmail kan gewoon geopend worden. Ik bekijk de foto’s in de inbox en zeg ondertussen tegen de bellers dat ze niet moeten zeiken maar betalen. Op een nette manier dan. Communicatie hè. De telefoontraining werpt zijn vruchten af. Buiten giet het, ik bekijk mijn eigen verbrande kop en waan mezelf op een mooie zondagmiddag in het park. Ik zie een kontje in een legerbroek en kan de muziek van het getoonde podium bijna horen. Ik zie Gent en kan het bier bijna proeven. Waar komt in godsnaam dat hoge ziekteverzuim vandaan? Hier kun je niet ziek worden.
Om vier uur ga ik naar beneden en nestel mezelf in de foyer. Altijd op tijd. Hoofdredactrice is er niet. Aanpassen, communicatie. Een espresso later is ze er nog niet. Ik haal een tweede espresso en ga weer zitten. Waarom komen vrouwen altijd te laat? Dan hoor ik het geklak van hakken. Stevige hakken. Hm, dit zijn geen pumps, dit zijn laarzen. De lunch maakt een sprongetje in mijn buik en ik buig het hoofd om de hoest op te vangen. Wanneer ik mijn hoofd weer omhoog doe staat ze al voor me. Staan ze al voor me. De bruine punten met oranje stiksels.
"Hoi," zegt het pak. Ik steek mijn hand uit. Aangenomen.
Freud heeft gelijk. Wanneer een man een vrouw voor het eerst ziet is zijn eerste gedachte of hij ermee naar bed wil. Maar wat denken vrouwen eigenlijk?
18 July 2005
Relict
Some kind of morning after. We hebben te kort geslapen om van morning te kunnen spreken. Het is vandaag gisteren. Morgen is het vandaag. Vrijdagnacht nog doorhalen en ik heb een dubbel weekend. De plek naast me op het matras is leeg. Ik vind haar terug in de slaapkamer. Embryonaal naast haar vriendin. "Je nam teveel ruimte in beslag."
Buiten is het dertig graden. Een verjaardag op vier hoog. Ik heb een te licht shirt aan, zweetdruppels worden zichtbaar. Ik zweet niet vanwege de warmte, dat maakt het alleen maar erger.
De kroeg waar we hebben afgesproken is al schoongemaakt. Er is niemand binnen. Ik twijfel. Naar huis gaan of wachten. Ik loop naar buiten, sla de hoek om en loop het poolcafé binnen. Biertje bedenktijd. Het poolcafé waar het allemaal begon. Never return to the scene of the crime. Kutclichés. Plaatsen hebben hun eigen, unieke geur. Ik ga juist altijd wel terug naar de plaats waar het gebeurde. Herbeleving van de misdaad. Op zoek naar de geur van het delict. De geur van herkenning. Opsnuiven, proeven, ruiken, voelen. Steeds mezelf ermee confronteren. Confronteren met wat was, met wat is geweest. Op zoek naar de pijn van het gemis. Bevestigen wat is geweest.
Huisgenoot is er. Lang, mager lichaam, nu eens eentje niet van plastic. Androgyne verschijning, mooie kop met lang haar, lichtroze, volle lippen. Spijkerbroek tot halverwege haar heupen, vanaf haar knieën weggestopt in roodwitte laarzen. Blote schouders, grote dunne zilveren ringen in haar oren. Haar gezicht zuigt me naar haar toe. Ze zoent me bedachtzaam op mijn mondhoeken. Verleidelijker is er niet. Niet het afstandelijke van een aangeboden wang, niet het overdreven intieme van vol op de mond. Ik streel haar vrijkomende bilspleet. "Ik heb geen decolleté van voren dus dan maar van achteren."
Al bellend komt ze binnen. Outfit zomerklaar. Zonneklaar. Ik bestel nogmaals en spoel de rosé van Zusjes verjaardag weg. Spoel Zusje weg. Jaloerse eikel. Een familie waar je warm van wordt. Een familie die het wél goed heeft gedaan. Stuk voor stuk hartelijk en vrolijk. Behaaglijk. Een familie waar ik jaloers van word, waar ik bij wil horen, waar ik word omarmd. Zo veilig, zo lekker warm. Een familie waar ik van ga drinken. Dronken van jaloezie.
Vorig jaar ging ze na één drankje weg. Om te studeren. Ik vraag naar haar studie. Ze antwoordt achteloos. "Mee gestopt. Ik werk weer in een restaurant." Ik beloof langs te komen en fantaseer over haar laarzen. Hoe het zou zijn om de punten te likken. Hoe groot de schaamte van de onderwerping is. Nu. Op dit moment. En publiek.
De bestelling wordt neergezet. Zij rode wijn, ik bier. Ze legt haar telefoon neer en omhelst me. Ze vraagt hoe de verjaardag was. Ik vertel over de koelkast. Ze vraagt wie het meisje met de digitale camera is. Met een lui oog zie je geen diepte. Ik moet lachen. In de zomer wordt er weinig gesurft. Ik antwoord. Ik vertel over een gewone mailwisseling. Zij geeft het antwoord. Ik wist het. Ze wil dansen. Ik wil zitten. Ze wil poolen. Ik wil praten en drinken. Beteuterd kijkt ze me aan. Oké dan, we gaan poolen. Ik speel de tafel leeg en laat haar de eer voor de zwarte bal. The right side won.
Zwager heeft een motor. Ze wil een stukje rijden. Ze mag mee op de motor. Haar rood leren jasje sluit als een handschoen, de helm maakt haar motorklaar. Wat hebben vrouwen met motoren? Het betere trilwerk? Een machine temmen tussen je dijen? Ik hoef niet getemd te worden en druip af naar de koelkast. Met een nieuwe fles ga ik op het balkon zitten. Inertia creeps.
Ver na sluitingstijd verlaten we het poolcafé. We slenteren langs de grachten, in de ene hand een fiets, in de andere hand elkaar. Bij een houten steiger zetten we de fietsen neer en we gaan liggen. Ik til haar schouders op en leg mijn jas onder haar hoofd. Ze spreidt haar armen, als het verdwenen kruis om haar nek. Spreidt haar benen. Ik smoor het aanzwellend gehuil met mijn mond. Een deur gaat open, een scooter zet ons in het volle licht. Ze zucht. Ik kom overeind, steek een sigaret op en geef hem aan haar. Geur van herkenning. Hetzelfde delict. We kijken naar de gracht, naar de weerspiegeling van de straatlantaarns in het water. De scooter rijdt weg, we drukken tegelijkertijd onze sigaretten uit. Ze staat op. Ik ga op mijn knieën voor haar zitten, kijk tegen haar op, zoen haar kruis, buig mijn hoofd, lik haar voeten, kus haar tenen. Zonder publiek.
Ik zit naast Opa zonder Oma, Oma dementerend achter slot en grendel. Opa vertelt betere verhalen dan de collegiale make-up dozen.
Kleding in bed benauwt me, gaat jeuken. Ik slaap altijd naakt. Kan ik dat hier wel maken? Fokkit. Ik zoek een asbak en rook mijn slaapsigaret. Er hangen geen gordijnen. Ik lig met mijn voeten richting de ramen en kijk naar de lichter wordende lucht. Over vier uur word ik in de fabriek verwacht, noodzakelijke aanwezigheid. Het lot tarten, dit soort nachten. Legendarisch, nu al. Ik wacht tot mijn ogen dichtvallen. Er gebeurt niets. Waarom ben ik niet moe?
Hij is er ook. Weer. Ik heb me er op voorbereid, de dolk van haar vorige verjaardag verwijderd. Toch slaat de verwarring toe. Ik probeer haar verhalen te vertalen, nu met de gezichten erbij, ik probeer de houding van de familie, zowel naar hem als naar mij toe, te vertalen. Ik nam de exacte richting op de middelbare school. Ik ben niet goed in talen. Wat je van ver haalt is niet per definitie goed. Ik zoek het liever dicht bij huis. Ik moet meer rosé hebben. Van een afstand gadesla ik hem. Fris gedoucht, keurig overhemd. Hangbuik. Teenslippers. Killing.
De deur veroorzaakt tocht. Waar ben je als meest gestelde vraag via de mobiele telefoon. Ben je wakker de meest gestelde vraag bij voorzichtig geopende deuren. Open deur.
Zusje vraagt of ik eten mee naar huis wil nemen, er is teveel over. Aha. Ik moet dus weg. Ik kan stoppen met vertalen. Hangbuikzwijntjessex. Terwijl ze het vraagt controleer ik mijn berichten. Ik hoef geen eten mee. Ik ga namelijk niet naar huis.
De aanval op mijn hart is ingezet. Het hoesten duurt te lang. Heeft zich genesteld in mijn keel. Behaaglijk ligt hij te wachten, te wachten op de volgende teerstoot. Strijdvaardig maar met een laf gesloten vizier. Ik voed hem ook te goed. De weg is geplaveid, de toegangspoort tot afsluiting van de zuurstoftoevoer naar mijn hart. Ze zet de tweede aanval in. Haar schaamlippen gaan instinctmatig te werk. Doen waarvoor ze zijn geschapen. Openen, omvatten, afsluiten. Kijk mama, zonder handen. Puur natuur. De aanval van onderaf. Koppelen, hechten, vastzetten. Ik open mijn ogen en volg haar bewegingen, haar silhouet afgetekend door de opkomende zon. Haar tepels kijken me vernietigend aan. Waag het niet. Aanhechting. Ik trek mijn benen op en bied haar billen een tegengewicht. Besmetting. Een stootblok. Stoot maar. Iedere beweging een stroomstoot naar mijn hersenen. De derde aanval. De meest langzame. Het meest smerig. Het pijnlijkst. Het onuitroeibare geheugen.
Vriendin geeft me een beker koffie. Ik combineer het met een nicotineontbijt. Ik kruip onder de douche. Magie kun je niet wegspoelen is mij verteld. We zullen zien. Ik vraag aan Vriendin of ze deodorant heeft. Vandaag ruik ik naar vrouw. Ik ben op tijd voor de verplichte bijeenkomst in de fabriek. Eerder verbaasde dan verraste blikken. "Ik heb doorgehaald." Ik verstuur een gesloten nazorg.
Het hier en het nu. Het hier en het niet. De illusie van het wel achterna lopend. Ik weiger de telefoon op te nemen en haar bezorgdheid groeit. Ik ben niet minder bezorgd om jou. Nee, geen projectie. Ik ben ongevaarlijk, schreef ik eerder. Het log als manipulator. Vruchten zijn reeds afgeworpen. Appels en bomen. Niet te ver, dicht bij huis vallen. Honger kun je wegroken maar het knagende gevoel blijft. Liefde stilt honger maar zet er een ander, ziekmakend, gevoel voor in de plaats. Een gekrompen maag, een groot hart. Eenmaal binnen laat ze je niet meer los. Een grote mond, een klein hart. Zij zal mij niet meer loslaten. Misschien is zij wel het gevaar. Voor hem. Voor hen. Voor zichzelf. Ze heeft ruimte genoeg.
Ze heeft zich ziek gemeld.
Buiten is het dertig graden. Een verjaardag op vier hoog. Ik heb een te licht shirt aan, zweetdruppels worden zichtbaar. Ik zweet niet vanwege de warmte, dat maakt het alleen maar erger.
De kroeg waar we hebben afgesproken is al schoongemaakt. Er is niemand binnen. Ik twijfel. Naar huis gaan of wachten. Ik loop naar buiten, sla de hoek om en loop het poolcafé binnen. Biertje bedenktijd. Het poolcafé waar het allemaal begon. Never return to the scene of the crime. Kutclichés. Plaatsen hebben hun eigen, unieke geur. Ik ga juist altijd wel terug naar de plaats waar het gebeurde. Herbeleving van de misdaad. Op zoek naar de geur van het delict. De geur van herkenning. Opsnuiven, proeven, ruiken, voelen. Steeds mezelf ermee confronteren. Confronteren met wat was, met wat is geweest. Op zoek naar de pijn van het gemis. Bevestigen wat is geweest.
Huisgenoot is er. Lang, mager lichaam, nu eens eentje niet van plastic. Androgyne verschijning, mooie kop met lang haar, lichtroze, volle lippen. Spijkerbroek tot halverwege haar heupen, vanaf haar knieën weggestopt in roodwitte laarzen. Blote schouders, grote dunne zilveren ringen in haar oren. Haar gezicht zuigt me naar haar toe. Ze zoent me bedachtzaam op mijn mondhoeken. Verleidelijker is er niet. Niet het afstandelijke van een aangeboden wang, niet het overdreven intieme van vol op de mond. Ik streel haar vrijkomende bilspleet. "Ik heb geen decolleté van voren dus dan maar van achteren."
Al bellend komt ze binnen. Outfit zomerklaar. Zonneklaar. Ik bestel nogmaals en spoel de rosé van Zusjes verjaardag weg. Spoel Zusje weg. Jaloerse eikel. Een familie waar je warm van wordt. Een familie die het wél goed heeft gedaan. Stuk voor stuk hartelijk en vrolijk. Behaaglijk. Een familie waar ik jaloers van word, waar ik bij wil horen, waar ik word omarmd. Zo veilig, zo lekker warm. Een familie waar ik van ga drinken. Dronken van jaloezie.
Vorig jaar ging ze na één drankje weg. Om te studeren. Ik vraag naar haar studie. Ze antwoordt achteloos. "Mee gestopt. Ik werk weer in een restaurant." Ik beloof langs te komen en fantaseer over haar laarzen. Hoe het zou zijn om de punten te likken. Hoe groot de schaamte van de onderwerping is. Nu. Op dit moment. En publiek.
De bestelling wordt neergezet. Zij rode wijn, ik bier. Ze legt haar telefoon neer en omhelst me. Ze vraagt hoe de verjaardag was. Ik vertel over de koelkast. Ze vraagt wie het meisje met de digitale camera is. Met een lui oog zie je geen diepte. Ik moet lachen. In de zomer wordt er weinig gesurft. Ik antwoord. Ik vertel over een gewone mailwisseling. Zij geeft het antwoord. Ik wist het. Ze wil dansen. Ik wil zitten. Ze wil poolen. Ik wil praten en drinken. Beteuterd kijkt ze me aan. Oké dan, we gaan poolen. Ik speel de tafel leeg en laat haar de eer voor de zwarte bal. The right side won.
Zwager heeft een motor. Ze wil een stukje rijden. Ze mag mee op de motor. Haar rood leren jasje sluit als een handschoen, de helm maakt haar motorklaar. Wat hebben vrouwen met motoren? Het betere trilwerk? Een machine temmen tussen je dijen? Ik hoef niet getemd te worden en druip af naar de koelkast. Met een nieuwe fles ga ik op het balkon zitten. Inertia creeps.
Ver na sluitingstijd verlaten we het poolcafé. We slenteren langs de grachten, in de ene hand een fiets, in de andere hand elkaar. Bij een houten steiger zetten we de fietsen neer en we gaan liggen. Ik til haar schouders op en leg mijn jas onder haar hoofd. Ze spreidt haar armen, als het verdwenen kruis om haar nek. Spreidt haar benen. Ik smoor het aanzwellend gehuil met mijn mond. Een deur gaat open, een scooter zet ons in het volle licht. Ze zucht. Ik kom overeind, steek een sigaret op en geef hem aan haar. Geur van herkenning. Hetzelfde delict. We kijken naar de gracht, naar de weerspiegeling van de straatlantaarns in het water. De scooter rijdt weg, we drukken tegelijkertijd onze sigaretten uit. Ze staat op. Ik ga op mijn knieën voor haar zitten, kijk tegen haar op, zoen haar kruis, buig mijn hoofd, lik haar voeten, kus haar tenen. Zonder publiek.
Ik zit naast Opa zonder Oma, Oma dementerend achter slot en grendel. Opa vertelt betere verhalen dan de collegiale make-up dozen.
Kleding in bed benauwt me, gaat jeuken. Ik slaap altijd naakt. Kan ik dat hier wel maken? Fokkit. Ik zoek een asbak en rook mijn slaapsigaret. Er hangen geen gordijnen. Ik lig met mijn voeten richting de ramen en kijk naar de lichter wordende lucht. Over vier uur word ik in de fabriek verwacht, noodzakelijke aanwezigheid. Het lot tarten, dit soort nachten. Legendarisch, nu al. Ik wacht tot mijn ogen dichtvallen. Er gebeurt niets. Waarom ben ik niet moe?
Hij is er ook. Weer. Ik heb me er op voorbereid, de dolk van haar vorige verjaardag verwijderd. Toch slaat de verwarring toe. Ik probeer haar verhalen te vertalen, nu met de gezichten erbij, ik probeer de houding van de familie, zowel naar hem als naar mij toe, te vertalen. Ik nam de exacte richting op de middelbare school. Ik ben niet goed in talen. Wat je van ver haalt is niet per definitie goed. Ik zoek het liever dicht bij huis. Ik moet meer rosé hebben. Van een afstand gadesla ik hem. Fris gedoucht, keurig overhemd. Hangbuik. Teenslippers. Killing.
De deur veroorzaakt tocht. Waar ben je als meest gestelde vraag via de mobiele telefoon. Ben je wakker de meest gestelde vraag bij voorzichtig geopende deuren. Open deur.
Zusje vraagt of ik eten mee naar huis wil nemen, er is teveel over. Aha. Ik moet dus weg. Ik kan stoppen met vertalen. Hangbuikzwijntjessex. Terwijl ze het vraagt controleer ik mijn berichten. Ik hoef geen eten mee. Ik ga namelijk niet naar huis.
De aanval op mijn hart is ingezet. Het hoesten duurt te lang. Heeft zich genesteld in mijn keel. Behaaglijk ligt hij te wachten, te wachten op de volgende teerstoot. Strijdvaardig maar met een laf gesloten vizier. Ik voed hem ook te goed. De weg is geplaveid, de toegangspoort tot afsluiting van de zuurstoftoevoer naar mijn hart. Ze zet de tweede aanval in. Haar schaamlippen gaan instinctmatig te werk. Doen waarvoor ze zijn geschapen. Openen, omvatten, afsluiten. Kijk mama, zonder handen. Puur natuur. De aanval van onderaf. Koppelen, hechten, vastzetten. Ik open mijn ogen en volg haar bewegingen, haar silhouet afgetekend door de opkomende zon. Haar tepels kijken me vernietigend aan. Waag het niet. Aanhechting. Ik trek mijn benen op en bied haar billen een tegengewicht. Besmetting. Een stootblok. Stoot maar. Iedere beweging een stroomstoot naar mijn hersenen. De derde aanval. De meest langzame. Het meest smerig. Het pijnlijkst. Het onuitroeibare geheugen.
Vriendin geeft me een beker koffie. Ik combineer het met een nicotineontbijt. Ik kruip onder de douche. Magie kun je niet wegspoelen is mij verteld. We zullen zien. Ik vraag aan Vriendin of ze deodorant heeft. Vandaag ruik ik naar vrouw. Ik ben op tijd voor de verplichte bijeenkomst in de fabriek. Eerder verbaasde dan verraste blikken. "Ik heb doorgehaald." Ik verstuur een gesloten nazorg.
Het hier en het nu. Het hier en het niet. De illusie van het wel achterna lopend. Ik weiger de telefoon op te nemen en haar bezorgdheid groeit. Ik ben niet minder bezorgd om jou. Nee, geen projectie. Ik ben ongevaarlijk, schreef ik eerder. Het log als manipulator. Vruchten zijn reeds afgeworpen. Appels en bomen. Niet te ver, dicht bij huis vallen. Honger kun je wegroken maar het knagende gevoel blijft. Liefde stilt honger maar zet er een ander, ziekmakend, gevoel voor in de plaats. Een gekrompen maag, een groot hart. Eenmaal binnen laat ze je niet meer los. Een grote mond, een klein hart. Zij zal mij niet meer loslaten. Misschien is zij wel het gevaar. Voor hem. Voor hen. Voor zichzelf. Ze heeft ruimte genoeg.
Ze heeft zich ziek gemeld.
Subscribe to:
Posts (Atom)