Showing posts with label festivla. Show all posts
Showing posts with label festivla. Show all posts

05 May 2013

04 July 2007

Onderbroekenlol



"Uw vinger moet weg, ik gebruik mijn eigen vinger."
"Ik ben één van die vervelende Hollanders."
"Aziaatje op kwart voor negen."
"Tien bier en jou."
"Draag je thuis ook rubberen laarzen?"
"Een dixie galmt beter dan een toi-toi."
"En neger én homo. Die heeft zo een baan."
"Loodgieter op twaalf uur."
"Gelukkig, ze verstaat alleen maar Frans."
"Lekt het hier of sta jij te pissen?"
"Handig rokje. Als het warm is kan ze een ruitje openen."
"U moet hem wel zelf opblazen."
"Ik begrijp die Marc Dutroux wel."
"Merci, monsieur."

23 August 2006

Dixieland



Geen fabriek, geen kroeg, geen stoorzenders. Eindelijk tijd voor reflectie. Wat is belangrijk en wat niet, wie is belangrijk en wie niet.

De eerste dag is het moeilijkst, ik moet wennen. Wennen aan de overburen, wennen aan de stilte. Wennen aan het gemis. Ik heb zelf gekozen voor deze confrontatie, eindelijk gebeurt er iets. Er gebeurt iets juist omdat er niets gebeurt. Ik heb er naartoe geleefd, zorgvuldig gepland. Je bereikt een punt waarop je jezelf realiseert tot hier en niet verder. Kom maar jongen, laat nu maar eens zien wat je waard bent. Waar is nu je grote bek gebleven? Ik moet wennen aan mezelf. De confrontatie valt mee, de geografische verplaatsing biedt voldoende afstand, de afstand die nodig is om mezelf geestelijk te kunnen distantiëren. De techniek werkt niet mee, de techniek kent geen afstanden meer. Ik kijk op mijn mobiel om te zien hoe laat het is en zie het bericht.
Vanavond naar de Parade? Kus.
Kut.

Geen fabriek, geen kroeg, geen vragen. "Mag ik je iets vragen?" Ik sta in de Club en kijk hoe de instrumenten worden uitgestald en gestemd. Lang haar, spijkerjasje. Ik kijk naar haar pols. Dagpas. Ik antwoord bevestigend en zoek haar ogen. "Speelt Nouvelle Vague hier?" Ja. "Merci." Het is de langste conversatie van de dag. Je moet zuinig zijn met je woorden.

Geen fabriek, geen kroeg, geen auto. De kadett is verbouwd tot het blik van het bier dat hier niet mee naar binnen mag. De trein is oké, achterover gezakt trekt de wereld spreekwoordelijk aan je voorbij. Metaforen zijn niet nodig, de trein is zelf een metafoor. Het landschap verandert, het weer verandert. Ik verander. Overstappen, sigaret, overstappen, sigaret. Het is net seks maar dan anders. Elke trein een andere snelheid, een ander tempo. Elke trein een andere geur, een ander geluid. Toch is dit ook een bekend terrein. Koffie rechts, schone wc’s midden achterin, tanden poetsen naast de tent en de douches links. Douchen? Donder op met je douche, het is geen huwelijksreis. Hoewel, op een huwelijksreis moet je ook niet douchen. Dan kun je alvast aan mijn geur wennen.

Geen fabriek, geen kroeg, geen mongolen. Ik pak mijn tandenborstel en loop naar de zijkant van mijn tent. Een mongool maakt zijn gulp open. Haal hem eruit en je kunt de rest van leven niet meer pissen. Zijn vriend gaat tussen ons in staan. Dan ziet hij de tekst op mijn borst. "Hé, Killing Joke! Hosannas from the basement of hell." Ik complimenteer hem met het feit dat hij deze zin in één keer zonder stotteren uit zijn strottenhoofd heeft gekregen. De mongool doet zijn gulp weer dicht en probeert iets te zeggen. Zijn vriend vertaalt. "Hij werkt voor een Nederlandse baas, hij heeft het niet zo met Nederlanders." Die baas zorgt er maar wel mooi voor dat hij hier een kaartje voor heeft kunnen kopen. Wil hij ander werk? Misschien kan hij beginnen met de dixies schoon te maken, dan weet hij meteen waar hij voortaan kan gaan staan pissen en waar hij wakker wordt als hij nog een keer bij mijn tent gaat staan.

Geen fabriek, geen kroeg. Geen fabrieksarbeiders en geen stamgasten. Ja, twee in de tent tegenover me maar die zijn welkom. Meer dan zelfs. Het is een overgangsjaar, niet te grote stappen ineens. Vijf dagen van de wereld, alsof dit geen wereld is. Dit is ook een wereld, dit is de wereld waar ik wil wonen. Ik kan hier wonen, in tegenstelling tot anderen die bij de gedachte aan een dixie al een eczeem in hun kruis voelen groeien. De moderne mens is zijn immuniteit aan het verliezen, vatbaar voor elke oneffenheid in de dagelijkse structuur van uiterlijke verzorging, hygiëne en voedingspatronen. Ze vergeten dat het eten hier beter is dan de semi-culinaire magnetronprak die ze thuis in hun strot laten vloeien. Kauwloos slurpvoer, zaad glijdt beter.

Geen fabriek, geen kroeg, geen irritaties. Duidelijker, geen mensen die op mijn zenuwen werken. Vijftigduizend voortslenterende Belgische jongeren werken niet op mijn zenuwen, tenminste, zolang ze niet tegen mijn tent staan te pissen. Wees proper en doe dat dan gewoon even binnen. Kom maar, ik bijt hem er niet af en ik heb voorgezeepte doekjes bij me, dit tot grote hilariteit van de overburen. Ik heb graag schone handen en een schone eikel. Ook dat, ja. You’ve got blood on your hands, baby. Links staat een groep Belgische wietdealertjes, Amsterdam is niet meer wat het is geweest, rechts het geluid van een fijn potje adolescentenseks, vrij snel daarna gevolgd door de bijbehorende ruzie. Meisje, weet jouw mamma dat je hier bent? Heeft jouw mamma jou ook verteld over jongetjes? Heeft mamma verteld dat videoclips er zijn om plaatjes te verkopen en een gimmick te genereren? Dat de wereld iets anders in elkaar zit? Dat je beentjes spreiden om een touwtje in te brengen iets anders is dan je beentjes spreiden wanneer er een jongetje bovenop je ligt? Mijn voorgezeepte doekjes helpen niet tegen je tranen, dat zal alleen nog maar meer gaan prikken. Tussen zuchten en grijnzen ligt een mooi gebied.

Geen fabriek, geen kroeg, geen Afrikanen. Een Aziaatje komt binnengelopen, ze wordt gevolgd door vier ingevallen wangen. Pillenslikkers. Het meisje begint te dansen en te springen, haar gezicht straalt aan alle kanten. Twee ingevallen wangen manen haar tot rust en ze gaat teleurgesteld op de grond zitten. Ze staat vrijwel direct weer op, haalt een krant tevoorschijn, spreidt hem uit en gaat erop liggen. Van haar tas maakt ze een kussentje. Ze sluit haar ogen. Ik zet mijn bier neer, pak mijn camera en fotografeer haar. Een naveltruitje loopt langs en schopt mijn bier omver.

Geen fabriek, geen kroeg, geen wekker. Op vrijdag word ik wakker gemaakt door de soundcheck van Massive Attack. Half Mezzanine komt langs, ik leg mijn hand op morningwood en denk aan het gothicmeisje van gisteravond. Een blouse van netstof, daarover een lederen corset, eronder een rok van kreukelstof, een panty en glimmende kistjes. En dat alles in het zwart. Angel moet het hoogtepunt van de dag worden. Jij mag jezelf opmaken, jij verbergt jouw gezicht doelbewust, als bescherming, om jezelf niet te laten zien. Juist om niet op te vallen, in tegenstelling tot mensen die een middag vrij moeten nemen omdat ze naar de schoonheidsspecialiste moeten. De schoonheidsspecialiste, het meest overbodige beroep ter wereld, dat is iemand die zich gespecialiseerd noemt in schoonheid. Schoonheid uit een doos verf als een saus uit een pakje van knorr. De grap met het varken laat ik achterwege. Dag natuur, welkom clown. Ze maken poriën schoon van mensen die te beroerd zijn om zichzelf te wassen, ze kleuren gezichten alsof je een indiaan bent. Poriën moet je niet schoonmaken, vuil beschermt. Des te meer oppervlakte je blootlegt des te kwetsbaarder het wordt. Laten zitten dus. Net zo onzinnig als het witten van tanden. Ja, schuur maar weg dat glazuur. Bij aankoop van je nieuwe bril gratis een gebit en een levenslang abonnement op vloeibaar voedsel. Combitickets rulez. Ga maar als indiaantje naar huis, dat vind je mannetje fijn. Dan kan hij zich weer de stoere cowboy voelen die hij diep van binnen wil zijn. Eindelijk kan hij weer zijn zweep laten knallen, zijn sporen in je dijen rammen, zijn lasso uitwerpen naar de dartele veulens in de wei. Want dartel is het bij jullie thuis al lang niet meer. De vraag vind je me niet meer aantrekkelijk zal nooit bevestigend worden beantwoord want daar is hij te schijterig voor. Eindelijk kan hij weer op je neer kijken, wanneer je op handen en voeten voor hem zit, eindelijk is hij weer een hengst. Ga maar door met toneelspelen, ik speel mee wanneer ik aan je kist sta om te genieten van je rottingsproces. Tranen in mijn ogen, erger dan de ammoniakdampen uit Dixieland kon ik me niet voorstellen, maar weer weet je het te overtreffen. Ik zal een tooi voor je meenemen, want veren in je reet zal je niet meer van me krijgen. Nee, dan jij, mooi gothicmeisje. Zwart is tijdloos, jij bent tijdloos. Schoonheid zit niet in een potje, schoonheid zie je niet in de spiegel, schoonheid zit in jou, lief gothicmeisje. Ik knijp in mijn ballen en kom klaar. Het is tijd om op te staan.

Geen fabriek, geen kroeg, geen obsessies. Ik sta in de Dance Hall en staar naar éénstaartig blond, de staart bungelend over haar linkerschouder. Jas aan, haar tas houdt ze stevig vast. Ze zoekt een rustig plekje tussen het dancegeweld en legt de tas voor haar voeten op de grond. Ze begint langzaam mee te wiegen, beetje bij beetje komt haar lichaam in beweging. Voorzichtig komt haar arm omhoog. Mijn bier is op maar ik wacht met refreshen, ik staar. Haar andere arm komt ook omhoog, synchroon volgen ze de strakke technobeat. Volgende keer moet ik een telelens meenemen. Wat later pakt ze haar tas en loopt langs me naar de zijuitgang. Het regent stevig. Ik ga naast haar staan en kijk luchtig naar links en naar rechts. Ze vangt mijn blik, kijkt weer naar buiten, haalt haar schouders op en loopt terug naar haar plekje tussen het dancegeweld. Ik trek mijn regenjas aan, haal twee drankbonnen uit mijn broekzak en loop naar de dichtstbijzijnde bierstand.

Geen fabriek, geen kroeg, geen verplichte omgangsvormen. Hier hoef ik niemand te vriend te houden. Niet? Dan niet. Graag of traag. Ongegeneerd kijk ik ze aan, kleed ik ze uit met mijn ogen. Nee, niet jij, houd jij je kleding maar aan. Aan sommige geuren wen je nooit, aan sommige lichamen ook niet. Ik zeg niet dat je stinkt, ik vind dat je stinkt. Ik zeg niet dat je lelijk bent, ik vind je lelijk. Misschien stink je helemaal niet maar dat vind ik nou eenmaal. Ga een stuk verderop zitten, daar waar ze jou wel op waarde weten te schatten. Omdat ze maar één waarde zien met hun ongeletterde ogen. Een slimme meid is op haar toekomst voorbereid, een lelijke meid heeft haar benen gespreid. Wees blij dat ik een mening over jou heb, jij, als nietszeggende verzameling samengebald vet. Typisch geval van een gemiste echoscopie. De wetenschap is er, gebruik het dan ook. Ouders zijn aansprakelijk voor wat ze neerzetten op deze aardkloot maar ik kan moeilijk jouw vader op zijn bek gaan slaan. Ik ken de wetenschap maar het rechtssysteem loopt achter. Daarbij, beetje respect voor de ouderdom, ze hebben het al zo zwaar gehad jou tot hier te krijgen. Ze zijn blij dat ze van je af zijn. Dat zeggen ze niet, nee, natuurlijk niet. Er zal er nooit één de waarheid recht in je gezicht zeggen, zelfs op hun sterfbed zullen ze hun hypocriete handen in de jouwe leggen, hun liefdevolle laatste woorden omringd door de zure geur van een disfunctionele slokdarm. Ik heb geduld, ik kom jullie nog wel tegen, ik ruik jullie soort op kilometers afstand. Vier uur in de trein is nog niet genoeg, begrijp je nu dat ik naar de andere kant van de wereld wil?

Ik weet niet of ik volgend jaar weer ga. Wat is belangrijk en wat niet. De kater is erg, te erg. De kater van de after-festival-dip en back-to-real-life gevoel. Eenmaal thuis ervaar ik geen real life. Er is geen real life. Ik wil rondlopen tussen vijftigduizend onbekenden. Ik wil het anker gedag zwaaien. Weet je dat ik er, in een vlaag van dagdromerij, aan heb gedacht? Aan wie ik überhaupt heb gedacht? Natuurlijk ga ik volgend jaar weer, ik ben teveel masochist om mezelf van deze pijn te onthouden. Wie is belangrijk en wie niet.

Ik zoek het bericht, selecteer antwoorden en reply. Ik kom vannacht naar je toe.

29 June 2005

Parkmis

Ze is klein. Zijn alle loggende meisjes klein? We kijken elkaar lang genoeg aan om te weten dat wij het zijn, dat zij het is, dat ik het ben. Tandenbloot lach. Stralende ogen. Zoenen. Lekker ding. Koesteren. "Bier?"

Mijn kater van gisternacht, of beter, van vanochtend, wordt wakker. Ik begin te zweten. De bus staat vast op de Loevensteinlaan. Gezichten worden vochtig, meisjes beginnen te zuchten. Roodbroek voor me leunt tegen mij aan. Verontschuldigend -ik kan er ook niets aan doen dat de bus zo vol is- kijkt ze me aan. Het is goed, meid. Alleen op weg naar het Zuiderpark. Het is niet raar om alleen activiteiten te ondernemen. Het is eigenlijk best prettig. Geen overlegcultuur. Geen gedoe. Het belangrijkste: niet hoeven wachten. Op niemand. Ja, op de trein. Dat dan weer wel.

Heen en weer geschud tussen degelijkheid en losbandigheid. Wat is echt en wat is nep. Wat is vol zijn van en wat is leeg. En wie bepaalt dat. Hoe kan ik dat bepalen. Je weet niet wat de ander doet. Je rekent, telt, trekt lijnen. Legt verbanden. Haar hand beweegt en verschuift een stuk. Gevoel bedriegt, de ratio te beperkt.

De laatste keer was in november. Bij haar thuis. Daarna bij Ellen en een kop koffie in de fabriek. Nu spreken we af in het eetcafé waar we vorig jaar elke maand zaten. Buiten is veiliger afspreken dan binnen. Ze is dikker geworden, meer kont. Minder beweging? Of juist meer op haar rug? Meer volwassen ook. Het we-zien-wel heeft plaats gemaakt voor wat-als. Wat als hij dat zegt, wat als hij me voor de keuze stelt. Dan bel je mij maar. Maar dat zeg ik niet. Dat denk ik. Nooit alles zeggen wat je denkt.

Ze heeft zich opgemaakt. Decolleté, afgewerkt met een zwart topje. Spijkerbroek, glitterriem. Ik houd haar langer vast dan nodig. Zoek haar lippen in plaats van haar wangen. Haar billen in plaats van haar taille. Ze vertelt over de worp van India. De problemen. Het zal eens een keer niet normaal gaan bij haar. Daarom was ze ook zo leuk. Nooit kon er iets normaal gaan. Geen verassingen, wel altijd onverwachts. Verassingen zijn irritant. Onverwachte gebeurtenissen zijn leuk.

"Je moet je voicemail eens inspreken."
Ik geef haar mijn mobiel. "Doe jij het maar."
"Je hebt drie berichten! Slet!"
"Lees eens voor."
"Kom je een biertje halen?"
"Next."
"Zit je in de stad?"
"Next."
Ze drukt wat knopjes in, wacht even en zegt vervolgens: "Dit is de voicemail van …"
"Waar blijft het derde bericht?"
"Lees zelf maar."

Het terrein is nog vrij leeg. Links de twee grote podia, daar is de drukte. Rechts Locals Only, beginnende bandjes, daar is het rustig. Ik ga naar rechts en loop een heerlijke bak herrie tegemoet. Grijns. Het was goed hierheen te gaan. Links van het podium ga ik in het gras zitten. Even acclimatiseren. Ontbijten en flesjes AA drinken. Mijn kater begint af te nemen, een gevoel van geluk neemt me in bezit. Het leven is goed. De zon brandt op mijn bleke gelaat. Kom maar jongen, ik kan je hebben vandaag. Ik ben nog niet helemaal wakker. De drank is ook nog niet uitgewerkt. Nog niet uitgewerkt van het vrijgezellenfeest van gisteravond. Een vrijgezellenfeest van meiden waar ik als enige jongen wordt toegelaten. Ik ken de bruid, de bruidegom niet. Dan ga ik ook niet vrijgezellen met de bruidegom maar dus wel met de bruid. Logica.

Een bruiloft in Verwegistan, een vrijgezellendag in Amsterdam. Kiezen. Ik moet. Verwegistan wordt een heel weekend. Vrijdag beginnen, zondag thuis. Er wordt een huisje gehuurd. Kunnen we met z’n allen blijven slapen. Naar huis rijden is zinloos. Vertaald: nuchter blijven op een bruiloft is zinloos, een ondenkbare optie. Social talk is niet aan mij besteed. Voormalige studievrienden met kinderen. Na de laatste feesten die ik met ze meemaakte vond ik dat ze geen moer meer te vertellen hadden. Ze leven in compleet andere werelden. Wat later bedacht ik me dat het omgekeerd is. Ik heb geen moer meer te vertellen. Ik leef in een compleet andere wereld.

Ik geef mijn vrijdagavond niet op. Ik wil werken want ik weet dat zij komt. Daar doe ik het voor. Nergens anders. De enthousiaste blik die me wordt toegeworpen wanneer ze binnenkomt en ziet dat ik aan het werk ben. Zij geeft me bestaansrecht. Haar blik geeft me bestaansrecht. Haar blik is het bewijs dat ik besta. Op een bruiloft rondlopen is geen bestaansrecht. Het is behang, vastgelijmd in een gestreken overhemd. Apen in een pak. Welkom op de apenkermis. Het publiek als een blik mooie verf ter decoratie. "Je bent een lul," krijg ik maandagochtend te horen. Wacht maar tot ik vertel wat ik gister heb gedaan. Je woordenschat zal te klein zijn. Twee jaar geleden was ik voor het laatst op een bruiloft. Ik moest wel, ik was getuige. Erebaan. Daar zeg je geen nee tegen. Zoveel manieren heb ik dan weer wel. Trouwen doe je niet in een pak maar in een park. In het Vondelpark.

De vrijgezellige activiteiten laat ik voor wat ze zijn, ik meld me rond etenstijd. Nieuwe trend: het huiskamerrestaurant. Een stel dat van koken houdt opent de huiselijke deuren voor het publiek. Gammele bijzettafels zorgen voor genoeg zitplaatsen voor twintig mensen. Drinken mag, nee, moet je zelf pakken. Ik ben niet eens de eerste. Twee zwangere vrouwen zijn me voor maar zij drinken geen alcohol. Ik val aan op de rosé. Het is warm. Bij het eten zit ik naast een Minoes. Ooit, op een modepresentatie, het gemeenschappelijke dat de vriendinnenclub bindt, heb ik de hele avond met haar doorgebracht. Ik meed degene, nu zichzelf bruid noemend, die mij als introducé had meegenomen en liep mijn lul achterna naar Minoes. Handen thuisgehouden, ze was kwetsbaar. Ik ook. Nu, vijf jaar later haar eerste woorden. "Ik woon samen. Hij is gewoon bij mij ingetrokken." Ik wacht op de rest van het verhaal maar er komt geen rest. Ik stel voor buiten te gaan roken, in een huiskamerrestaurant wordt niet gerookt. Kok met pretenties. "Blij dat ik daar vorig jaar mee ben gestopt." Zeker toen hij bij je in trok. Kutkat.

Jezelf teleurstellen om de ander maar niet teleur te stellen. Wat schiet je er uiteindelijk mee op? Frustratie, irritatie. Dronkenschap. Ik stop ermee. Met iedereen het naar de zin te maken. Je kunt niet iedereen te vriend houden. Eerst maar eens vrienden met mezelf worden. Ik ben voor mij de belangrijkste persoon. De rest volgt. Op grote afstand.

Na een uur begin ik aan de tocht naar de andere kant van het terrein. Daar speelt Killing Joke. Vergane glorie maar so what. Eerst zien, dan oordelen. Dat zouden meer mensen moeten doen. Hier ben ik. Kijk dan! Dit is het. Dit is hem nou. Nu mag je oordelen.

De set is monotoon, retestrak en snoeihard. Vergane glorie? Geen weg. Hier kunnen de beginnende industrial bandjes nog wat van leren. De bassist en drummer stuwen elkaar naar grote hoogten, sneller, sneller, sneller. Wiens armen begeven het het eerst? Wie moet het tempo loslaten, laten gaan? Jaz Coleman, de armen bezwerend halfhoog in de lucht, trilt mee, de ogen stoïcijns over het publiek naar een onbenoembaar plekje op het achterterrein gericht. Een toegevoegde toetsenist zorgt voor bijpassende piep- en knarsgeluidjes. De gitarist speelt geen gitaar. Hij kleurt het landschap van de ritmische basis. Ik vergeet de zon. Dit is onweer, een stortbui van hagelstenen. Hoogmis in het park. Ik zie maar één kleur. Zwart.

Na vijftig minuten is het voorbij. Het is goed zo. Het publiek verspreidt zich, ik ga in het gras zitten om bij te komen. Even later loop ik naar het achterterrein om te begrijpen waar de zanger naar keek. Niets te zien. Wel lekker rustig hier. Geen wachtrij bij de toiletten. Ik maak mijn darmen alcoholklaar en loop vervolgens met een tray bier terug naar het Locals Only podium. We gaan beginnen.

"Het was leuk. Maar ik vind háár leuker. Jij bent het leukst."
"En jij bent dronken."
Geen speld tussen te krijgen.

"Ben je verliefd op haar?"
"Nee," lieg ik te laat.
Ik moet nadenken. Wat is de definitie van verliefdheid?
Te lang nagedacht. Eén telefoontje, één smsje en ik ben al halverwege. Dat is verliefdheid.

De verplichte dagen. Waar ga ik heen? Van twee kanten wordt er aan me getrokken. Ik moet kiezen maar elke keuze is fout. Wat ik ook besluit, er hangt er altijd eentje hysterisch aan de telefoon. Is het mijn schuld dat jullie uit elkaar zijn? Laat me met rust, stelletje idioten. Eerst je kind verstoten en het vervolgens gaan claimen. Af en toe vraag ik me af waar ik mijn logica vandaan haal. Gordijnen dicht, telefoonstekker eruit. Kiezen door te liegen. Iedereen tevreden.

Werken met de feestdagen. Feestdagen? Waar is het feest dan? "Kom je?" Nee, ik moet werken. Heerlijk excuus. Ook al moet je niet werken, het werkt altijd. De oerhollandse kringfeestjes. "Kom je?" Nee, ik moet werken. Misschien daarna. Dat was wel goed. Gewoon, om vier uur ’s nachts op een feestje verschijnen. De restanten bier wegtikken. Half aangeschoten burgertrutterij aanschouwen. Later, toen het geld eenmaal stroomde werden ze wijzer. De feesten werden in de kroeg gegeven. Beter. Veel rumour, geen stiltes. En altijd een vluchtweg. Komen wanneer je wilt, gaan wanneer je wilt. Vrijheid in de verplichting. En dronken worden met kroeggangers die niets met het feest te maken hebben. Op feesten kom je altijd wel iemand tegen die er niets te zoeken heeft. Dat zijn vaak de pareltjes. Die het feest waard maken. Want zij maken het waar.

Moderne jeugd als ik ben haal ik mijn mobiel tevoorschijn. Aanpassen aan mensen is niet nodig, technologische vooruitgang mijden is dom. Ik verstuur wat smsjes naar de achterblijvers die aan het werk zijn of in het Vondelpark liggen. Getuigen zoeken we allemaal. Wanneer ik van die bevestigingsdrang ben verlost, dan pas ben ik echt vrij. Het doel. Vrij van mensen, vrij van meningen, vrij van verplichtingen, vrij van verwachtingen. Doen waar je zin in hebt. Onafhankelijk. En er nog van kunnen genieten ook.

We smsen wel, mailde ik vannacht. Geloof ik. Ik weet het niet meer. Mailbevestiging na een onbevestigde avond. Ik moet stoppen met ’s nachts, dronken, mails te versturen. Bevestiging te zoeken. De hoofdpijn de volgende ochtend zal de avond, de nacht, bevestigen. De gedachte aan de afgelopen nacht haalt de calvadossmaak terug in mijn mond. Wat een rotzooi. Dat had ik beter vannacht kunnen bedenken. Heb ik nog aan de whisky gezeten? Hier serveren ze dommelsch. Dat moet dan maar. Ik spoel mijn mond schoon. Niet boeiend ook. Ik vind haar wel. Mijn Miss in het park. Ik vind altijd iedereen. Het gaat niet om het zoeken, het gaat om het kijken.

Ze straalt. Ze heeft een digitale camera bij zich. "Ik zal je gezicht niet loggen hoor als je dat niet wilt." Doe maar. Jij mag het. De zon straalt met haar mee. Het bier blijft komen. Bandjes komen en gaan. Mensen komen en gaan. Ik begin te verbranden. Festivalkoorts.

Wat later zitten we samen op de grond. De zon heeft geen kracht meer. De grond is vochtig geworden.
"Ik heb het koud."
Ik pak mijn shirt. Ze schudt haar hoofd.
"Ik heb het koud."
Ik pak mijn fleece. Ze schudt haar hoofd. Ik zeg dat ze iets moet eten en haal broodjes uit mijn rugzak.
"Ik heb het kóúd!"
Ze pakt mijn arm. Ik ga achter haar zitten, maak een holte met mijn bovenlichaam en trek haar tegen me aan. De warmte straalt van mijn lichaam af, slaat op haar lichaam over. Ik sluit mijn armen, omsluit haar. Ik verwarm haar. Ze zoent mijn arm, legt haar hoofd erop en sluit haar ogen.

Droom weg. Elvis Costello jankt "I want you" vanuit zijn tenen. De lucht is oranje gekleurd, schaduwen vullen het terrein. Ik ga staan en zwijmel weg. Hoezo toepasselijk. Ik kijk naar haar en glimlach. Prachtig meisje. Een tik op mijn schouder verstoort het moment en maakt me wakker. Weg droom.

Alweer een beschermengel. Dit wordt een gewoonte. Zorgzaamheid, niet meer dan verkapte jaloezie. Wat denken ze eigenlijk? Er wordt me duidelijk gemaakt dat ik mezelf geen illusies over de nacht moet maken. Afspreken in de toekomst prima, maar vannacht brengt hij haar thuis. Ik houd mijn handen in mijn zakken. Achteloze, verveelde houding. Zo pak je haantjes aan. Ik ben geen haantje. Zij is geen kippetje. Ze is gewoon dronken. Ik maak geen misbruik van haar. Zo vind ik haar leuk. Laten we het dan ook leuk houden.

Ze heeft het niet meer koud. Ze maakt het waar.