Piepgeluid van de telefoon maakt me wakker. Niet het piepgeluid van de wekkerfunctie van het onding maar het geluid dat een nieuw ontvangen bericht wereldkundig maakt. Een bericht van de Thaise buurvrouw. De buurvrouw staat elke dag om vijf uur op.
Of ik mee ga naar de palingrokerij. Vorige week vroeg ze dat ook al en toen zei ik nee en nu vraagt ze het alweer en opnieuw zeg ik nee, met de toevoeging dat ik andere plannen heb. Slechts nee zeggen zonder uitleg is ook weer zo bot, een beetje vriendelijkheid in het leven kan geen kwaad. Er is een optreden waar ik heen ga. Twee afspraken op één dag is teveel van het goede voor de autistisch ingestelde mens. Het goede moet verdeeld, gulzigheid wordt bestraft. Ik sta op, maak ontbijt, lees het nieuws en ga op de bank liggen om verder te slapen. Er komt een moment dat ze het niet meer vraagt.
De dag kabbelt voort als het leven zelf, je hoeft niet veel te doen, je zit je tijd uit en voor je het in de gaten hebt is het over. Op vrijdag is er markt in het winkelcentrum, ik onderbreek het nietsdoen en haal twee broodjes haring bij de visboer. Haring is een goede bodem, behalve als je pizza wilt maken, dan moet je deeg gebruiken.
Om half acht 's avonds stap ik op de fiets. Ik heb de fietsverlichting opgeladen, de lampjes zitten onhandig in mijn broekzak. Leuk al die externe verlichting, je sjouwt er wel de hele avond mee rond. Om vijf voor acht ben ik waar ik zijn moet, mijn topografische kennis weer eens overschat. De tent is nog niet eens open, er staat niemand voor de ingang. Het is altijd dichterbij dan je denkt.
Ik zoek een veilige parkeerplaats voor de fiets en wandel richting de Kinkerstraat. Het gebouw in de bocht van de Amstelveenseweg en de Kinkerstraat komt me bekend voor, ik ben er eerder geweest maar ik kan me niet herinneren waarom of waarvoor ik daar was. Het revalidatiecentrum waar Louise ooit lag (en na een half jaar weer stond) zit halverwege de Kinkerstraat, dus dat is het niet. Ik treuzel terug en overweeg een wandeling in het Vondelpark om de tijd te doden, dan zie ik dat er al wat mensen bij de ingang staan en dat de toegangsdeuren zijn opengeklapt.
De jongen bij de ingang kan mijn naam niet vinden op de lijst die voor hem ligt. Op die lijst staan de namen van de mensen die online een ticket hebben gekocht. Ticket is wat veel gezegd, ze doen hier niet aan tickets, virtueel toegangsbewijs is een betere benaming. Je bestelt en betaalt online en bij de ingang zeg je jouw naam en als je naam op de lijst staat mag je naar binnen, zo simpel is het. Ik maak dit voor het eerst mee, ik ben hier nooit eerder geweest, want dan had ik ook geweten hoelang het fietsen was. Misschien moet ik vaker ergens heen gaan, of überhaupt naar buiten gaan. Naast de jongen staat een meisje met rare tatoeages op haar armen. Nadat de jongen voor de derde keer de lijst tevergeefs heeft doorgenomen zegt het meisje: 'Daar!' En daar staat inderdaad mijn naam. Waar zouden we zijn zonder meisjes?
Ik passeer de tafel met de jongen en het meisje en de lijst met namen en via twee klapdeuren die je vroeger in schoolkantines zag stap ik de zaal in. Meteen links zijn de wc's. Waar je ook binnenkomt, bij vrienden thuis, een kroeg, het ziekenhuis of het politiebureau, stel jezelf twee vragen: waar is de uitgang en waar is de wc, de rest komt later. De bar zit rechts, de bar is iets van vroeger en komt later. Er is geen biertap, er staat een aantal koelkasten gevuld met blikken en flesjes bier. Wel zo handig. Het scheelt in de schoonmaak en het onderhoud en de voorraad is telbaar. Eens een barman altijd een barman.
Het voorprogramma is een Schotse zanger die zichzelf begeleid op een basgitaar. Of een Schotse basvirtuoos die erbij zingt, dat mag ook. Tussen de nummers door neemt hij een slok van zijn whisky en snuit hij zijn neus in een groene zakdoek die goed kleurt bij zijn eveneens groene shirt. Vanaf het bargedeelte komt storend geroezemoes de zaal in. Het publiek in de zaal is beleefd enthousiast wat niet kan verhullen dat het optreden redelijk saai is. Of zoals Viv later zal zeggen: 'Ik voel het niet, het voelt niet echt.' De laatste drie nummers zingt hij vanuit de zaal, of nou ja, zaaltje, onversterkt. Hij gaat op een bank aan de zijkant staan, begint te zingen en dan is het opeens helemaal stil, ook bij het bargedeelte, op zijn stemgeluid na. Schreeuwers worden overstemd, ga fluisteren en mensen luisteren.
Na het voorprogramma zoek ik Seco die ik bij de bar vind waar hij met een meisje staat te praten. 'Dat is Viv,' zal Seco later verklaren, een vriendin van Pee, de beste vriendin van Pee. Ze heeft gespeecht bij het afscheid van Pee, ik kan me haar niet herinneren.
Wat kan ik me eigenlijk nog wel herinneren? Dat we vanaf Zorgvlied zijn teruggelopen naar de stad, dat we in het Martin Luther Kingpark bij het Amstel Boathouse bier hebben gedronken met de ouders en een paar collega's, dat we na het vertrek van de ouders en de collega's bij de Febo bij de Berlagebrug patat hebben gegeten. Dat er geen theater was, achterblijvers verwarren theater met emotie. Aan de andere kant van de Amstel zag je de gebouwen van Delta Lloyd, waarvan het afscheid ook aanstaande was. En dat het warm was, het was een heel warme dag.
Ik laat ze praten en ga buiten staan roken. Het is een aangenaam warme septemberavond.
Als ik weer binnen ben haal ik bier en wacht tot het mijn beurt is. Volgorde is overal, volgorde hoort, volgorde organiseert, je moet je plaats kennen. Ik ben jaren niet naar een concert geweest, bescheidenheid is op zijn plaats. Als het mijn beurt is nemen we de komende concerten voor de herfstmaanden door. Het worden drukke maanden, met veel optredens die op de wensenlijst staan, niet handig met mijn nieuwe 24uurs ploegendienst contract. 'Dan meld je je maar ziek.' Ik meld me nooit ziek. Juist de schaarste maakt het waardevol. En dan: 'Dat is Viv.' Viv is even groot, of beter gezegd even klein als Pee. Ze pasten goed bij elkaar.
Genoeg gepraat, de zaalverlichting gaat uit, de podiumverlichting gaat aan, we zijn hier voor de muziek, de rest is bijzaak. Een welkome bijzaak, maar als het eropaan komt bijzaak.
Op het kleine podium staan zeven personen. Nee, acht. Nee, het zijn er zelfs negen. Twee drummers, twee bassisten, vier gitaristen en een violiste. Thor Harris stelt iedereen voor dus dat duurt even. Dan begint het. Bassen en drums zetten een groove in, even later komen de gitaren en de viool, die over de groove heen beuken, janken en vliegen. Ondanks de vele instrumenten is er geen gepiep, geknars of distortion vanuit de geluidsboxen, het is een muur van zuiver, gestructureerd geluid met een allesondersteunend ritme van de bassen en de drums. Soms komt de viool bovendrijven, dan weer hoor je het gejengel van een of meerdere gitaren die de gitaristen met een drumstok als ware het een zaag bewerken. En dat gaat 45 minuten zo door. 45 Minuten drone. 45 Minuten is precies goed, mijn oren zitten tegen de grens van gehoorschade aan.
Meer valt er niet over te zeggen, je had er bij moeten zijn. Net zoals bij crematies, waar je ook niets hoeft te zeggen.
Na afloop drinken we nog een flesje bier terwijl we toekijken hoe de bandleden zelf alle instrumenten en materialen inpakken en opruimen. Geen telefoons, geen selfies met de artiesten, het publiek laat de muzikanten met rust en in hun waarde. Een verademing, dit hok en dit publiek, en dat toch midden in Amsterdam. Als het bier op is gaan we naar buiten voor een laatste sigaret. Viv komt bij ons staan. 'Hebben jullie het niet koud?' Seco draagt een zomerbloes, ik mijn onvermijdelijk Unsane T-shirt. Ze kijkt me aan. 'Goed shirt.'
Ze haalt een hand door haar haar, doet haar jas, een Adidas trainingsjack, open en even later weer dicht. We nemen het optreden door en we vinden het alle drie een goed optreden. Dan loopt de Schot van het voorprogramma langs en zijn oog valt ook op mijn shirt. Aan zijn ogen te zien heeft hij nog een paar whisky's gehad.
'That band, that band!' De Schot wijst naar mijn T-shirt. 'My mate saw their albumcover in this recordstore, from that band, with that body between the tracks, and all that blood. And he puked! He puked in the recordstore all over that albumcover! He puked!'
Chris Spencer vertelde me na het optreden in P60 dat hun albumfoto's van hemzelf zijn, gewoon in zijn achtertuin en op straat gemaakt. Nou ja, gewoon. Ik vertel het aan de Schot.
'He puked!'
Dat weten we nu wel.
'Thanks for the gig,' zeg ik, 'I enjoyed the a cappella part the most, where everybody was silent.'
'Yeah, that's what people often tell me.'
Viv haalt opnieuw een hand door haar haar en doet haar trainingsjack weer open en dicht. De sigaretten zijn op. 'Huiswaarts,' zegt Seco. Vroeger was concertbezoek het voorgerecht voor een nachtelijke afterparty in het café. Daar kwamen meerdere concertgangers, ervaringen werden uitgewisseld, superlatieven en teleurstellingen gedeeld, de euforie opgerekt tot sluitingstijd. Je belandde in een bed dat niet het jouwe was of je zag helemaal geen bed. Vroeger is dood.
Ik heb trek in patat maar zeg het niet. Huiswaarts het is. Eindelijk die vervelende lampjes uit mijn broekzak. En het moment, dat je het niet meer vraagt.
Showing posts with label concert. Show all posts
Showing posts with label concert. Show all posts
05 September 2025
05 May 2013
11 April 2012
21 July 2011
No words/No thoughts (2)

Veertien jaar geen Swans en nu twee keer binnen een jaar. Oke, in die veertien jaar zag ik vier maal Gira solo maar Gira solo is geen Swans, Gira solo dat is Gira solo.
Helaas kwam ik bekenden tegen waardoor de noodzaak erover te gaan aandachtshoeren in een log is verdwenen.
Waarmee aangetoond dat bloggen is voor mensen die hun verhaal niet kwijt kunnen of mensen die niets te vertellen hebben.
27 November 2010
De Helling
Ik was daar. Bij het concert. Het concert van het jaar.
Maar ik weet het niet meer.
Recensies en concertverslagen lezend vraag ik me af: was ik dáár?
Ik was daar. Ik ben gezien.
Waar was ik dan? Was ik in het rookhok? Waar ik twee engelstalige meisjes een vuurtje gaf?
Ik was daar. Ik ben gesproken.
Waar was ik? Was ik in de toiletten? Waar ik Seco tegenkwam?
Hing ik aan de bar? Bij het barmeisje, met haar zwarte minirokje, grijze legging en black mistresslaarsjes?
Filmpjes op youtube kijkend vraag ik me af: was ik dáár?
Ik was daar. Ik heb het toegangskaartje nog. Ik heb ook het treinkaartje nog.
Waar ben ik geweest?
Mijn grootste angst is te eindigen als demente, over straat zwervende man. Niet omdat ik gevaarlijk ben, ik heb nog nooit iemand kwaad gedaan.
Denk ik. Er zijn tenminste geen beelden van.
Of zou ik ook dat zijn vergeten?
Maar ik weet het niet meer.
Recensies en concertverslagen lezend vraag ik me af: was ik dáár?
Ik was daar. Ik ben gezien.
Waar was ik dan? Was ik in het rookhok? Waar ik twee engelstalige meisjes een vuurtje gaf?
Ik was daar. Ik ben gesproken.
Waar was ik? Was ik in de toiletten? Waar ik Seco tegenkwam?
Hing ik aan de bar? Bij het barmeisje, met haar zwarte minirokje, grijze legging en black mistresslaarsjes?
Filmpjes op youtube kijkend vraag ik me af: was ik dáár?
Ik was daar. Ik heb het toegangskaartje nog. Ik heb ook het treinkaartje nog.
Waar ben ik geweest?
Mijn grootste angst is te eindigen als demente, over straat zwervende man. Niet omdat ik gevaarlijk ben, ik heb nog nooit iemand kwaad gedaan.
Denk ik. Er zijn tenminste geen beelden van.
Of zou ik ook dat zijn vergeten?
01 April 2009
Eindexamenfeest

Beetje flauw om een DVD te noemen maar dit is nu eenmaal het beste dat maart 2009 heeft gebracht. Ook prachtige dingen uit 2001 en 2007 gevonden maar die vallen buiten deze scope. Misschien moet ik de scope veranderen.
"Bloedeloos" was mijn reactie nadat ik alle geripte clipjes van EXPO08 op JoeToep had gezien. De DVD was toen nog niet binnen. Een week na de releasedatum ontving ik het kleinood. Ik wachtte met kijken van de DVD tot na het examen van 1 april, het moest de vertroosting worden - het werd een dubbele beloning. Het examen ging onverwacht goed, en het volledig concert vanaf DVD was vele malen beter dan de streaming clips deden vermoeden.
Vergeleken met Electric Mole – en in iets mindere mate Dynamite Out! – is alles bloedeloos. Elk concert staat echter op zichzelf en moet als zodanig worden bekeken. Natuurlijk hoop je op een tweede Electric Mole, maar er is al een Electric Mole. Als je Electric Mole wil zien dan moet je Electric Mole opzetten.
EXPO08 is Ringo met een naar de achtergrond gemixte sobere, strakke band (bas, gitaar, drum) en het overdadige orkest van Saito Neko (waar ze Heizei Fuzuuko mee opnam).
Het geluid is fantastisch. Wat de Jappen van EMI er in de studio aan hebben lopen schaven doet er niet toe. Dit heet professioneel, en dat is niet per definitie gelikt. De muziek van band en orkest is naadloos in elkaar gearrangeerd, wat de nummers een zoveelste nieuwe dimensie oplevert. Ringo’s performance en stem verbinden het geheel, het is tenslotte haar feestje (EXPO08 is de registratie van haar 10-jarig jubileum als artiest) en dat is een heel mooi feestje geworden.
Nog 1 examen en dan heb ik ook feest. En een andere scope.
10 November 2007
16 October 2007
God

Michael Gira was in Paradiso.
Geen tenenkrommend log of concertverslag, ik heb mezelf overgegeven. Zijn stem was hoorbaar aan het eind van de tournee, toch ging hij tot het uiterste. Gezwollen aderen in zijn nek, gesloten ogen. Hij maakte grapjes tussen de nummers: "I wrote this next song when I was two." Hij was interactief, vertelde over zijn jeugdjaren in Israel en later in Amsterdam.
Ondanks de staat van zijn stembanden ging hij vol erin.
Gvd.
Na afloop kocht ik twee cd’s, opnames die hij thuis maakte en alleen via zijn website verkrijgbaar zijn. Hij zat achter de tafel met cd’s op een te kleine stoel, ik was opeens erg twee meter. Hij signeerde de cd’s en ik ging naast hem zitten, hij stak zijn hand uit. De volgende conversatie volgde.
Ik: "You opened the show with I am the sun and closed off with God damn the sun. Goddamn yourself?"
Gira: "So. You noticed?"
23 September 2007
Against the grain
In Amstelveen is het weer een dolle boel. Er zijn er al zes binnen, ik ben de zevende. Twee achter de bar, twee achter het mengpaneel en twee bij de tafel met T-shirts en cd’s. Het meisje achter de bar heeft een haakneus en een bos Surinaamse krullen. Ik zet haar aan het werk en bestel de eerste in een lange rij. Het is tenslotte zaterdagavond, laat ik maar weer eens dronken worden.
Om half negen begint er een voorprogramma. Er zijn wat meer mensen in de zaal gekomen, het publiek halveert echter wanneer vier van hen op het podium gaan staan. De haakneus gooit mijn tweede bijdrage muntjes in een bak, vooralsnog ben ik 100% van de omzet. Zorg voor iets opvallends, dan word je onthouden. Ze draagt een roze plastic armband, meeloophype van een paar jaar geleden. Een witte armband is tegen armoede, een gele is tegen kanker, oranje is tegen intolerantie. Roze zal dan wel tegen homo’s zijn. Ik heb niets tegen homo’s, wel tegen meelopers. Misschien ben ik daarom alleen. Het voorprogramma krijgt een zesje voor de moeite, de haakneus applaudisseert. Ik klap ook, ik vind het een mooie bos krullen en mijn glas is leeg.
Er komt nog een voorprogramma, laten we het een tussenprogramma noemen. Ze zijn met twee man, alleen gitaar en drum, het achtergrondlawaai met postmodern sloganisme staat op tape. Het geheel is een bak stevige herrie, dat is lekker. Ik bestel maar weer eens, ze worden lekkerder. De haakneus laat haar Surinaamse krullen springen, dat is het lekkerst. Twee brillenmansen voor me kijken hoofdschuddend naar het podium. Achter de bar hangen drie computerschermen, willitblend.com verschijnt in beeld. Ik ken ze al.
Ik blijf aan de bar hangen, bij de spoelbak, er is alleen niets om te spoelen. Er staat nu ongeveer veertig man in de zaal, ik voel een plaatsvervangende schaamte. Niet zozeer voor de opvullende bandjes, wel voor de hoofdact waarvoor ik hier ben gekomen. Naast de haakneus is een jongen achter de bar komen staan. Hij geeft zijn vriendinnetje een biertje. Dat is een lek. Ik draai me om, achter me staat de tafel met de T-shirts en cd’s. Dat is handel. Naast de tafel staat een mannetje in een wit shirt en een baseballcap op zijn hoofd. Dat is Chris Spencer.
Laat ik eens vrienden gaan maken voordat de Surinaamse krullen echt zenuwachtig van me worden. Chris Spencer is de zanger/gitarist van Unsane. Ik geef hem een hand en bedank hem voor Visqueen. Hij vertelt over de tour, de bassist die het land niet uit mocht en op de tour wordt vervangen door de bassist van Cop Shoot Cop. Hij vertelt hoe de draak van negen minuten, het laatste nummer van Visqueen, is opgenomen, hij pakt de cd’s van de tafel en vertelt waar de hoesfoto’s zijn gemaakt. De badkamer van Blood Run: zijn eigen badkamer. Het veld met lijk van Visqueen: tuin van zijn broer. Wie het lijk is vertelt hij dan weer niet. Ik vraag of hij iets wil drinken. "No man, I’m gonna buy yóú a beer." Hij loopt naar de bar, de haakneus loopt naar hem toe. Even later geeft hij me het biertje, uit zijn broekzak komt een hand muntjes, die geeft hij erbij. Kun je cd’s ook met muntjes betalen? Ik vraag hem of een slecht gevulde zaal wel motiveert tot optreden, een band kan een zaal opzepen maar omgekeerd zweept een goed gevulde zaal die uit zijn dak gaat de band juist weer op. Geen probleem, volgens hem. Hij vertelt over zijn band met de drummer, ze houden elkaar scherp, stuwen elkaar omhoog bij optredens. Hij vindt het jammer dat er weinig publiek is maar hij belooft me alles te zullen geven. Dat is mooi, waar zijn de groupies?
Spencer verdwijnt en de brillenmansen komen naar me toe. "Jij kreeg gewoon een biertje van Chris Spencer!?" Is dat zo raar? Wanneer iemand bier drinkt is het doodnormaal dat je hem een biertje geeft. Het zou pas raar zijn als hij mij een rode wijn had gegeven. Of een kopstoot. Daar is hij trouwens te klein voor. En ik te groot. Ik blijf bij de brillenmansen hangen, de Surinaamse krullen lopen niet weg. De brillenmansen blijken echte fans. Ze hebben alle platen van Unsane, ze gaan zo mogelijk naar elk optreden en ze hebben, speciaal voor dit optreden, een hotelletje geboekt . Voor een gesprek met hun held hadden ze zeker geen geld meer over. Ik neem ze mee naar de tafel met T-shirts en cd’s en laat me adviseren welke cd ik moet kopen. Het T-shirt had ik zelf bij binnenkomst al gekozen. De handel wordt apart gelegd, na het optreden haal ik het wel op. Na een optreden pas besluiten wat te kopen is hetzelfde als boodschappen doen als je honger hebt. Je koopt teveel.
Het derde voorprogramma begint en dat hadden ze beter niet kunnen doen. Gelukkig is dit Amstelveen, een beschaafd rijkeluisdorp onder Amsterdam, in de stad zelf waren ze niet levend naar buiten gekomen. De bos Surinaamse krullen is erbij gaan zitten, ze gaapt. De computerschermen tonen beelden van eerdere optredens alhier. De Melkweg krijgt financiële hulp van de gemeente Amsterdam om te kunnen overleven en dit bezoekersloze hol kan gewoon bestaan. Zwarte gaten in gemeentebegrotingen. Ik begin nog maar eens een gesprek met een zanger, nu de zanger van de Prunella Scales die me met een por in mijn maag van zijn aanwezigheid op de hoogte brengt. We zijn even groot, gesprek op niveau dus. "Biertje?"
Als Unsane dan eindelijk begint is er zestig man in de zaal. Spencer vraagt of iedereen naar voren wil komen, hij bijt niet, het gapende gat tegenover hem wel. We schuiven gehoorzaam naar voren, in Amstelveen is nog gezag. Het optreden is gejaagd, goed. Na drie nummers worden de vochtplekken zichtbaar op zijn witte shirt, halverwege de set is hij doorweekt. Voor ons danst een meisje. Zo’n grote dansvloer heeft ze waarschijnlijk nooit eerder gehad. Ze paradeert shoegazend heen en weer, aan de zijkant hangen houten glazenhouders waar ze af en toe een glas uitpakt en een slok drinken uit neemt. Spencer jaagt intussen een zoveelste rochel uit zijn strot. Wanneer ze in de gaten krijgt dat ik sta te kijken verplaatst ze haar werkterrein en ze gaat achter me staan. Ze houdt zeker niet van pottenkijkers. Voor deze meisjes voer ik per heden de zwarte armband in. Singles krijgen een rood fluorescerende, dan kan je ze in het donker ook nog zien. Of als je dronken bent.
Na een uur en een toegift is Spencer leeg en het licht gaat aan. Dank u wel meneer Spencer, dat was erg nodig. De zwarte band aait mijn arm, ik loop naar de tafel met T-shirts en cd’s en haal mijn bestelling op, in het voorbijgaan zwaai ik naar de Surinaamse krullen. Zorg voor iets opvallends, dat wordt je onthouden. En het was nog lang rustig in Amstelveen.
Om half negen begint er een voorprogramma. Er zijn wat meer mensen in de zaal gekomen, het publiek halveert echter wanneer vier van hen op het podium gaan staan. De haakneus gooit mijn tweede bijdrage muntjes in een bak, vooralsnog ben ik 100% van de omzet. Zorg voor iets opvallends, dan word je onthouden. Ze draagt een roze plastic armband, meeloophype van een paar jaar geleden. Een witte armband is tegen armoede, een gele is tegen kanker, oranje is tegen intolerantie. Roze zal dan wel tegen homo’s zijn. Ik heb niets tegen homo’s, wel tegen meelopers. Misschien ben ik daarom alleen. Het voorprogramma krijgt een zesje voor de moeite, de haakneus applaudisseert. Ik klap ook, ik vind het een mooie bos krullen en mijn glas is leeg.
Er komt nog een voorprogramma, laten we het een tussenprogramma noemen. Ze zijn met twee man, alleen gitaar en drum, het achtergrondlawaai met postmodern sloganisme staat op tape. Het geheel is een bak stevige herrie, dat is lekker. Ik bestel maar weer eens, ze worden lekkerder. De haakneus laat haar Surinaamse krullen springen, dat is het lekkerst. Twee brillenmansen voor me kijken hoofdschuddend naar het podium. Achter de bar hangen drie computerschermen, willitblend.com verschijnt in beeld. Ik ken ze al.
Ik blijf aan de bar hangen, bij de spoelbak, er is alleen niets om te spoelen. Er staat nu ongeveer veertig man in de zaal, ik voel een plaatsvervangende schaamte. Niet zozeer voor de opvullende bandjes, wel voor de hoofdact waarvoor ik hier ben gekomen. Naast de haakneus is een jongen achter de bar komen staan. Hij geeft zijn vriendinnetje een biertje. Dat is een lek. Ik draai me om, achter me staat de tafel met de T-shirts en cd’s. Dat is handel. Naast de tafel staat een mannetje in een wit shirt en een baseballcap op zijn hoofd. Dat is Chris Spencer.
Laat ik eens vrienden gaan maken voordat de Surinaamse krullen echt zenuwachtig van me worden. Chris Spencer is de zanger/gitarist van Unsane. Ik geef hem een hand en bedank hem voor Visqueen. Hij vertelt over de tour, de bassist die het land niet uit mocht en op de tour wordt vervangen door de bassist van Cop Shoot Cop. Hij vertelt hoe de draak van negen minuten, het laatste nummer van Visqueen, is opgenomen, hij pakt de cd’s van de tafel en vertelt waar de hoesfoto’s zijn gemaakt. De badkamer van Blood Run: zijn eigen badkamer. Het veld met lijk van Visqueen: tuin van zijn broer. Wie het lijk is vertelt hij dan weer niet. Ik vraag of hij iets wil drinken. "No man, I’m gonna buy yóú a beer." Hij loopt naar de bar, de haakneus loopt naar hem toe. Even later geeft hij me het biertje, uit zijn broekzak komt een hand muntjes, die geeft hij erbij. Kun je cd’s ook met muntjes betalen? Ik vraag hem of een slecht gevulde zaal wel motiveert tot optreden, een band kan een zaal opzepen maar omgekeerd zweept een goed gevulde zaal die uit zijn dak gaat de band juist weer op. Geen probleem, volgens hem. Hij vertelt over zijn band met de drummer, ze houden elkaar scherp, stuwen elkaar omhoog bij optredens. Hij vindt het jammer dat er weinig publiek is maar hij belooft me alles te zullen geven. Dat is mooi, waar zijn de groupies?
Spencer verdwijnt en de brillenmansen komen naar me toe. "Jij kreeg gewoon een biertje van Chris Spencer!?" Is dat zo raar? Wanneer iemand bier drinkt is het doodnormaal dat je hem een biertje geeft. Het zou pas raar zijn als hij mij een rode wijn had gegeven. Of een kopstoot. Daar is hij trouwens te klein voor. En ik te groot. Ik blijf bij de brillenmansen hangen, de Surinaamse krullen lopen niet weg. De brillenmansen blijken echte fans. Ze hebben alle platen van Unsane, ze gaan zo mogelijk naar elk optreden en ze hebben, speciaal voor dit optreden, een hotelletje geboekt . Voor een gesprek met hun held hadden ze zeker geen geld meer over. Ik neem ze mee naar de tafel met T-shirts en cd’s en laat me adviseren welke cd ik moet kopen. Het T-shirt had ik zelf bij binnenkomst al gekozen. De handel wordt apart gelegd, na het optreden haal ik het wel op. Na een optreden pas besluiten wat te kopen is hetzelfde als boodschappen doen als je honger hebt. Je koopt teveel.
Het derde voorprogramma begint en dat hadden ze beter niet kunnen doen. Gelukkig is dit Amstelveen, een beschaafd rijkeluisdorp onder Amsterdam, in de stad zelf waren ze niet levend naar buiten gekomen. De bos Surinaamse krullen is erbij gaan zitten, ze gaapt. De computerschermen tonen beelden van eerdere optredens alhier. De Melkweg krijgt financiële hulp van de gemeente Amsterdam om te kunnen overleven en dit bezoekersloze hol kan gewoon bestaan. Zwarte gaten in gemeentebegrotingen. Ik begin nog maar eens een gesprek met een zanger, nu de zanger van de Prunella Scales die me met een por in mijn maag van zijn aanwezigheid op de hoogte brengt. We zijn even groot, gesprek op niveau dus. "Biertje?"
Als Unsane dan eindelijk begint is er zestig man in de zaal. Spencer vraagt of iedereen naar voren wil komen, hij bijt niet, het gapende gat tegenover hem wel. We schuiven gehoorzaam naar voren, in Amstelveen is nog gezag. Het optreden is gejaagd, goed. Na drie nummers worden de vochtplekken zichtbaar op zijn witte shirt, halverwege de set is hij doorweekt. Voor ons danst een meisje. Zo’n grote dansvloer heeft ze waarschijnlijk nooit eerder gehad. Ze paradeert shoegazend heen en weer, aan de zijkant hangen houten glazenhouders waar ze af en toe een glas uitpakt en een slok drinken uit neemt. Spencer jaagt intussen een zoveelste rochel uit zijn strot. Wanneer ze in de gaten krijgt dat ik sta te kijken verplaatst ze haar werkterrein en ze gaat achter me staan. Ze houdt zeker niet van pottenkijkers. Voor deze meisjes voer ik per heden de zwarte armband in. Singles krijgen een rood fluorescerende, dan kan je ze in het donker ook nog zien. Of als je dronken bent.
Na een uur en een toegift is Spencer leeg en het licht gaat aan. Dank u wel meneer Spencer, dat was erg nodig. De zwarte band aait mijn arm, ik loop naar de tafel met T-shirts en cd’s en haal mijn bestelling op, in het voorbijgaan zwaai ik naar de Surinaamse krullen. Zorg voor iets opvallends, dat wordt je onthouden. En het was nog lang rustig in Amstelveen.
12 April 2007
Lovefoxxx
In de zaal veel meisjesjeugd. Nergens laarzen, alles op sportschoenen. Veel potjes ook, met veel heup met weinig kont, ze is overduidelijk een rolemodel. Mistaken identity, verkeerde doelgroep. Het geluid is voor de verandering weer eens ruk, na drie nummers wil ik het podium opstormen om de stekker uit de bas te halen. Het meisje dat bas speelt is echter te mooi om lastig te vallen. Pluk maar door aan de snaren, meisje, goede vingeroefening.
Cansei De Ser Sexy bestaat uit vijf meiden en een jongen. De band komt uit Brazilie, op de zangeres na, die komt uit Japan. De zangeres heet Luísa Hanaê Matsushita en noemt zichzelf dus logischerwijs Lovefoxxx, dat bekt wat makkelijker. Cansei De Ser Sexy betekent zoiets als tired of being sexy. De bandleden kennen elkaar via een fotolog waar ze tijdens hun suffe baantjes de hele dag rondhangen. Tijdens de eerste repetitie vergeet Lovefoxxx haar instrument en gaat daarom maar zingen.
Lovefoxxx draagt vanavond een zwarte lycra catsuit, bij de toegift zelfs met extra DD-vulling. Tijdens het festivalseizoen draagt ze zomerse niemendalletjes, redelijk in overeenstemming met de muziek. En onder dat zomers niemendalletje woont een Japans stukje venijn, ook net zoals in de muziek. De nummers swingen en zijn uitermate dansbaar, opvallend dat de bijna volgroeide vulling van Paradiso zo stoïcijns naar het podium staat te staren. Of ze staren naar hun mobiele telefoons, dat gebeurt ook nogal vaak. Ik had mijn mobiel in de garderobe achtergelaten.
Ze danst, springt, zingt, doucht onder de door haarzelf omhooggespoten spa blauw en doet de hoelahoep met een hoepel die vanuit het publiek op het podium wordt gegooid. Yeah, shake those hips, baby. Vlezig Japannertje, strakker in het vel dan de ronddansende foto’s op het internet doen vermoeden. Ach ja, op tournee is het leven zwaar, goed voor de lijn.
In de zaal is het niet zwaar, ik steek met kop en schouders boven alles en iedereen uit, alleen de zanger van het voorprogramma irriteert me wanneer de twee chickies die voor me staan hem om zijn nek heen vliegen. Moet jij niet even je instrumenten in het busje laden, meneer de zanger van het voorprogramma? Zijn instrument ontladen in het busje zal dichter bij de waarheid zitten.
Als ik terugkom met een nieuwe voorraad alcohol zijn ze weg, zoals dat meestal gaat met alcohol. Dan is het weg.
Cansei De Ser Sexy bestaat uit vijf meiden en een jongen. De band komt uit Brazilie, op de zangeres na, die komt uit Japan. De zangeres heet Luísa Hanaê Matsushita en noemt zichzelf dus logischerwijs Lovefoxxx, dat bekt wat makkelijker. Cansei De Ser Sexy betekent zoiets als tired of being sexy. De bandleden kennen elkaar via een fotolog waar ze tijdens hun suffe baantjes de hele dag rondhangen. Tijdens de eerste repetitie vergeet Lovefoxxx haar instrument en gaat daarom maar zingen.
Lovefoxxx draagt vanavond een zwarte lycra catsuit, bij de toegift zelfs met extra DD-vulling. Tijdens het festivalseizoen draagt ze zomerse niemendalletjes, redelijk in overeenstemming met de muziek. En onder dat zomers niemendalletje woont een Japans stukje venijn, ook net zoals in de muziek. De nummers swingen en zijn uitermate dansbaar, opvallend dat de bijna volgroeide vulling van Paradiso zo stoïcijns naar het podium staat te staren. Of ze staren naar hun mobiele telefoons, dat gebeurt ook nogal vaak. Ik had mijn mobiel in de garderobe achtergelaten.
Ze danst, springt, zingt, doucht onder de door haarzelf omhooggespoten spa blauw en doet de hoelahoep met een hoepel die vanuit het publiek op het podium wordt gegooid. Yeah, shake those hips, baby. Vlezig Japannertje, strakker in het vel dan de ronddansende foto’s op het internet doen vermoeden. Ach ja, op tournee is het leven zwaar, goed voor de lijn.
In de zaal is het niet zwaar, ik steek met kop en schouders boven alles en iedereen uit, alleen de zanger van het voorprogramma irriteert me wanneer de twee chickies die voor me staan hem om zijn nek heen vliegen. Moet jij niet even je instrumenten in het busje laden, meneer de zanger van het voorprogramma? Zijn instrument ontladen in het busje zal dichter bij de waarheid zitten.
Als ik terugkom met een nieuwe voorraad alcohol zijn ze weg, zoals dat meestal gaat met alcohol. Dan is het weg.
21 May 2006
Simon Finn
Hij ziet er goed geconserveerd uit. Zeker voor iemand die halverwege de jaren zeventig volledig de weg kwijt was. Rood overhemd, zijn haar rommelig in een staart bijeengebonden. Hij verwisselt de zorgvuldig klaargezette gitaren en verschuift de stoelen. Plug erin, plug er weer uit, plug in de andere gitaar, daar de plug ook weer uit. Elke handeling veroorzaakt een knal vanuit de luidsprekers. Hij beweegt zijn hoofd naar de microfoon. Zacht, timide, klinkt zijn stem door de zaal. "Sorry."
Hij legt de papieren met de songteksten op de standaard voor hem, de standaard rolt vervolgens binnen een seconde over de grond, een waaier van papier ligt rond zijn voeten. Hij raapt alles bij elkaar, sorteert de papierwinkel en probeert opnieuw de papieren op de standaard te krijgen. Ze blijven nu staan. "Sorry."
Hij tokkelt voorzichtig wat op de snaren van zijn gitaar, recht dan zijn rug, trekt de microfoonstandaard naar zich toe en zet de microfoon aan zijn mond. "This song is called ... ."
Hij begint rustig, met bijna ingehouden stem. Verstandig besluit de versterkers aan te sluiten. Couplet, refrein, couplet. Bij het tweede refrein gaat zijn hoofd naar achter en verwijdt zijn mond. Het stemvolume gaat omhoog, de sneer in zijn stem is daar. Zijn stem? Nee. Het is de stem van zijn demonen. Een man met een akoestische gitaar. Dat is alles. Meer is er niet nodig. De knop in mijn hoofd gaat om.
Na ruim een half uur wordt de knop volledig doorgedraaid. "This is called Jerusalem." Gelijktijdig draaien we onze hoofden naar elkaar. Ik probeer te slikken maar de brok blijft in mijn keel hangen. Op het podium wordt tussen de papieren gezocht. Van voor naar achter en weer terug. Zijn handen bladeren door, back and forth. Hij mompelt in de microfoon. "I can’t find the lyrics."
Ik houd mijn adem in. Zal ik aanbieden te zingen? Ik kan de tekst dromen. Ik kan alleen niet janken zoals hij. Ik bezit zijn waanzin niet. Ik heb andere demonen. Ik buig mijn hoofd, steun met mijn ellebogen op mijn knieën en staar naar de grond. Alsof de tekst tussen mijn voeten zou kunnen liggen. Mijn ogen branden, ik bijt mijn lippen stuk. Dan klinkt de eerste zin. There it is. Ik maak vuisten van mijn handen om kracht te zetten maar het is zinloos. Alle verzet is zinloos. Ik ben al gebroken. Het vocht verlaat mijn ogen. Waarom lukt muziek wel wat mensen niet lukt, mij breken? Na zes minuten en een bijna verontschuldigend klinkend thank you staat hij op en verlaat het podium, ik spiegel zijn bewegingen en ren naar buiten.
Ik heb ooit Michael Gira’s hand geschud, na de afscheidstournee van The Swans. Ik wist niet wat ik tegen hem moest zeggen. "I always start crying when I listen to your music." Nee, doe maar niet. Wat moet hij met die informatie. Pathetic psycho, probably. "Thank you very much for all the music," zei ik toen maar. "Thank you. There’s more to come but it won’t be called Swans anymore." Ik stond hem stompzinnig aan te gapen, zo dichtbij. Hij. Hij weet niet hoeveel nachten ik met een koptelefoon op mijn hoofd naar zijn stem heb geluisterd. Naar zijn gejank, gebrul, geschreeuw. Wanneer de uitzichtloosheid me overviel, wanneer de wanhoop zich voor de zoveelste keer van mij meester had gemaakt. Rechter en beul tegelijk. Geen bevestiging, alleen maar veroordeling, de enig aanwijsbare schuldige ikzelf. Ik dacht aan mijn rechterhand, zou ik hem niet eens moeten loslaten. Pathetic indeed. "Sorry."
Ik steek een sigaret op en word rustiger. Binnen mag niet gerookt worden, nog even en je bent als roker nergens meer welkom. De frisse lucht doet me goed, wat later volgt de rest met de drank. "Jij kunt nu wel gaan." Hij heeft het begrepen. De rest is allemaal bonus. We roken en drinken snel. Hoeveel tijd zou er tussen de optredens zitten? Biertje, sigaret, pissen en weer terug. In de zaal voel ik opnieuw de onrust en ik loop terug naar buiten voor nog een sigaret. Ik mijd een grote groep bezoekers en ga achteraan op een rustig plekje staan. Naast me staat een man met een rood overhemd en warrig bijeengebonden haar in een staart.
Hij legt de papieren met de songteksten op de standaard voor hem, de standaard rolt vervolgens binnen een seconde over de grond, een waaier van papier ligt rond zijn voeten. Hij raapt alles bij elkaar, sorteert de papierwinkel en probeert opnieuw de papieren op de standaard te krijgen. Ze blijven nu staan. "Sorry."
Hij tokkelt voorzichtig wat op de snaren van zijn gitaar, recht dan zijn rug, trekt de microfoonstandaard naar zich toe en zet de microfoon aan zijn mond. "This song is called ... ."
Hij begint rustig, met bijna ingehouden stem. Verstandig besluit de versterkers aan te sluiten. Couplet, refrein, couplet. Bij het tweede refrein gaat zijn hoofd naar achter en verwijdt zijn mond. Het stemvolume gaat omhoog, de sneer in zijn stem is daar. Zijn stem? Nee. Het is de stem van zijn demonen. Een man met een akoestische gitaar. Dat is alles. Meer is er niet nodig. De knop in mijn hoofd gaat om.
Na ruim een half uur wordt de knop volledig doorgedraaid. "This is called Jerusalem." Gelijktijdig draaien we onze hoofden naar elkaar. Ik probeer te slikken maar de brok blijft in mijn keel hangen. Op het podium wordt tussen de papieren gezocht. Van voor naar achter en weer terug. Zijn handen bladeren door, back and forth. Hij mompelt in de microfoon. "I can’t find the lyrics."
Ik houd mijn adem in. Zal ik aanbieden te zingen? Ik kan de tekst dromen. Ik kan alleen niet janken zoals hij. Ik bezit zijn waanzin niet. Ik heb andere demonen. Ik buig mijn hoofd, steun met mijn ellebogen op mijn knieën en staar naar de grond. Alsof de tekst tussen mijn voeten zou kunnen liggen. Mijn ogen branden, ik bijt mijn lippen stuk. Dan klinkt de eerste zin. There it is. Ik maak vuisten van mijn handen om kracht te zetten maar het is zinloos. Alle verzet is zinloos. Ik ben al gebroken. Het vocht verlaat mijn ogen. Waarom lukt muziek wel wat mensen niet lukt, mij breken? Na zes minuten en een bijna verontschuldigend klinkend thank you staat hij op en verlaat het podium, ik spiegel zijn bewegingen en ren naar buiten.
Ik heb ooit Michael Gira’s hand geschud, na de afscheidstournee van The Swans. Ik wist niet wat ik tegen hem moest zeggen. "I always start crying when I listen to your music." Nee, doe maar niet. Wat moet hij met die informatie. Pathetic psycho, probably. "Thank you very much for all the music," zei ik toen maar. "Thank you. There’s more to come but it won’t be called Swans anymore." Ik stond hem stompzinnig aan te gapen, zo dichtbij. Hij. Hij weet niet hoeveel nachten ik met een koptelefoon op mijn hoofd naar zijn stem heb geluisterd. Naar zijn gejank, gebrul, geschreeuw. Wanneer de uitzichtloosheid me overviel, wanneer de wanhoop zich voor de zoveelste keer van mij meester had gemaakt. Rechter en beul tegelijk. Geen bevestiging, alleen maar veroordeling, de enig aanwijsbare schuldige ikzelf. Ik dacht aan mijn rechterhand, zou ik hem niet eens moeten loslaten. Pathetic indeed. "Sorry."
Ik steek een sigaret op en word rustiger. Binnen mag niet gerookt worden, nog even en je bent als roker nergens meer welkom. De frisse lucht doet me goed, wat later volgt de rest met de drank. "Jij kunt nu wel gaan." Hij heeft het begrepen. De rest is allemaal bonus. We roken en drinken snel. Hoeveel tijd zou er tussen de optredens zitten? Biertje, sigaret, pissen en weer terug. In de zaal voel ik opnieuw de onrust en ik loop terug naar buiten voor nog een sigaret. Ik mijd een grote groep bezoekers en ga achteraan op een rustig plekje staan. Naast me staat een man met een rood overhemd en warrig bijeengebonden haar in een staart.
04 March 2006
Rook
Ik ben vroeg binnen. Het is verbazingwekkend rustig. Misschien is de HMH te hoog gegrepen. Paradiso uitverkopen is wat anders dan vijfduizend man naar de Bijlmer lokken.
Ze heeft haar gele shirt niet aan. Toch herken ik haar meteen. Zo’n kop met haar zie je zelden meer. Ze doet me denken aan mijn eerste vriendinnetje. Van de achterkant gezien dan, het eerste vriendinnetje blijft de allermooiste. Ik heb nog geen zin in een conversatie en ga aan de bar hangen. Ik ben nog niet in de stemming, ik moet eerst drank hebben. Veel drank. Het uitzendstudentje dat de computertap bedient draagt een rood shirtje. Soms zouden ze bedrijfskleding moeten verbieden. Een computertap bedienen kan iedereen. Een strak rood shirtje dragen niet.
Het voorprogramma werd ooit getipt door een klant uit het café. Geen goede tip. Elbow is soft, te netjes. Te beleefd en te nederig ook. Dankbetuigingen aan het adres van de hoofdact en tot twee maal toe het onvermijdelijke thanks-for-listening-to-us. Wat denk je dan dodo? Dat ik een concertkaartje koop om vervolgens bij de garderobe te gaan hangen om naar de nummers van de jassen te luisteren? Het vierde nummer kondigen ze aan als something experimental. Het is meteen hun beste nummer. Leuk bandje voor een zomeravond in het Vondelpark, niet wanneer de adrenaline van het werk nog door je lichaam giert.
De halve liters gieren ook goed, de fles Jack Daniels achter de bar lonkt. Nee, niet doen, niet nu al.
Bij het laatste nummer gaan ze zowaar los. De lampen boven het podium doen een poging tot stroboscopie. Ik maak me los van de bar en doe een paar stappen naar voren. En dan stoppen ze alweer. Gemiste kans. Ik tel de muntjes in mijn broekzak en draai me weer om naar de bar. Het uitzendmeisje heeft hem al in haar handen. Snelle leerling.
Ik word draaierig. In de hal verkopen ze broodjes worst. Zal ik toch maar wat eten?
Ze wordt geflankeerd door twee man. Lichaamstaal, zo mooi om te zien. Zo verhelderend ook. Daarom houd ik zo van kijken. Waarom zou ik me in het gesprek mengen? Een glimlach faken geeft zere kaken, maar nu, terwijl ik naar ze kijk, is mijn glimlach oprecht en gemeend. En helemaal voor mezelf.
De zaal wordt voller. Dus toch nog. Veel stelletjes. Ik geniet van de kledingcultuur van de semi-underground. Jurkjes en laarzen, zelfs in deze februariwinter. Net-niet komt naast me staan aan de bar en bestelt twee koffie. De snelle leerling zegt dat het twee muntjes kost. Net-niet kijkt elkaar aan. Muntjes? Altijd leuk, groentjes. Op festivals helemaal maar hier doen ze het ook goed. Het mag een wonder heten dat ze überhaupt de zaal hebben weten te vinden. Ik zet mijn lege plastic onder de neus van de snelle leerling, ze geeft me een klaarstaand, dood exemplaar retour. Ik schud mijn hoofd en vraag een vers getapte. Gezakt, meid. Je lichaam zal je verder door het leven moeten leiden.
Leren jack, spijkerbroek. Goed.
Nee, geen worst, niet eten tijdens het drinken. Komt vannacht wel weer, of morgen. Woensdag is bruinebonensoepdag in het bedrijfsrestaurant. Bizar, jezelf verheugen op de lunch van morgen. Niet aan het werk denken, ik ben hier om te ontspannen. Ik glimlach weer. Ontspannen, yeah right. Dan moet ik vooral alle meisjes gaan bekijken, alle stelletjes nakijken, dat werkt lekker ontspannend. Ik moet denken aan de Nick Cave concerten die ik hier zag. In gezelschap. Toen kon ik me niet voorstellen deze avonden ooit alleen te gaan doen. Nu is het precies omgekeerd. Ik kan me niet voorstellen hier ooit nog een keer met haar te staan. Ik kan me überhaupt niet voorstellen haar ooit nog te zullen zien. Geef me één goede reden. Ik bestel nog een halve liter.
Rook komt van het podium af, de lichten gaan uit. Ik bestel er nog eentje en wurm mezelf met twee gevulde handen richting het trio. Een meter schuin achter ze blijf ik staan. Ben ik toch niet helemaal alleen. Pocket Revolution opent het optreden, titeltrack van het laatste album. Vreemde opener, ik vind het meer een nummer voor ergens halverwege de set. Het geluid valt tegen, niet zuiver. De geluidsman heeft niet goed opgelet bij het afstellen. Een lege zaal klinkt nu eenmaal anders dan een gevulde zaal. De gitaar van Mauro is veel te zacht, waar het op de plaat juist naar voren is gemixt. Tom Barman draagt zijn onafscheidelijke colbertje, je kunt hem erin uittekenen.
Instant Street klinkt iets beter maar het geluid blijft gruizig, korrelig. De band geeft wat ze heeft, dat is oké. Ze werken zich in het zweet. Na het derde nummer doet Barman zijn jasje uit. Opgestroopte mouwen. Zo zien we dat graag. Het is het enige nummer van The Ideal Crash dat ze spelen. Opvallend. Tekenend voor de gemoedstoestand van Barman ten tijde van het schrijfproces van dat album. Geëmotioneerd worden van je eigen muziek, jezelf er niet van kunnen distanciëren. Geen slijtproces, het bewijs van puurheid van de in muziek omgezette emotie.
Ze kijkt om zich heen. Alsof ze mij zou vinden tussen vijfduizend man. Ik kijk haar lang genoeg aan zodat ze het voelt. Wanneer onze blikken elkaar kruisen houd ik mijn wijsvinger voor mijn lippen. Ze doet twee passen opzij, ik steek mijn hand uit. Een gesprek voeren is hier niet mogelijk. Grijns. Zo mijd je het nodeloos uitwisselen van onzinnige weetjes. Het zijn altijd dezelfde woorden. Ze haalt een pakje Marlboro tevoorschijn en geeft me een sigaret. Klare taal.
Zwart-wit. Geen tussenweg. Nuchter of dronken. Werken of leven. Zwart-wit is goed.
Nothing Really Ends wordt ingezet. Het wordt met de hele band gespeeld, ze proberen de versie die op Pocket Revolution staat, te reproduceren. De versie die Tom Barman deed met Guy van Nueten is mooier. Kaler, zonder violen. Niks mis met violen maar het maakt het nummer iets te bombastisch, het ligt er té dik bovenop. Ze wiegt langzaam mee. Ik ga achter haar staan, leg mijn handen op haar heupen en volg haar ritme. Ik hang mijn duimen in haar broekzakken en trek haar tegen me aan. Ze biedt geen weerstand. Ik verberg mijn gezicht in de bos haar die je zelden meer ziet. Ze ruikt lekker.
Een deja vu toen Nick Cave hier From Her To Eternity speelde. Toen Cave mee meezoog in zijn performance, op zijn knieën kruipend over het toneel, declamerend, schreeuwend. Toen viel het kwartje, opeens zag ik het. De waanzin. De waanzin waarin ze je kunnen onderdompelen. En je kunt jezelf niet verweren. Er zijn geen wapens voor, er is geen verdediging. Ik ging erin mee. Ik ging los. Ik kwam los van haar.
Dit vindt ze het mooiste nummer, zegt ze wanneer ik haar heb losgelaten. Ik zeg wat mijn favoriet is. Wanneer ze dat spelen dan ga ik janken, dat weet ik nu al. Dat mag van haar. Ze vraagt of ik een biertje wil. Ik knik en ze verdwijnt richting bar.
De band loopt ludiek het podium af en is binnen een minuut weer terug. Even adem halen. Dan. Die gitaarlijn. Vanuit de verte komt de melodie je zwevend tegemoet, de melodie die ik kan dromen. Hier ben ik voor gekomen, voor dit nummer. Voor deze zeven minuten en zeven seconden. Voor deze ontlading, voor deze extase. Ik begin te rillen, nu eens niet door het gebrek aan eten opgevangen door sigaretten of door een overload aan drank. Een tekst die ik kan opdreunen, de steeds feller wordende drum, de gitaarlagen die worden opgestapeld, de distortion in het mantra uit het linkerkanaal. En die tekst. Die tekst. Mijn ogen worden vochtig. Tegen dit nummer ben ik niet bestand. Ik voel een hand op mijn rug. Ik bied geen weerstand.
Suds & Soda sluit af. Dat was te verwachten maar daarom niet slecht. De passief gevulde zaal verandert in een bewegende massa, handen gaan de lucht in, meeschreeuwend met het nummer verdrijf ik mijn gedachten. Of verdrijven, uitdrijven is een betere benaming. Na het nummer gaan de lichten aan en ik schud nog twee handen. Heb ik eigenlijk nog wat gezegd? Goed concert, dat waarschijnlijk. Geen Sister Dew, geen Magdalena. Nummers waar ik ooit om zes uur ’s morgens een discussie van een uur over voerde door de telefoon. Weer een glimlach. Zoete herinneringen. Ik begin oud te worden.
In de bovenzaal is een afterparty en ik vind mezelf terug aan een ronde tafel gevuld met bier en jeugd. Zo oud ben ik dan toch ook weer niet. Het niet gele shirt meldt zich netjes af, ik vang iets op over een terugreis. Whatever. Ik vermaak me wel. Dit word een fijne nacht. Strakke housebeats vullen de bovenzaal, vullen mijn oren, dreunen langzaam maar zeker de concertklanken uit mijn hoofd. Dreunen haar uit mijn hoofd. Ik heb een hekel aan house maar soms is het wel erg prettige muziek, of muziek, laten we het geluid noemen. Niet geheel onterecht geassocieerd met leeghoofdigheid.
Ik speur de dansvloer af. Waar is mijn blikvanger van vanavond? Een meisje met zwarte veterlaarzen tot aan haar knieën gaat volledig los. Van binnen dan, ze is niet van deze wereld. Wat zou zij allemaal uit haar hoofd aan het verwijderen zijn? Dans maar. Vlucht maar. Gooi het er maar uit. Bad Timing verdringt de housedreun in mijn hoofd. Ik steek een sigaret op en geniet. Waar rook is, is vuur.
Bezoek aan het rondje maakt me wakker. Of ik een vuurtje heb. Ik geef Nike één van mijn aanstekers en een zoete wietlucht verspreidt zich. Hoe laat moet ik er morgen eigenlijk uit? Oeps. Ik leeg de overgebleven glazen en bestel op weg naar buiten nog een colaatje voor onderweg. Suiker is nu wel even nodig. Fietsend over een verlaten Spaklerweg schieten mijn gedachten alweer naar de volgende dag. Arbeid adelt. Ik moet voortaan vrij nemen na een concert, laat ik sowieso eens vrij gaan nemen. Leef niet om te werken. Inderdaad. Ik werk om niet te leven. Het zijn dezelfde woorden.
Ze heeft haar gele shirt niet aan. Toch herken ik haar meteen. Zo’n kop met haar zie je zelden meer. Ze doet me denken aan mijn eerste vriendinnetje. Van de achterkant gezien dan, het eerste vriendinnetje blijft de allermooiste. Ik heb nog geen zin in een conversatie en ga aan de bar hangen. Ik ben nog niet in de stemming, ik moet eerst drank hebben. Veel drank. Het uitzendstudentje dat de computertap bedient draagt een rood shirtje. Soms zouden ze bedrijfskleding moeten verbieden. Een computertap bedienen kan iedereen. Een strak rood shirtje dragen niet.
Het voorprogramma werd ooit getipt door een klant uit het café. Geen goede tip. Elbow is soft, te netjes. Te beleefd en te nederig ook. Dankbetuigingen aan het adres van de hoofdact en tot twee maal toe het onvermijdelijke thanks-for-listening-to-us. Wat denk je dan dodo? Dat ik een concertkaartje koop om vervolgens bij de garderobe te gaan hangen om naar de nummers van de jassen te luisteren? Het vierde nummer kondigen ze aan als something experimental. Het is meteen hun beste nummer. Leuk bandje voor een zomeravond in het Vondelpark, niet wanneer de adrenaline van het werk nog door je lichaam giert.
De halve liters gieren ook goed, de fles Jack Daniels achter de bar lonkt. Nee, niet doen, niet nu al.
Bij het laatste nummer gaan ze zowaar los. De lampen boven het podium doen een poging tot stroboscopie. Ik maak me los van de bar en doe een paar stappen naar voren. En dan stoppen ze alweer. Gemiste kans. Ik tel de muntjes in mijn broekzak en draai me weer om naar de bar. Het uitzendmeisje heeft hem al in haar handen. Snelle leerling.
Ik word draaierig. In de hal verkopen ze broodjes worst. Zal ik toch maar wat eten?
Ze wordt geflankeerd door twee man. Lichaamstaal, zo mooi om te zien. Zo verhelderend ook. Daarom houd ik zo van kijken. Waarom zou ik me in het gesprek mengen? Een glimlach faken geeft zere kaken, maar nu, terwijl ik naar ze kijk, is mijn glimlach oprecht en gemeend. En helemaal voor mezelf.
De zaal wordt voller. Dus toch nog. Veel stelletjes. Ik geniet van de kledingcultuur van de semi-underground. Jurkjes en laarzen, zelfs in deze februariwinter. Net-niet komt naast me staan aan de bar en bestelt twee koffie. De snelle leerling zegt dat het twee muntjes kost. Net-niet kijkt elkaar aan. Muntjes? Altijd leuk, groentjes. Op festivals helemaal maar hier doen ze het ook goed. Het mag een wonder heten dat ze überhaupt de zaal hebben weten te vinden. Ik zet mijn lege plastic onder de neus van de snelle leerling, ze geeft me een klaarstaand, dood exemplaar retour. Ik schud mijn hoofd en vraag een vers getapte. Gezakt, meid. Je lichaam zal je verder door het leven moeten leiden.
Leren jack, spijkerbroek. Goed.
Nee, geen worst, niet eten tijdens het drinken. Komt vannacht wel weer, of morgen. Woensdag is bruinebonensoepdag in het bedrijfsrestaurant. Bizar, jezelf verheugen op de lunch van morgen. Niet aan het werk denken, ik ben hier om te ontspannen. Ik glimlach weer. Ontspannen, yeah right. Dan moet ik vooral alle meisjes gaan bekijken, alle stelletjes nakijken, dat werkt lekker ontspannend. Ik moet denken aan de Nick Cave concerten die ik hier zag. In gezelschap. Toen kon ik me niet voorstellen deze avonden ooit alleen te gaan doen. Nu is het precies omgekeerd. Ik kan me niet voorstellen hier ooit nog een keer met haar te staan. Ik kan me überhaupt niet voorstellen haar ooit nog te zullen zien. Geef me één goede reden. Ik bestel nog een halve liter.
Rook komt van het podium af, de lichten gaan uit. Ik bestel er nog eentje en wurm mezelf met twee gevulde handen richting het trio. Een meter schuin achter ze blijf ik staan. Ben ik toch niet helemaal alleen. Pocket Revolution opent het optreden, titeltrack van het laatste album. Vreemde opener, ik vind het meer een nummer voor ergens halverwege de set. Het geluid valt tegen, niet zuiver. De geluidsman heeft niet goed opgelet bij het afstellen. Een lege zaal klinkt nu eenmaal anders dan een gevulde zaal. De gitaar van Mauro is veel te zacht, waar het op de plaat juist naar voren is gemixt. Tom Barman draagt zijn onafscheidelijke colbertje, je kunt hem erin uittekenen.
Instant Street klinkt iets beter maar het geluid blijft gruizig, korrelig. De band geeft wat ze heeft, dat is oké. Ze werken zich in het zweet. Na het derde nummer doet Barman zijn jasje uit. Opgestroopte mouwen. Zo zien we dat graag. Het is het enige nummer van The Ideal Crash dat ze spelen. Opvallend. Tekenend voor de gemoedstoestand van Barman ten tijde van het schrijfproces van dat album. Geëmotioneerd worden van je eigen muziek, jezelf er niet van kunnen distanciëren. Geen slijtproces, het bewijs van puurheid van de in muziek omgezette emotie.
Ze kijkt om zich heen. Alsof ze mij zou vinden tussen vijfduizend man. Ik kijk haar lang genoeg aan zodat ze het voelt. Wanneer onze blikken elkaar kruisen houd ik mijn wijsvinger voor mijn lippen. Ze doet twee passen opzij, ik steek mijn hand uit. Een gesprek voeren is hier niet mogelijk. Grijns. Zo mijd je het nodeloos uitwisselen van onzinnige weetjes. Het zijn altijd dezelfde woorden. Ze haalt een pakje Marlboro tevoorschijn en geeft me een sigaret. Klare taal.
Zwart-wit. Geen tussenweg. Nuchter of dronken. Werken of leven. Zwart-wit is goed.
Nothing Really Ends wordt ingezet. Het wordt met de hele band gespeeld, ze proberen de versie die op Pocket Revolution staat, te reproduceren. De versie die Tom Barman deed met Guy van Nueten is mooier. Kaler, zonder violen. Niks mis met violen maar het maakt het nummer iets te bombastisch, het ligt er té dik bovenop. Ze wiegt langzaam mee. Ik ga achter haar staan, leg mijn handen op haar heupen en volg haar ritme. Ik hang mijn duimen in haar broekzakken en trek haar tegen me aan. Ze biedt geen weerstand. Ik verberg mijn gezicht in de bos haar die je zelden meer ziet. Ze ruikt lekker.
Een deja vu toen Nick Cave hier From Her To Eternity speelde. Toen Cave mee meezoog in zijn performance, op zijn knieën kruipend over het toneel, declamerend, schreeuwend. Toen viel het kwartje, opeens zag ik het. De waanzin. De waanzin waarin ze je kunnen onderdompelen. En je kunt jezelf niet verweren. Er zijn geen wapens voor, er is geen verdediging. Ik ging erin mee. Ik ging los. Ik kwam los van haar.
Dit vindt ze het mooiste nummer, zegt ze wanneer ik haar heb losgelaten. Ik zeg wat mijn favoriet is. Wanneer ze dat spelen dan ga ik janken, dat weet ik nu al. Dat mag van haar. Ze vraagt of ik een biertje wil. Ik knik en ze verdwijnt richting bar.
De band loopt ludiek het podium af en is binnen een minuut weer terug. Even adem halen. Dan. Die gitaarlijn. Vanuit de verte komt de melodie je zwevend tegemoet, de melodie die ik kan dromen. Hier ben ik voor gekomen, voor dit nummer. Voor deze zeven minuten en zeven seconden. Voor deze ontlading, voor deze extase. Ik begin te rillen, nu eens niet door het gebrek aan eten opgevangen door sigaretten of door een overload aan drank. Een tekst die ik kan opdreunen, de steeds feller wordende drum, de gitaarlagen die worden opgestapeld, de distortion in het mantra uit het linkerkanaal. En die tekst. Die tekst. Mijn ogen worden vochtig. Tegen dit nummer ben ik niet bestand. Ik voel een hand op mijn rug. Ik bied geen weerstand.
Suds & Soda sluit af. Dat was te verwachten maar daarom niet slecht. De passief gevulde zaal verandert in een bewegende massa, handen gaan de lucht in, meeschreeuwend met het nummer verdrijf ik mijn gedachten. Of verdrijven, uitdrijven is een betere benaming. Na het nummer gaan de lichten aan en ik schud nog twee handen. Heb ik eigenlijk nog wat gezegd? Goed concert, dat waarschijnlijk. Geen Sister Dew, geen Magdalena. Nummers waar ik ooit om zes uur ’s morgens een discussie van een uur over voerde door de telefoon. Weer een glimlach. Zoete herinneringen. Ik begin oud te worden.
In de bovenzaal is een afterparty en ik vind mezelf terug aan een ronde tafel gevuld met bier en jeugd. Zo oud ben ik dan toch ook weer niet. Het niet gele shirt meldt zich netjes af, ik vang iets op over een terugreis. Whatever. Ik vermaak me wel. Dit word een fijne nacht. Strakke housebeats vullen de bovenzaal, vullen mijn oren, dreunen langzaam maar zeker de concertklanken uit mijn hoofd. Dreunen haar uit mijn hoofd. Ik heb een hekel aan house maar soms is het wel erg prettige muziek, of muziek, laten we het geluid noemen. Niet geheel onterecht geassocieerd met leeghoofdigheid.
Ik speur de dansvloer af. Waar is mijn blikvanger van vanavond? Een meisje met zwarte veterlaarzen tot aan haar knieën gaat volledig los. Van binnen dan, ze is niet van deze wereld. Wat zou zij allemaal uit haar hoofd aan het verwijderen zijn? Dans maar. Vlucht maar. Gooi het er maar uit. Bad Timing verdringt de housedreun in mijn hoofd. Ik steek een sigaret op en geniet. Waar rook is, is vuur.
Bezoek aan het rondje maakt me wakker. Of ik een vuurtje heb. Ik geef Nike één van mijn aanstekers en een zoete wietlucht verspreidt zich. Hoe laat moet ik er morgen eigenlijk uit? Oeps. Ik leeg de overgebleven glazen en bestel op weg naar buiten nog een colaatje voor onderweg. Suiker is nu wel even nodig. Fietsend over een verlaten Spaklerweg schieten mijn gedachten alweer naar de volgende dag. Arbeid adelt. Ik moet voortaan vrij nemen na een concert, laat ik sowieso eens vrij gaan nemen. Leef niet om te werken. Inderdaad. Ik werk om niet te leven. Het zijn dezelfde woorden.
09 June 2005
Part 2
De opening. Prelude 3. Van tape. Kippenvel op de discman. Now it’s over.
Terug van de wc na het voorprogramma. Ik ontwijk borstloos veertien jaar. Of dertien, dat kan ook. Moeilijk te schatten, de huidige jeugd. Avril Lavigne imitaties. Zwaar opgemaakte ogen. Zwart, veel zwarte make-up. Mobieltjes, natuurlijk. Jongetjes van twaalf, mannen van veertig. En alles daartussenin. Lelijk, de enige overeenkomst. Eerder maakte ik dit mee bij een optreden van The Offspring, medio jaren negentig. Tot aan mijn knieën in de kinderen. Wat doe ik hier?
Blote schouders, lichtbruine huid, zwarte beha-bandjes. Alweer. Een tatoeage op haar rechterschouderblad, de linker kaal. Ik zoen haar schouder. Knikje van de barkeeper naar het bijbehorende hoofd. Hij is ongevaarlijk. Ze praat verder alsof ik niet besta. Kinderen en dronkaards vertellen de waarheid. Een dag later hoor ik mijn waarheid.
Een kuthaar is sterker dan tien paarden.
Rechtsaf meteen het trappetje op. Een schaterlach vanachter de bar. Ik hier? Een groot bier.
"Die is van mij."
De spaghettibandjes vervangen door mouwen. Het topje door een oversized zwart shirt. Zou ze aangekomen zijn?
"Twee studies al. Ik heb geen zin in een normale baan. En jij nog steeds …?"
Ja.
Manipulatief gedrag om de pooiers tevreden stellen. Zakken vullen door mensen geld af te troggelen. Telefoontechnieken zijn niets meer dan flirttechnieken. Wanneer er vragen komen over de kostenstructuur van het niet te missen product verwijs ik ze naar de kleine lettertjes in de financiële bijsluiter. Ondoorgrondelijke taal. Einde discussie. De omschakeling naar het jezelf zijn na een dag gedane arbeid. De schaamte wegdrinken. Geen geflirt. Niet meer.
Communiceert moeilijk. Dat deden we op de zondagavonden beter. Het einde van mijn horecawerkweek. Maandag en dinsdag weekend, woensdag tot en met zondag werken. Waarom ben ik ook alweer naar de fabriek gegaan? Zondagnacht, één uur klaar, Snuif bellen, half twee bij de spaghettibandjes aan de bar. Een hok met een rechthoekige bar in het midden.
"Biertje en een jägermeister."
Weekend vieren. Zeven dagen later weer. En weer. Regelmaat is goed voor de mens. Vier uur sluitingstijd.
Totaalvoetbal? Ik ken de spelregels niet. Go is eenvoudiger.
Ergens bij willen horen. De zelfverkozen hokjesgeest. Een hokje is veilig. Een eigen subcultuur is veilig. Je gaat in een hokje zitten. In het begin is het een leuk hokje. Aangenaam. Nieuw, dat is altijd interessant. Totdat de interesse verflauwt en verdwijnt. De mensen je vervelen. Daar zit je dan in je hokje. Je gaat het hokje uit, opzoek naar een ander hokje. Daar zit je ook een tijdje, wetend dat de geschiedenis zich herhaalt.
De eerste keer zo lang mogelijk uitstellen.
Wanneer je na je eerste biertje naar de wc gaat blijf je de hele avond lopen. Drukte in de hal en op de trappen. Ja knulletjes, dit is hard. Schoolfeest. Ik steek mijn hoofd onder de koude straal water. Piepende oren. Nu al. Het intro van Vermilion dringt door. Kut.
"Waarom schrijf je wel over haar en niet over mij?"
Jij kwam klaar.
Het is een brij van geluid. Valt deze chaos wel te mixen? Dan was Whitehouse lekkerder. Acht muzikanten. Neubauten en Cave doen het zuiver. Transparante geluidsmuren. Hier is alle nuance zoek. Doet me denken aan Fishbone. Teveel mensen, teveel ideeën. Het is een pose. Goed uitgevoerd. De jeugd krijgt wat ze wil. Maskers. Vuisten in de lucht. Springen op de maat. Een pit tot halverwege de zaal. Een zaal die uit zijn dak gaat is niet per definitie een goed concert. Staat Slipknot al onder een playstation? Gorillaz verkochten er dertig miljoen albums door.
Vriendje doet moeilijk. Met meisjes mag je uit, dat is geen probleem. Je mag ermee naar bed, ook geen probleem. Maar een man is gevaarlijk. Penetratiegevaar. Gevaarlijker. Het belachelijke van jullie levenswijze wordt blootgelegd. Voor het eerst dat ik als bedreigend word ervaren. Ik ben een bedreigde diersoort.
De oude nummers klinken beduidend beter. Strakker ook. Rick Rubin heeft het weer geflikt. Vol 3 is een producersplaat. Vind ik St. Anger daarom ook zo goed? Aan elkaar geknipt en geplakt in de studio. Duality wordt afgeraffeld. De piano hebben ze er maar helemaal uitgehaald.
"Een groot bier. Hebben jullie jägermeister hier?"
Halverwege de toegift vind ik het genoeg. Een laatste bezoek aan het witte porselein. Sluitingstijd bestaat niet.
Er is maar één tijd. Tijd om te gaan.
Terug van de wc na het voorprogramma. Ik ontwijk borstloos veertien jaar. Of dertien, dat kan ook. Moeilijk te schatten, de huidige jeugd. Avril Lavigne imitaties. Zwaar opgemaakte ogen. Zwart, veel zwarte make-up. Mobieltjes, natuurlijk. Jongetjes van twaalf, mannen van veertig. En alles daartussenin. Lelijk, de enige overeenkomst. Eerder maakte ik dit mee bij een optreden van The Offspring, medio jaren negentig. Tot aan mijn knieën in de kinderen. Wat doe ik hier?
Blote schouders, lichtbruine huid, zwarte beha-bandjes. Alweer. Een tatoeage op haar rechterschouderblad, de linker kaal. Ik zoen haar schouder. Knikje van de barkeeper naar het bijbehorende hoofd. Hij is ongevaarlijk. Ze praat verder alsof ik niet besta. Kinderen en dronkaards vertellen de waarheid. Een dag later hoor ik mijn waarheid.
Een kuthaar is sterker dan tien paarden.
Rechtsaf meteen het trappetje op. Een schaterlach vanachter de bar. Ik hier? Een groot bier.
"Die is van mij."
De spaghettibandjes vervangen door mouwen. Het topje door een oversized zwart shirt. Zou ze aangekomen zijn?
"Twee studies al. Ik heb geen zin in een normale baan. En jij nog steeds …?"
Ja.
Manipulatief gedrag om de pooiers tevreden stellen. Zakken vullen door mensen geld af te troggelen. Telefoontechnieken zijn niets meer dan flirttechnieken. Wanneer er vragen komen over de kostenstructuur van het niet te missen product verwijs ik ze naar de kleine lettertjes in de financiële bijsluiter. Ondoorgrondelijke taal. Einde discussie. De omschakeling naar het jezelf zijn na een dag gedane arbeid. De schaamte wegdrinken. Geen geflirt. Niet meer.
Communiceert moeilijk. Dat deden we op de zondagavonden beter. Het einde van mijn horecawerkweek. Maandag en dinsdag weekend, woensdag tot en met zondag werken. Waarom ben ik ook alweer naar de fabriek gegaan? Zondagnacht, één uur klaar, Snuif bellen, half twee bij de spaghettibandjes aan de bar. Een hok met een rechthoekige bar in het midden.
"Biertje en een jägermeister."
Weekend vieren. Zeven dagen later weer. En weer. Regelmaat is goed voor de mens. Vier uur sluitingstijd.
Totaalvoetbal? Ik ken de spelregels niet. Go is eenvoudiger.
Ergens bij willen horen. De zelfverkozen hokjesgeest. Een hokje is veilig. Een eigen subcultuur is veilig. Je gaat in een hokje zitten. In het begin is het een leuk hokje. Aangenaam. Nieuw, dat is altijd interessant. Totdat de interesse verflauwt en verdwijnt. De mensen je vervelen. Daar zit je dan in je hokje. Je gaat het hokje uit, opzoek naar een ander hokje. Daar zit je ook een tijdje, wetend dat de geschiedenis zich herhaalt.
De eerste keer zo lang mogelijk uitstellen.
Wanneer je na je eerste biertje naar de wc gaat blijf je de hele avond lopen. Drukte in de hal en op de trappen. Ja knulletjes, dit is hard. Schoolfeest. Ik steek mijn hoofd onder de koude straal water. Piepende oren. Nu al. Het intro van Vermilion dringt door. Kut.
"Waarom schrijf je wel over haar en niet over mij?"
Jij kwam klaar.
Het is een brij van geluid. Valt deze chaos wel te mixen? Dan was Whitehouse lekkerder. Acht muzikanten. Neubauten en Cave doen het zuiver. Transparante geluidsmuren. Hier is alle nuance zoek. Doet me denken aan Fishbone. Teveel mensen, teveel ideeën. Het is een pose. Goed uitgevoerd. De jeugd krijgt wat ze wil. Maskers. Vuisten in de lucht. Springen op de maat. Een pit tot halverwege de zaal. Een zaal die uit zijn dak gaat is niet per definitie een goed concert. Staat Slipknot al onder een playstation? Gorillaz verkochten er dertig miljoen albums door.
Vriendje doet moeilijk. Met meisjes mag je uit, dat is geen probleem. Je mag ermee naar bed, ook geen probleem. Maar een man is gevaarlijk. Penetratiegevaar. Gevaarlijker. Het belachelijke van jullie levenswijze wordt blootgelegd. Voor het eerst dat ik als bedreigend word ervaren. Ik ben een bedreigde diersoort.
De oude nummers klinken beduidend beter. Strakker ook. Rick Rubin heeft het weer geflikt. Vol 3 is een producersplaat. Vind ik St. Anger daarom ook zo goed? Aan elkaar geknipt en geplakt in de studio. Duality wordt afgeraffeld. De piano hebben ze er maar helemaal uitgehaald.
"Een groot bier. Hebben jullie jägermeister hier?"
Halverwege de toegift vind ik het genoeg. Een laatste bezoek aan het witte porselein. Sluitingstijd bestaat niet.
Er is maar één tijd. Tijd om te gaan.
07 June 2005
W-Mode
Om zes uur begint het festival, voor ons begint het om halfacht met New Order. Chrystal, tien minuten lang, de opening. Boem. Die zit. Gedreven, fanatiek, net niet gelikt genoeg om mainstream te worden, wel dermate dichtgesynthesizerd om de underground te ontlopen. De onvermijdelijke bassound van Peter Hook haalt het begin van de jaren tachtig terug. Barney Summer zingt nog steeds tegen het valse aan, ook dat hoort erbij. Vierde nummer. Dat intro. Ik brul meteen: "Transmission!" Geen schaamte meer voor vroeger. Onlosmakelijk verbonden met het Joy Division verleden, speel die nummers dan ook. Waarvan akte. Meteen een hoogtepunt in de set. Vlekkeloos uitgevoerd. Donker en dreigend. En wat heeft Barney met zijn stem gedaan? Later in set wagen ze zich zelfs aan Love will tear us apart. Swingend, het terrein komt tot leven, er wordt gedanst. Ik zit met de Nouvelle Vague versie in mijn hoofd en zie opwaaiende jurkjes van op blote voeten dansende meisjes.True Faith, Temptation en Blue Monday sluiten af. Extase. Nu al. En we moeten nog vier dagen.
We verkassen naar de tent. Roisin Murphy, vorig jaar nog met Moloko, nu al solo. Nieuw neukertje, nieuwe band. Meer jazzy, zwoeler dan haar vorige werkgever. Minder dansbaar. Geile zomeravond muziek. Quote: "Ze heeft helemaal geen tieten." Precies.
We blijven bij de tent. Op het hoofdpodium komt een neger, daarover straks meer. We wachten op Kraftwerk. Pioniers der elektronica, de opa's van de computermuziek. Hoe gaan ze hun muziek live vertalen? Goed. Verschrikkelijk goed zelfs. Beeld en muziek zijn één, vullen elkaar naadloos aan. De beelden heb je ook wel nodig, de heren van Kraftwerk staan stokstijf achter hun beeldschermpjes en bewegen af en toe lichtjes met een muis. De heer links roept soms wat in een microfoon. Maar wat ze met die muis doen. Geniaal. Kale elektroritmes, monotoon in het begin, repeterend en steeds genuanceerder en verfijnder naar het eind. Autobahn, Das Model, T.E.E. en Tour de France, ze komen allemaal voorbij. Derde plaats.
Ronduit slecht. Pornopedo Snoop Dogg. Hiphop hoort hier niet. Het heet hier Rock Werchter, geen Hiphop Werchter. Oke, Ice-T met Bodycount mogen ze nog wel een keer neerzetten maar deze bagger bewaren ze maar voor hun eigen ghetto. Go back where you belong. En gezien de nullen op hun bankrekening is dat allang niet meer in de ghetto. Meneer Dogg was drukker bezig met zijn afterparty dan met zijn optreden. Dertig Belgische meisjes mochten mee. Na voldoende te zijn gekeurd natuurlijk. Binnenkort op video via KaZaA verkrijgbaar. Genoeg kelders in dit land.
Slotact op dag één. Chemical Brothers. De enige nog ter zake doende dansact. Soms bombastisch, dat mag op een festival. De trits Hey boy, Hey girl, Block rockin' beats en de supersingle Galvinize brengen alles en iedereen in beweging. Ook de wolken, die beginnen mee te botsen. Believe slaat in als een bom, de wolken laten al hun water vallen. We drinken en dansen door tot de laatste tonen. Modder? Droogt wel weer. Nat tot op het bot bereiken we de tent.
De tweede dag verkiezen we het terrein bij de Pyramid, we mijden het hoofdpodium. Voordeel: bij het hoofdpodium staat geen grassprietje meer overeind, bij de Pyramid behoort in het gras liggen nog tot de mogelijkheden. Het gaat natuurlijk om de muziek, de Pyramid regelt. Sioen valt in voor The Kaiser Chiefs die Live8 verkozen boven Werchter wegens commercieel interessanter. Goed gedaan jongens. Ik zal jullie cd uit het café verwijderen. Eikels. Geen promotie van mijn kant meer. Sioen ken ik niet en verrast en overdondert. Indiepop met een viool. Indringend, bezwerend. Vijfde plaats en een plek op de cd-plank in het café.
De Dresden Dolls. Een theatrale White Stripes worden ze genoemd, ook Brechtian punk cabaret. Ze zien er theatraal uit maar maken gewoon muziek. Orgel en drums, af en toe een gitaar. In de Pyramid-tent volledig op hun plaats. Intense voordracht, juist door het kale van de muzikale begeleiding. En wat een strot. Deze vrouw, Amanda Palmer, kan echt zingen. Halverwege de set, na een cover van Black Sabbath's Warpigs loopt ze achter haar orgel vandaan en jaagt ze Jaques Brel's Amsterdam de tent in, slechts begeleid door een akoestische gitaar. De rillingen lopen over mijn lichaam. Verkocht. Dit is een Godin. Vierde plaats.
Na de Dolls nog een man/vrouw combi, The Kills. Garagerock met een drumcomputer. Opzwepend. En niet alleen door de muziek. Ik heb een nieuwe muze gevonden, Alison Mosshart. Mager, tietenloos, lange bos zwart piekhaar. Spijkerbroek, laarzen en leren jack uit de vorige eeuw. Waarschijnlijk loopt ze er sindsdien in. Ze beweegt tegen het spastische aan, kruipt op de boxen, valt met gitaar en al de versterker aan om daar uiteindelijk uitgeput en jankend te blijven liggen. Het trillen van haar lichaam bij de buiging na het optreden valt niet te faken. Een duivelin.
Elvis Costello moet opboksen tegen Greenday. De pretpunk van Greenday heeft me nooit geboeid en we blijven in de Pyramid. Volledige uptempo set, anders dan vorige week op Parkpop in de brandende zon. Leuk, goed en professioneel. De toegift, natuurlijk weer I want you. Twee lippen gaan richting mijn mond. Een festival is een vakantie. En op vakantie heb je een vakantievriendinnetje.
Faithless sluit af op het hoofdpodium. We laten ons meezeulen door collega's uit de fabriek die we tegen zijn gekomen. Wat mensen in Faithless zien is mij volstrekt onduidelijk. Faithless, de band van Dido's broertje Rollo, is niets. Helemaal niets. Zielloze muziek. Een rapper die niet kan rappen en een organiste, Zuster Bliss noemt ze zichzelf, op sleutelboard. Een themaatje uit de keyboard, een beat en wat pretentieus geneuzel (I can't get no sleep-vind je het gek als je zulke muziek maakt). Zuster Bliss is speciaal voor vandaag naar de kapper geweest (kekke haarpuntjes voor de oren langs) en ze heeft een wit glitterhemdje aangetrokken. Lieve zuster. Ik zit liever de hele nacht in een dixie opgesloten dan met jou in een hotelkamer. Capice? Nog beter. Ga maar mee de dixie in. And don't mention the S-word. God is a DJ. Wat een wijsheid. Ik zal je laten zien wie God is. Na een kwartier verlaten we het terrein en vallen aan op de halve kippen.
Ook slecht. Velvet Revolver. Voorheen Guns & Roses, nu zonder Oral Sex maar met Scott Weiland, voorheen zanger van The Stone Temple Pilots. Ik ben nooit een fan van Guns & Roses geweest. The Stone Temple Pilots waren een aardig grungebandje, ze opereerden in de schaduw van Alice in Chains. Wekelijks draai ik hun Sex Type Thing in het café. Het is meteen het minst slechte nummer dat ze spelen. Dit is cockrock van de slechtste soort. Veel cock, geen rock. Het record Motherfokker roepen nemen ze mee. Tot nooit meer ziens jongens. Goede tweede in het Motherfokkerklassement is overigens Audioslave. Chris Cornell heeft eerder die dag zijn longen leeggeschreeuwd op Live8 dus wij zitten met een hese Cornell. Ook hier doet het oude werk het aardig. Ze spelen wat Soundgardennummers en het onvermijdelijke Killing in the name off van Rage against the machine. Juist daardoor wordt de zwakte van het eigen songmateriaal blootgelegd. Cornell is één van de beste rockzangers van het afgelopen decennium maar dan moet ie geen twee optredens per dag gaan doen.
Therapy? opent de derde dag, we zijn vroeg opgestaan en staan bijna vooraan. Na het eerste nummer trekt Cairns een blikje Stella open. Hm. "Biertje?" Ik heb ze vaker beschreven, ze zijn altijd goed. Vrolijke Ieren met zware liedjes. We zijn wakker. Na Therapy? speelt Pennywise, een soort Greenday maar dan van de underground. Meer richting The Ramones. Aardig. Na een half uur heb ik het wel gezien en we verkassen weer naar de Pyramid voor The Dears. Indiepop uit de mosterdpot van Interpol maar dan Canadees. Minder uptempo. Goede band. Goede plaat. Goed optreden. Mooie organiste. Helaas stond ze te ver voor een knappe foto.
Interpol laten we voor wat het is, ik heb gekozen voor het hoofdpodium met Nine Inch Nails en Rammstein. Achteraf gezien terecht. Interpol blijkt zijn set te hebben ingekort en bezit in de bassist een groepslid die achter de coulissen zijn partijen inspeelt, in de nabijheid van een emmer. Ook aan de halve kippen gezeten?
Nine Inch Nails. Swans' Sex, God, Sex klinkt als inloopmuziek uit de boxen. Fokkit! Dit is een voorteken. Na twee nummers voel ik het aankomen en ik wurm me door de mensenmassa naar voren. Trent Reznor ziet er redelijk aantoonbaar uit, hij begint lichamelijk zelfs op Sylvester Stallone te lijken. Afgekickte Amerikanen storten zich volledig op de sportschool. Gelukkig gaat het bij Reznor niet ten koste van zijn talenten. Ook heeft hij zijn ziel niet in de sportschool laten liggen. Wish, March of the pigs, hij overdondert het publiek en slaat iedereen lam. Hard en meedogenloos. Twee rustpunten. Bij Something I can never have komen de tranen, na Hurt, solo gespeeld, waarbij Reznor zichzelf minimaal begeleid op keyboard, kunnen ze me opvegen. Hij sluit af met Head like a hole en blaast daarmee Rammstein van het podium. Buck dich jongetjes, Oom Trent zal jullie wat respect bijbrengen. Absoluut hoogtepunt.
Dan Rammstein. We staan erbij en kijken ernaar. Gevangenen in de machine van hun eigen show. Veel vuur, maar dan letterlijk, niet uit de boxen, wat toch een essentieel onderdeel is van een optreden. Routineus. Ons drie dagen geoefende "Dein Gesicht interessiert mich nicht" blijft achterwege. Hun muziek zal ik thuis blijven draaien. Voor een optreden adviseer ik de dvd van de vorige tournee.
De laatste dag, de zondag, hangen we traditioneel bij het hoofdpodium. De zon is gaan schijnen, het is zelfs warm. Krantje lezen, beetje shoppen, wachten op het geweld van de avond. Soulwax zet een goede maar onbegrepen set neer, net zo onbegrepen als hun laatste plaat. Het Aziatische vriendinnetje van de zanger zingt ook een moppie mee in NY Excuse. Hé, dit is net de LCD Soundsystem. Vriendinnetje zit namelijk in die band. Programmeer hen dan ook, Meneer Schueremans! Groeibriljantje. LCD Soundsystem dan.
God is a DJ? Nee. God draagt een gitaar, heet Josh Homme en noemt zijn band Queens of the Stone Age. Vanaf de eerste tonen retestrakke rock zoals rock moet klinken. Stoner noemen ze dit. Whatever. Josh Homme c.s. spelen alles wat zich rockband noemt naar huis. Dag cockrockers, dag zakkenvullers, dag pretpunkers. Josh Homme komt om te spelen. Dat vindt hij leuk en dat doet hij dus ook. Nick Olivieri wordt niet gemist, evenmin als Mark Lanegan (hoe jammer ik het ook vind dat Lanegan er niet bij is). Zonder een seconde rust jaagt Homme de setlist er doorheen, van opener Go with the flow (nu al?) tot afsluiter No one knows. Strakker dan een sluitspier. Tweede plaats.
REM sluit af. We wachten op de regen. Wanneer REM op Werchter speelt regent het namelijk altijd. REM wint de prijs voor het mooiste decor. Verder gedegen set met de hits vooraan om de voortijdige verlaters tegen te houden. Het blijft droog. Het is gewoon warm. De lichtbalk waarschuwt voor zware regenval na middernacht. Even doorspelen dus jongens. Ze halen de regen niet. Zouden ze daarom It's the end of the world as we know it niet spelen?
Josh Homme is God. Trent Reznor is de Duivel. Amanda Palmer is een Godin en Alison Mosshart een Duivelin. Sex, God, Sex. Laat de orgie back stage maar beginnen. Toch maar een citaat van fucking Faithless. This is my church. Ik weet ondertussen waar mijn end of the world ligt. Goed dat ik geen condooms bij me had. Mag trouwens ook niet van de kerk.
We verkassen naar de tent. Roisin Murphy, vorig jaar nog met Moloko, nu al solo. Nieuw neukertje, nieuwe band. Meer jazzy, zwoeler dan haar vorige werkgever. Minder dansbaar. Geile zomeravond muziek. Quote: "Ze heeft helemaal geen tieten." Precies.
We blijven bij de tent. Op het hoofdpodium komt een neger, daarover straks meer. We wachten op Kraftwerk. Pioniers der elektronica, de opa's van de computermuziek. Hoe gaan ze hun muziek live vertalen? Goed. Verschrikkelijk goed zelfs. Beeld en muziek zijn één, vullen elkaar naadloos aan. De beelden heb je ook wel nodig, de heren van Kraftwerk staan stokstijf achter hun beeldschermpjes en bewegen af en toe lichtjes met een muis. De heer links roept soms wat in een microfoon. Maar wat ze met die muis doen. Geniaal. Kale elektroritmes, monotoon in het begin, repeterend en steeds genuanceerder en verfijnder naar het eind. Autobahn, Das Model, T.E.E. en Tour de France, ze komen allemaal voorbij. Derde plaats.
Ronduit slecht. Pornopedo Snoop Dogg. Hiphop hoort hier niet. Het heet hier Rock Werchter, geen Hiphop Werchter. Oke, Ice-T met Bodycount mogen ze nog wel een keer neerzetten maar deze bagger bewaren ze maar voor hun eigen ghetto. Go back where you belong. En gezien de nullen op hun bankrekening is dat allang niet meer in de ghetto. Meneer Dogg was drukker bezig met zijn afterparty dan met zijn optreden. Dertig Belgische meisjes mochten mee. Na voldoende te zijn gekeurd natuurlijk. Binnenkort op video via KaZaA verkrijgbaar. Genoeg kelders in dit land.
Slotact op dag één. Chemical Brothers. De enige nog ter zake doende dansact. Soms bombastisch, dat mag op een festival. De trits Hey boy, Hey girl, Block rockin' beats en de supersingle Galvinize brengen alles en iedereen in beweging. Ook de wolken, die beginnen mee te botsen. Believe slaat in als een bom, de wolken laten al hun water vallen. We drinken en dansen door tot de laatste tonen. Modder? Droogt wel weer. Nat tot op het bot bereiken we de tent.
De tweede dag verkiezen we het terrein bij de Pyramid, we mijden het hoofdpodium. Voordeel: bij het hoofdpodium staat geen grassprietje meer overeind, bij de Pyramid behoort in het gras liggen nog tot de mogelijkheden. Het gaat natuurlijk om de muziek, de Pyramid regelt. Sioen valt in voor The Kaiser Chiefs die Live8 verkozen boven Werchter wegens commercieel interessanter. Goed gedaan jongens. Ik zal jullie cd uit het café verwijderen. Eikels. Geen promotie van mijn kant meer. Sioen ken ik niet en verrast en overdondert. Indiepop met een viool. Indringend, bezwerend. Vijfde plaats en een plek op de cd-plank in het café.
De Dresden Dolls. Een theatrale White Stripes worden ze genoemd, ook Brechtian punk cabaret. Ze zien er theatraal uit maar maken gewoon muziek. Orgel en drums, af en toe een gitaar. In de Pyramid-tent volledig op hun plaats. Intense voordracht, juist door het kale van de muzikale begeleiding. En wat een strot. Deze vrouw, Amanda Palmer, kan echt zingen. Halverwege de set, na een cover van Black Sabbath's Warpigs loopt ze achter haar orgel vandaan en jaagt ze Jaques Brel's Amsterdam de tent in, slechts begeleid door een akoestische gitaar. De rillingen lopen over mijn lichaam. Verkocht. Dit is een Godin. Vierde plaats.
Na de Dolls nog een man/vrouw combi, The Kills. Garagerock met een drumcomputer. Opzwepend. En niet alleen door de muziek. Ik heb een nieuwe muze gevonden, Alison Mosshart. Mager, tietenloos, lange bos zwart piekhaar. Spijkerbroek, laarzen en leren jack uit de vorige eeuw. Waarschijnlijk loopt ze er sindsdien in. Ze beweegt tegen het spastische aan, kruipt op de boxen, valt met gitaar en al de versterker aan om daar uiteindelijk uitgeput en jankend te blijven liggen. Het trillen van haar lichaam bij de buiging na het optreden valt niet te faken. Een duivelin.
Elvis Costello moet opboksen tegen Greenday. De pretpunk van Greenday heeft me nooit geboeid en we blijven in de Pyramid. Volledige uptempo set, anders dan vorige week op Parkpop in de brandende zon. Leuk, goed en professioneel. De toegift, natuurlijk weer I want you. Twee lippen gaan richting mijn mond. Een festival is een vakantie. En op vakantie heb je een vakantievriendinnetje.
Faithless sluit af op het hoofdpodium. We laten ons meezeulen door collega's uit de fabriek die we tegen zijn gekomen. Wat mensen in Faithless zien is mij volstrekt onduidelijk. Faithless, de band van Dido's broertje Rollo, is niets. Helemaal niets. Zielloze muziek. Een rapper die niet kan rappen en een organiste, Zuster Bliss noemt ze zichzelf, op sleutelboard. Een themaatje uit de keyboard, een beat en wat pretentieus geneuzel (I can't get no sleep-vind je het gek als je zulke muziek maakt). Zuster Bliss is speciaal voor vandaag naar de kapper geweest (kekke haarpuntjes voor de oren langs) en ze heeft een wit glitterhemdje aangetrokken. Lieve zuster. Ik zit liever de hele nacht in een dixie opgesloten dan met jou in een hotelkamer. Capice? Nog beter. Ga maar mee de dixie in. And don't mention the S-word. God is a DJ. Wat een wijsheid. Ik zal je laten zien wie God is. Na een kwartier verlaten we het terrein en vallen aan op de halve kippen.
Ook slecht. Velvet Revolver. Voorheen Guns & Roses, nu zonder Oral Sex maar met Scott Weiland, voorheen zanger van The Stone Temple Pilots. Ik ben nooit een fan van Guns & Roses geweest. The Stone Temple Pilots waren een aardig grungebandje, ze opereerden in de schaduw van Alice in Chains. Wekelijks draai ik hun Sex Type Thing in het café. Het is meteen het minst slechte nummer dat ze spelen. Dit is cockrock van de slechtste soort. Veel cock, geen rock. Het record Motherfokker roepen nemen ze mee. Tot nooit meer ziens jongens. Goede tweede in het Motherfokkerklassement is overigens Audioslave. Chris Cornell heeft eerder die dag zijn longen leeggeschreeuwd op Live8 dus wij zitten met een hese Cornell. Ook hier doet het oude werk het aardig. Ze spelen wat Soundgardennummers en het onvermijdelijke Killing in the name off van Rage against the machine. Juist daardoor wordt de zwakte van het eigen songmateriaal blootgelegd. Cornell is één van de beste rockzangers van het afgelopen decennium maar dan moet ie geen twee optredens per dag gaan doen.
Therapy? opent de derde dag, we zijn vroeg opgestaan en staan bijna vooraan. Na het eerste nummer trekt Cairns een blikje Stella open. Hm. "Biertje?" Ik heb ze vaker beschreven, ze zijn altijd goed. Vrolijke Ieren met zware liedjes. We zijn wakker. Na Therapy? speelt Pennywise, een soort Greenday maar dan van de underground. Meer richting The Ramones. Aardig. Na een half uur heb ik het wel gezien en we verkassen weer naar de Pyramid voor The Dears. Indiepop uit de mosterdpot van Interpol maar dan Canadees. Minder uptempo. Goede band. Goede plaat. Goed optreden. Mooie organiste. Helaas stond ze te ver voor een knappe foto.
Interpol laten we voor wat het is, ik heb gekozen voor het hoofdpodium met Nine Inch Nails en Rammstein. Achteraf gezien terecht. Interpol blijkt zijn set te hebben ingekort en bezit in de bassist een groepslid die achter de coulissen zijn partijen inspeelt, in de nabijheid van een emmer. Ook aan de halve kippen gezeten?
Nine Inch Nails. Swans' Sex, God, Sex klinkt als inloopmuziek uit de boxen. Fokkit! Dit is een voorteken. Na twee nummers voel ik het aankomen en ik wurm me door de mensenmassa naar voren. Trent Reznor ziet er redelijk aantoonbaar uit, hij begint lichamelijk zelfs op Sylvester Stallone te lijken. Afgekickte Amerikanen storten zich volledig op de sportschool. Gelukkig gaat het bij Reznor niet ten koste van zijn talenten. Ook heeft hij zijn ziel niet in de sportschool laten liggen. Wish, March of the pigs, hij overdondert het publiek en slaat iedereen lam. Hard en meedogenloos. Twee rustpunten. Bij Something I can never have komen de tranen, na Hurt, solo gespeeld, waarbij Reznor zichzelf minimaal begeleid op keyboard, kunnen ze me opvegen. Hij sluit af met Head like a hole en blaast daarmee Rammstein van het podium. Buck dich jongetjes, Oom Trent zal jullie wat respect bijbrengen. Absoluut hoogtepunt.
Dan Rammstein. We staan erbij en kijken ernaar. Gevangenen in de machine van hun eigen show. Veel vuur, maar dan letterlijk, niet uit de boxen, wat toch een essentieel onderdeel is van een optreden. Routineus. Ons drie dagen geoefende "Dein Gesicht interessiert mich nicht" blijft achterwege. Hun muziek zal ik thuis blijven draaien. Voor een optreden adviseer ik de dvd van de vorige tournee.
De laatste dag, de zondag, hangen we traditioneel bij het hoofdpodium. De zon is gaan schijnen, het is zelfs warm. Krantje lezen, beetje shoppen, wachten op het geweld van de avond. Soulwax zet een goede maar onbegrepen set neer, net zo onbegrepen als hun laatste plaat. Het Aziatische vriendinnetje van de zanger zingt ook een moppie mee in NY Excuse. Hé, dit is net de LCD Soundsystem. Vriendinnetje zit namelijk in die band. Programmeer hen dan ook, Meneer Schueremans! Groeibriljantje. LCD Soundsystem dan.
God is a DJ? Nee. God draagt een gitaar, heet Josh Homme en noemt zijn band Queens of the Stone Age. Vanaf de eerste tonen retestrakke rock zoals rock moet klinken. Stoner noemen ze dit. Whatever. Josh Homme c.s. spelen alles wat zich rockband noemt naar huis. Dag cockrockers, dag zakkenvullers, dag pretpunkers. Josh Homme komt om te spelen. Dat vindt hij leuk en dat doet hij dus ook. Nick Olivieri wordt niet gemist, evenmin als Mark Lanegan (hoe jammer ik het ook vind dat Lanegan er niet bij is). Zonder een seconde rust jaagt Homme de setlist er doorheen, van opener Go with the flow (nu al?) tot afsluiter No one knows. Strakker dan een sluitspier. Tweede plaats.
REM sluit af. We wachten op de regen. Wanneer REM op Werchter speelt regent het namelijk altijd. REM wint de prijs voor het mooiste decor. Verder gedegen set met de hits vooraan om de voortijdige verlaters tegen te houden. Het blijft droog. Het is gewoon warm. De lichtbalk waarschuwt voor zware regenval na middernacht. Even doorspelen dus jongens. Ze halen de regen niet. Zouden ze daarom It's the end of the world as we know it niet spelen?
Josh Homme is God. Trent Reznor is de Duivel. Amanda Palmer is een Godin en Alison Mosshart een Duivelin. Sex, God, Sex. Laat de orgie back stage maar beginnen. Toch maar een citaat van fucking Faithless. This is my church. Ik weet ondertussen waar mijn end of the world ligt. Goed dat ik geen condooms bij me had. Mag trouwens ook niet van de kerk.
27 November 2004
Erika
Ondervoed en oververmoeid loop ik naar binnen. De alcohol van het afgelopen weekend zit nog in mijn bloed. November is een drukke maand. Teveel verplichtingen, teveel gedoe, te weinig eten en teveel drank en sigaretten. Je moet wat. De aldus ontstane roes is aangenaam. De roes is zelfverkozen en veilig. Niemand die me nu nog wat doet.
Het voorprogramma, Amplifier, begint veelbelovend. Muzikaal sterk trio dat een aardig muurtje geluid neerzet. Wisselingen in dynamiek, pathetisch. Ergens tussen Tool en Muse in. Jammer dat er ook gezongen wordt. Hetzelfde eigenlijk als bij The Black Keys. Voeg een dolgedraaide zanger toe en je hebt er een wereldband bij.
Ik ben vroeg. Het is nog rustig in de zaal. Qua mensen dan, de muziek dendert de zaal in. Hier wordt even een zaal opgewarmd. Met behulp van het barpersoneel warm ik mezelf ook op. Op het balkon staat twee keer volslank naast elkaar. Tweehonderd kilo op een halve vierkante meter. Prachtige koppen maar waarom zit er dan zo’n abominabel lichaam onder? Andersom gebeurt trouwens ook. Mooie lichamen totdat ze zich omdraaien en je jezelf in de prehistorie waant. Stevige stalen constructie. Toch de reden dat ik altijd in de zaal sta. Je weet maar nooit. En dichter bij de bar natuurlijk.
Schuin voor me staat de reden waarom God de spijkerbroek schiep. Ze draait zich om en zwaait naar me. Blijkt een vaste klant uit het café. Maar uit welk cafe ook alweer? Ik loop mijn horecacarriere na maar kom er niet uit. Nog maar een biertje halen dan.
Therapy? zelf is ook gereduceerd tot een trio. Zoals ze ooit zijn begonnen. Het wegvallen van de tweede gitarist legt wel de speltechnische beperkingen van Andy Cairns bloot. Af en toe speelt hij ronduit vals. Ze profileren zich tegenwoordig als garagerock bandje. Whatever. Je moet niet alles in een hokje willen stoppen. Het is geen punk, geen pop en al helemaal geen garagerock. Doempoppunk, zoiets. Gedreven, krachtig, zwaar en snel. Lekkere meezingrefreintjes, soms is het refrein niet meer dan één zin. Roodhaar schreeuwt ook mee. Eén arm in de lucht. Welcome to the church of noise.
Roodhaar is in de pauze met haar vriendinnetjes voor me komen staan. Ik sta altijd pal naast de P.A. hetgeen me vrijwaart van overlast door medebezoekers. De vriendinnetjes van Roodhaar zijn vergezeld van vriendjes, Roodhaar is het spreekwoordelijke derde wiel. Ze vertellen elkaar verhalen, Roodhaar hangt verveeld tegen de P.A. aan. Mijn glazen zijn alweer leeg. Ik vraag aan Roodhaar of ze mijn plaatsje wil vrij houden (hmm, zit hier geen songtekst in) en loop naar de bar om mezelf weer een uurloon lichter te maken. Bij terugkomst zie ik dat Roodhaar me niet heeft begrepen, ze heeft juist mijn plek ingenomen en het bijbehorende clubje is de hoek ingeschoven. Terwijl de vriendjes me nors aankijken wurm ik me achter hen langs, totdat ik weer achter Roodhaar sta. Roodhaar geeft zachtjes mee en neemt haar pose tegen de P.A. weer aan. Going nowhere.
Ze spelen veel nummers van de nieuwe plaat. Goed. Hoog tempo. Enthousiast. Alweer vrolijke muzikanten, alhoewel je bij Cairns nooit weet of hij nu dronken of vrolijk is. Of beide, dat kan natuurlijk ook.
Naarmate het optreden vordert, vorderen ook de bewegingen van Roodhaar. Ze gaat helemaal op in het concert. Langzaam maar zeker komt ze los, ze begint te bewegen, te dansen, te schreeuwen. Ze komt steeds meer naar achter toe, ik kan niet verder achteruit. Ik kan niet meer bewegen zonder haar aan te raken. Dat doe ik dan ook niet.
Het slotstuk van het optreden is ouderwets raggen. De vertrokken gitarist speelde ook cello en bij de vorige optredens was Diana, hun grootste hit maar het niet halend bij het orgineel van Hüsker Dü, vaste afsluiter. Nu geen cello en geen ballad. Het tempo gaat nog iets hoger en de zaal gaat uit zijn dak. With a face like this I won’t break any hearts.
Wanneer de lampen aangaan scheur ik de setlist van de P.A. De eerste trofee. In het licht kan ik eindelijk het gezicht van Roodhaar zien. De tweede trofee. Voor het eerst vind ik een piercing mooi. You just did. Ik steek mijn hand uit en vraag hoe ze heet. Na haar droogneuksessie is haar naam toch wel het minste dat ik mag weten. Nu moet ik alleen nog leren converseren. Een illusie rijker duik ik de nacht in. Morgen naar Nick Cave. Met Mex. Op naar de volgende illusie.
Het voorprogramma, Amplifier, begint veelbelovend. Muzikaal sterk trio dat een aardig muurtje geluid neerzet. Wisselingen in dynamiek, pathetisch. Ergens tussen Tool en Muse in. Jammer dat er ook gezongen wordt. Hetzelfde eigenlijk als bij The Black Keys. Voeg een dolgedraaide zanger toe en je hebt er een wereldband bij.
Ik ben vroeg. Het is nog rustig in de zaal. Qua mensen dan, de muziek dendert de zaal in. Hier wordt even een zaal opgewarmd. Met behulp van het barpersoneel warm ik mezelf ook op. Op het balkon staat twee keer volslank naast elkaar. Tweehonderd kilo op een halve vierkante meter. Prachtige koppen maar waarom zit er dan zo’n abominabel lichaam onder? Andersom gebeurt trouwens ook. Mooie lichamen totdat ze zich omdraaien en je jezelf in de prehistorie waant. Stevige stalen constructie. Toch de reden dat ik altijd in de zaal sta. Je weet maar nooit. En dichter bij de bar natuurlijk.
Schuin voor me staat de reden waarom God de spijkerbroek schiep. Ze draait zich om en zwaait naar me. Blijkt een vaste klant uit het café. Maar uit welk cafe ook alweer? Ik loop mijn horecacarriere na maar kom er niet uit. Nog maar een biertje halen dan.
Therapy? zelf is ook gereduceerd tot een trio. Zoals ze ooit zijn begonnen. Het wegvallen van de tweede gitarist legt wel de speltechnische beperkingen van Andy Cairns bloot. Af en toe speelt hij ronduit vals. Ze profileren zich tegenwoordig als garagerock bandje. Whatever. Je moet niet alles in een hokje willen stoppen. Het is geen punk, geen pop en al helemaal geen garagerock. Doempoppunk, zoiets. Gedreven, krachtig, zwaar en snel. Lekkere meezingrefreintjes, soms is het refrein niet meer dan één zin. Roodhaar schreeuwt ook mee. Eén arm in de lucht. Welcome to the church of noise.
Roodhaar is in de pauze met haar vriendinnetjes voor me komen staan. Ik sta altijd pal naast de P.A. hetgeen me vrijwaart van overlast door medebezoekers. De vriendinnetjes van Roodhaar zijn vergezeld van vriendjes, Roodhaar is het spreekwoordelijke derde wiel. Ze vertellen elkaar verhalen, Roodhaar hangt verveeld tegen de P.A. aan. Mijn glazen zijn alweer leeg. Ik vraag aan Roodhaar of ze mijn plaatsje wil vrij houden (hmm, zit hier geen songtekst in) en loop naar de bar om mezelf weer een uurloon lichter te maken. Bij terugkomst zie ik dat Roodhaar me niet heeft begrepen, ze heeft juist mijn plek ingenomen en het bijbehorende clubje is de hoek ingeschoven. Terwijl de vriendjes me nors aankijken wurm ik me achter hen langs, totdat ik weer achter Roodhaar sta. Roodhaar geeft zachtjes mee en neemt haar pose tegen de P.A. weer aan. Going nowhere.
Ze spelen veel nummers van de nieuwe plaat. Goed. Hoog tempo. Enthousiast. Alweer vrolijke muzikanten, alhoewel je bij Cairns nooit weet of hij nu dronken of vrolijk is. Of beide, dat kan natuurlijk ook.
Naarmate het optreden vordert, vorderen ook de bewegingen van Roodhaar. Ze gaat helemaal op in het concert. Langzaam maar zeker komt ze los, ze begint te bewegen, te dansen, te schreeuwen. Ze komt steeds meer naar achter toe, ik kan niet verder achteruit. Ik kan niet meer bewegen zonder haar aan te raken. Dat doe ik dan ook niet.
Het slotstuk van het optreden is ouderwets raggen. De vertrokken gitarist speelde ook cello en bij de vorige optredens was Diana, hun grootste hit maar het niet halend bij het orgineel van Hüsker Dü, vaste afsluiter. Nu geen cello en geen ballad. Het tempo gaat nog iets hoger en de zaal gaat uit zijn dak. With a face like this I won’t break any hearts.
Wanneer de lampen aangaan scheur ik de setlist van de P.A. De eerste trofee. In het licht kan ik eindelijk het gezicht van Roodhaar zien. De tweede trofee. Voor het eerst vind ik een piercing mooi. You just did. Ik steek mijn hand uit en vraag hoe ze heet. Na haar droogneuksessie is haar naam toch wel het minste dat ik mag weten. Nu moet ik alleen nog leren converseren. Een illusie rijker duik ik de nacht in. Morgen naar Nick Cave. Met Mex. Op naar de volgende illusie.
09 November 2004
Nachtbus
How fuckin’ old are NoMeansNo? Give it up grand dads. That’s great grand dad to you, fucker.
Een betere introductie is er niet. Ze zijn grijs en great, geen woord van gelogen. Doe mij zo’n grootvader. Ter promotie van een verzamel-cd, samengesteld door de fans, toeren ze voor de tweede keer dit jaar door Europa. Het is de enige cd van ze die ik niet bezit. Wat moet je met een verzamelaar als je alle andere cd's al hebt? Ze doen Amsterdam helaas niet aan dus er wordt afgereisd naar Haarlem.
Het Patronaat wordt verbouwd. De optredens vinden plaats in de oude fietsfabriek. Een bunker. Veel rood licht, een rode bar over de hele breedte van de zaal. De sfeer is die van een buurthuis. Gemoedelijk, niet het opgefokte van Amsterdam. Kleine, lelijke mensen. Blanke mensen. Het podium staat tegen de lange muur en is hooguit een halve meter hoog. Meteen bij binnenkomst van de zaal is de t-shirt verkoop. Het standje wordt bemand door de eerste en door de huidige gitarist. De eerste gitarist is na een tournee in de jaren tachtig aan een Nederlandse vrouw blijven hangen. Geen roadies, geen crew, ze doen alles zelf. Als ze quitte draaien zijn ze al blij, hier staan muzikanten, geen geldwolven.
Het geluid is slecht. In die zin zijn we verwend met de hoofdstedelijke popzalen. Voor 9 euri ga ik niet moeilijk doen. Ze zijn moe, het is het laatste optreden. De aanslag op de stembanden van Rob Wright is duidelijk hoorbaar. En toch gaan ze voluit, ze gaan altijd voluit. De grijnzende koppen. Altijd maar die grijnzende koppen. Optredens krijgen meerwaarde door muzikanten die zelf lol hebben in wat ze doen. NoMeansNo heeft zelf altijd lol. Dat slaat over op de zaal, je wordt blij van hun optredens. Paradoxaal met hun vrij harde muziek en zware songteksten. Voor mij zalvende songteksten. Een avondje NoMeansNo is voor mij een avondje psychotherapie. Je herkent, relativeert, heel even denk je dat je de antwoorden hebt. En toch nog blij naar buiten. Dat redden er niet veel.
Na het optreden blijven we hangen en aanschouwen het binnendruppelend danspubliek. Dat hebben ze dan weer overgenomen van het hoofdstedelijke. Dansnachten in het weekend zijn handel. Hier etaleert puberend Haarlem haar vlees. Goed vlees. Het komt wel goed met Nederland, denk je dan. Het blonde, glazenhalende meisje is opeens tien centimeter groter geworden. Volgende keer neem ik de digitale camera mee. De werkelijkheid is soms zo mooi, dat moet worden vastgelegd. Je kunt niet alles onthouden.
Voorbij de toiletten blijkt nog een inpandig cafeetje te zitten. Foto’s van artiesten die hier reeds optraden hangen aan de muur. We gaan tegenover een breeduit lachende Joss Stone zitten. Een al even gemoedelijke sfeer. Het voordeel van maar één zo’n tent in de stad is dat je geen keuze hebt. Je gaat gewoon naar het Patronaat. In Amsterdam verzand je vaak in het aanbod. Er is teveel. We willen zo graag kunnen kiezen maar het is een stuk makkelijker niet te hoeven kiezen. Dan kun je jezelf ook nooit verwijten de verkeerde keuze te hebben gemaakt. We drinken rustig onze biertjes en bespreken onze levens. Een enorme rust daalt over me neer. Ik wil hier de hele nacht blijven zitten. Zal ik hier dan maar gaan wonen?
Halverwege de nacht lopen we toch maar naar het station. Op weg naar de nachtbus die ons terugbrengt naar de werkelijkheid. De werkelijkheid van het café waar ik zelf in de weekenden werk. Vaste klanten kijken lichtelijk verbaasd op als ze me aan de bar zien zitten. Ze kennen me alleen van de andere kant van de bar. Ik ben vrolijk en zeg iedereen gedag, ook degenen die ik niet ken. Met de hele club die aan de bar zit gaan we aan de jutter. Was ik aan de andere kant van de bar ook maar zo vrolijk, dan zou het nog een leuk café kunnen worden. Trad NoMeansNo maar elke week op. Dan zou ik nog een leuk leven kunnen hebben.
Een betere introductie is er niet. Ze zijn grijs en great, geen woord van gelogen. Doe mij zo’n grootvader. Ter promotie van een verzamel-cd, samengesteld door de fans, toeren ze voor de tweede keer dit jaar door Europa. Het is de enige cd van ze die ik niet bezit. Wat moet je met een verzamelaar als je alle andere cd's al hebt? Ze doen Amsterdam helaas niet aan dus er wordt afgereisd naar Haarlem.
Het Patronaat wordt verbouwd. De optredens vinden plaats in de oude fietsfabriek. Een bunker. Veel rood licht, een rode bar over de hele breedte van de zaal. De sfeer is die van een buurthuis. Gemoedelijk, niet het opgefokte van Amsterdam. Kleine, lelijke mensen. Blanke mensen. Het podium staat tegen de lange muur en is hooguit een halve meter hoog. Meteen bij binnenkomst van de zaal is de t-shirt verkoop. Het standje wordt bemand door de eerste en door de huidige gitarist. De eerste gitarist is na een tournee in de jaren tachtig aan een Nederlandse vrouw blijven hangen. Geen roadies, geen crew, ze doen alles zelf. Als ze quitte draaien zijn ze al blij, hier staan muzikanten, geen geldwolven.
Het geluid is slecht. In die zin zijn we verwend met de hoofdstedelijke popzalen. Voor 9 euri ga ik niet moeilijk doen. Ze zijn moe, het is het laatste optreden. De aanslag op de stembanden van Rob Wright is duidelijk hoorbaar. En toch gaan ze voluit, ze gaan altijd voluit. De grijnzende koppen. Altijd maar die grijnzende koppen. Optredens krijgen meerwaarde door muzikanten die zelf lol hebben in wat ze doen. NoMeansNo heeft zelf altijd lol. Dat slaat over op de zaal, je wordt blij van hun optredens. Paradoxaal met hun vrij harde muziek en zware songteksten. Voor mij zalvende songteksten. Een avondje NoMeansNo is voor mij een avondje psychotherapie. Je herkent, relativeert, heel even denk je dat je de antwoorden hebt. En toch nog blij naar buiten. Dat redden er niet veel.
Na het optreden blijven we hangen en aanschouwen het binnendruppelend danspubliek. Dat hebben ze dan weer overgenomen van het hoofdstedelijke. Dansnachten in het weekend zijn handel. Hier etaleert puberend Haarlem haar vlees. Goed vlees. Het komt wel goed met Nederland, denk je dan. Het blonde, glazenhalende meisje is opeens tien centimeter groter geworden. Volgende keer neem ik de digitale camera mee. De werkelijkheid is soms zo mooi, dat moet worden vastgelegd. Je kunt niet alles onthouden.
Voorbij de toiletten blijkt nog een inpandig cafeetje te zitten. Foto’s van artiesten die hier reeds optraden hangen aan de muur. We gaan tegenover een breeduit lachende Joss Stone zitten. Een al even gemoedelijke sfeer. Het voordeel van maar één zo’n tent in de stad is dat je geen keuze hebt. Je gaat gewoon naar het Patronaat. In Amsterdam verzand je vaak in het aanbod. Er is teveel. We willen zo graag kunnen kiezen maar het is een stuk makkelijker niet te hoeven kiezen. Dan kun je jezelf ook nooit verwijten de verkeerde keuze te hebben gemaakt. We drinken rustig onze biertjes en bespreken onze levens. Een enorme rust daalt over me neer. Ik wil hier de hele nacht blijven zitten. Zal ik hier dan maar gaan wonen?
Halverwege de nacht lopen we toch maar naar het station. Op weg naar de nachtbus die ons terugbrengt naar de werkelijkheid. De werkelijkheid van het café waar ik zelf in de weekenden werk. Vaste klanten kijken lichtelijk verbaasd op als ze me aan de bar zien zitten. Ze kennen me alleen van de andere kant van de bar. Ik ben vrolijk en zeg iedereen gedag, ook degenen die ik niet ken. Met de hele club die aan de bar zit gaan we aan de jutter. Was ik aan de andere kant van de bar ook maar zo vrolijk, dan zou het nog een leuk café kunnen worden. Trad NoMeansNo maar elke week op. Dan zou ik nog een leuk leven kunnen hebben.
Subscribe to:
Posts (Atom)

