11 April 2006
Verhaal
Een verhaal op commando is moeilijk. Te schrijven of te vertellen. Veel verhalen, maar of ze het waard zijn te vertellen weet ik niet. Wat vorige week leuk was is nu al weer over. Wat een half jaar geleden leuk was gaat nooit meer over.
Tegenover je zitten zou makkelijker zijn. Je gezicht vertelt of het verhaal moet doorgaan of een wending moet nemen. Of moet stoppen. De interactie van communicatie. Je geeft aan, je vult aan. Je raakt aan.
Wanneer je weet van de problemen van de ander, de strijd van de ander, dan lijken je eigen verhalen zo niet - belangrijk. Wat is er interessant aan wat ik vertel wanneer ik weet wat er zich in je hoofd afspeelt? Aan wat er zich in je baarmoeder niet - afspeelt?
Of het goed gaat? Wat is goed is altijd mijn tegenvraag. Ik heb het druk, weinig tijd om te denken. Ik heb gekozen voor deze levenswijze, mijn manier om te vluchten. Wanneer ik ga denken gaat het fout. Ik kan maar beter bezig zijn.
Het is stil aan het worden. De wereld wordt kleiner en kleiner, zoals ik ook schreef op mijn eigen log. Wekenlang begon elk stuk dat ik wilde schrijven met die zin. Gevolgd door eenzaamheid, narcistisch geleuter en misplaatste jaloezie. In mijn nieuwe stukken val ik steeds vaker in herhaling, andere woordkeuze en zinsopbouw, hetzelfde verhaal. Ik denk steeds vaker dat ik alles heb gezegd. Mijn wereldbeeld is duidelijk. Mijn zelfbeeld ook. Daar heeft het schrijven aan meegeholpen. Zet het maar op papier en lees je eigen woorden. Ja, het klopt wel wat er staat. Jij - jullie - hebben daar ook aan meegeholpen. De spiegel. Weerkaatsing.
Een stukje lifelog dan maar? Het werk gaat goed, ik ben een van de steunpilaren van het team, lig goed bij het management. Stervensdruk maar so what. Ik vind werken leuk. Communicatietrainingen gedaan. Het zijn spelletjes, dat wist ik al maar nu ken ik ook de spelregels. Ik pas me aan en speel het spelletje mee. Goed vol te houden gedurende de acht uur betaalde arbeid, daarna moet ik heel snel weg. Vraagtechnieken, luistertechnieken. Het even - tot - tien - tellen leerde ik in de kroeg al. Nu noemen ze het anders, het komt allemaal op hetzelfde neer. De ander laten uitrazen, begrip tonen, meebewegen. Een fijn stukje zelfverloochening. Ik heb afgeleerd meteen vol in de tegenaanval te gaan. Mijn norse, ongeïnteresseerde blik werkte als een rode lap op de spreekwoordelijke stier. Zo lelijk zijn de meeste ook, anders was ik wel geïnteresseerd geweest. Mensen die ik leuk vind en ongelijk hebben, geef ik gelijk.
Het gaat goed, ik haal mijn pensioen er wel. Wil je daar je pensioen halen is een andere kwestie. Haal ik mijn pensioen? Heb ik wat te willen? Wanneer ik daar over nadenk draai ik alweer door. Ik moet regelmaat hebben, anders zou ik mijn bed niet meer uitkomen. Of niet meer achter de computer vandaan komen. Ik moet een reden hebben om op te staan en de deur uit te gaan. Het bedrag dat elke maand wordt gestort is een goede reden.
We zijn allemaal hoeren, we gebruiken andere lichaamsdelen maar het komt op hetzelfde neer.
Het café is minder. De sfeer is weg. Het broederschap is weg. Voorheen werd ik ernaar toe gezogen, nu is het ook werk geworden. Gewoon werk, een avondje een café runnen. U vraagt, ik draai. Ik draai op routine mijn avonden, flirt niet meer. Drink een stuk minder, dat ook. Onlosmakelijk met elkaar verbonden. De slet die een echte slet bleek te zijn, alleen mocht ik het niet zeggen. Zeg de waarheid en mensen worden kwaad. Ik deed het vroeger bij mijn ouders. Mijn vader nooit meer gezien, mijn moeder naar een inrichting. Wat woorden niet allemaal kunnen aanrichten. Schelden doet geen zeer leert elke kleuter wanneer hij of zij wordt gepest. Ik zeg niet dat ik slim ben, wel dat de rest dom is.
Ik dacht dat ik speciaal was, niemand is onvervangbaar. Iedereen zijn eigen agenda zonder inkijkfunctie. Mijn belang is niet het belang van de ander. Individuen, allemaal op zoek naar eigen gewin. Ik heb van het soleren een vak gemaakt, ik kan overleven. Maar overleven is geen leven.
Verhalen wil je horen. Je gaat ze horen. Met op de achtergrond het water van de ouderkerkerplas. Op commando. Het gaat nooit meer over.
Tegenover je zitten zou makkelijker zijn. Je gezicht vertelt of het verhaal moet doorgaan of een wending moet nemen. Of moet stoppen. De interactie van communicatie. Je geeft aan, je vult aan. Je raakt aan.
Wanneer je weet van de problemen van de ander, de strijd van de ander, dan lijken je eigen verhalen zo niet - belangrijk. Wat is er interessant aan wat ik vertel wanneer ik weet wat er zich in je hoofd afspeelt? Aan wat er zich in je baarmoeder niet - afspeelt?
Of het goed gaat? Wat is goed is altijd mijn tegenvraag. Ik heb het druk, weinig tijd om te denken. Ik heb gekozen voor deze levenswijze, mijn manier om te vluchten. Wanneer ik ga denken gaat het fout. Ik kan maar beter bezig zijn.
Het is stil aan het worden. De wereld wordt kleiner en kleiner, zoals ik ook schreef op mijn eigen log. Wekenlang begon elk stuk dat ik wilde schrijven met die zin. Gevolgd door eenzaamheid, narcistisch geleuter en misplaatste jaloezie. In mijn nieuwe stukken val ik steeds vaker in herhaling, andere woordkeuze en zinsopbouw, hetzelfde verhaal. Ik denk steeds vaker dat ik alles heb gezegd. Mijn wereldbeeld is duidelijk. Mijn zelfbeeld ook. Daar heeft het schrijven aan meegeholpen. Zet het maar op papier en lees je eigen woorden. Ja, het klopt wel wat er staat. Jij - jullie - hebben daar ook aan meegeholpen. De spiegel. Weerkaatsing.
Een stukje lifelog dan maar? Het werk gaat goed, ik ben een van de steunpilaren van het team, lig goed bij het management. Stervensdruk maar so what. Ik vind werken leuk. Communicatietrainingen gedaan. Het zijn spelletjes, dat wist ik al maar nu ken ik ook de spelregels. Ik pas me aan en speel het spelletje mee. Goed vol te houden gedurende de acht uur betaalde arbeid, daarna moet ik heel snel weg. Vraagtechnieken, luistertechnieken. Het even - tot - tien - tellen leerde ik in de kroeg al. Nu noemen ze het anders, het komt allemaal op hetzelfde neer. De ander laten uitrazen, begrip tonen, meebewegen. Een fijn stukje zelfverloochening. Ik heb afgeleerd meteen vol in de tegenaanval te gaan. Mijn norse, ongeïnteresseerde blik werkte als een rode lap op de spreekwoordelijke stier. Zo lelijk zijn de meeste ook, anders was ik wel geïnteresseerd geweest. Mensen die ik leuk vind en ongelijk hebben, geef ik gelijk.
Het gaat goed, ik haal mijn pensioen er wel. Wil je daar je pensioen halen is een andere kwestie. Haal ik mijn pensioen? Heb ik wat te willen? Wanneer ik daar over nadenk draai ik alweer door. Ik moet regelmaat hebben, anders zou ik mijn bed niet meer uitkomen. Of niet meer achter de computer vandaan komen. Ik moet een reden hebben om op te staan en de deur uit te gaan. Het bedrag dat elke maand wordt gestort is een goede reden.
We zijn allemaal hoeren, we gebruiken andere lichaamsdelen maar het komt op hetzelfde neer.
Het café is minder. De sfeer is weg. Het broederschap is weg. Voorheen werd ik ernaar toe gezogen, nu is het ook werk geworden. Gewoon werk, een avondje een café runnen. U vraagt, ik draai. Ik draai op routine mijn avonden, flirt niet meer. Drink een stuk minder, dat ook. Onlosmakelijk met elkaar verbonden. De slet die een echte slet bleek te zijn, alleen mocht ik het niet zeggen. Zeg de waarheid en mensen worden kwaad. Ik deed het vroeger bij mijn ouders. Mijn vader nooit meer gezien, mijn moeder naar een inrichting. Wat woorden niet allemaal kunnen aanrichten. Schelden doet geen zeer leert elke kleuter wanneer hij of zij wordt gepest. Ik zeg niet dat ik slim ben, wel dat de rest dom is.
Ik dacht dat ik speciaal was, niemand is onvervangbaar. Iedereen zijn eigen agenda zonder inkijkfunctie. Mijn belang is niet het belang van de ander. Individuen, allemaal op zoek naar eigen gewin. Ik heb van het soleren een vak gemaakt, ik kan overleven. Maar overleven is geen leven.
Verhalen wil je horen. Je gaat ze horen. Met op de achtergrond het water van de ouderkerkerplas. Op commando. Het gaat nooit meer over.
08 March 2006
Face it
De pony is weer helemaal in. Dus wat doen de vrouwen uit de grijze verzekeringsfabriek? Die laten hun haar knippen. Ze willen er net zo uitzien als hun dochtertjes. Het ontbreekt alleen nog maar aan gekleurde balletjes aan de vlechtjes. Meisje. Ze willen zo graag weer een meisje zijn. Laat je pony knippen en je ziet er uit als een meisje. Een lekker jong ding. Want dat wil je zo graag zijn. Toch? Verandering van spijs doet eten. Denk je dat hij het ziet, thuis? Heb je er al iets van gemerkt, thuis?
Hebben je tietjes er al iets van gemerkt? Vergeet ze niet te liften, het moet wel in verhouding zijn. Bij een jonge kop horen jonge tietjes, weet je. Denk ook aan de verpakking. Geen Undressed, dat is wel mooi maar mooi niet voor meisjes.
Jammer van al de uren die je onder de zonnebank hebt doorgebracht. Teveel uren. Dat is niet goed voor je huid. Je gerimpelde gezicht vloekt bij je pony. Die pony mag je dan wel jonger maken, de zonnebank heeft een averechts effect. Je kop wordt er alleen maar ouder door. En je sophisticated lippenstift past ook niet echt bij de groep die je probeert te imiteren. Want die gebruiken iets goedkopere. Sterker, niet iets goedkoper maar vaak nog gratis ook, ze jatten het gewoon bij de plaatselijke drogist.
Het geruite rokje dat je hebt aangetrokken, het staat je leuk. Merk je nu het belang van slanke benen? Van rechte kuiten? Merk je nu hoe belangrijk het is dat je benen geschoren zijn? Meisjes hebben geen haar op hun benen. Beter is natuurlijk je benen te bedekken. Geen zwarte panty, heel goed, hier hoort een gekleurde maillot onder. Denk wel goed om je schoeisel want wat je nu aan je voeten hebt is het weer net niet. Ga naar de meisjesafdeling, niet naar de volwassenen rekken. De maten zijn hetzelfde, dus dat is nooit een probleem. Probeer het maar, trek ze maar aan. Overwin je schaamte, zeg desnoods dat je dezelfde maat als je dochter hebt en dat de schoenen een cadeautje voor haar verjaardag zijn. Een beetje moeite doen hoort erbij, een beetje schaamte ook. En ach, dat schamen, volgens mij vind je dat stiekem ook wel lekker. Zie je ze kijken naar je? Voel je het?
Ik vind het wel handig, zo met die pony. Je haren hangen niet meer in de weg. Zal ik je jezelf weer meisje laten voelen? Kom maar. Weet je hoe meisjes tegenwoordig hun zakgeld verdienen? Hoe ze aan een extraatje komen? Vast wel, je leest ook kranten. De jeugd heeft het zwaar. Weinig geld en een hoog uitgavenpatroon. Houd je van breezer? Wil je een breezer verdienen? Kom maar even op je knieën voor me zitten. Maak me maar even blij. Dan laat ik je even voelen wat een meisje is. Want dat wil je toch zo graag? Een meisje zijn?
Hebben je tietjes er al iets van gemerkt? Vergeet ze niet te liften, het moet wel in verhouding zijn. Bij een jonge kop horen jonge tietjes, weet je. Denk ook aan de verpakking. Geen Undressed, dat is wel mooi maar mooi niet voor meisjes.
Jammer van al de uren die je onder de zonnebank hebt doorgebracht. Teveel uren. Dat is niet goed voor je huid. Je gerimpelde gezicht vloekt bij je pony. Die pony mag je dan wel jonger maken, de zonnebank heeft een averechts effect. Je kop wordt er alleen maar ouder door. En je sophisticated lippenstift past ook niet echt bij de groep die je probeert te imiteren. Want die gebruiken iets goedkopere. Sterker, niet iets goedkoper maar vaak nog gratis ook, ze jatten het gewoon bij de plaatselijke drogist.
Het geruite rokje dat je hebt aangetrokken, het staat je leuk. Merk je nu het belang van slanke benen? Van rechte kuiten? Merk je nu hoe belangrijk het is dat je benen geschoren zijn? Meisjes hebben geen haar op hun benen. Beter is natuurlijk je benen te bedekken. Geen zwarte panty, heel goed, hier hoort een gekleurde maillot onder. Denk wel goed om je schoeisel want wat je nu aan je voeten hebt is het weer net niet. Ga naar de meisjesafdeling, niet naar de volwassenen rekken. De maten zijn hetzelfde, dus dat is nooit een probleem. Probeer het maar, trek ze maar aan. Overwin je schaamte, zeg desnoods dat je dezelfde maat als je dochter hebt en dat de schoenen een cadeautje voor haar verjaardag zijn. Een beetje moeite doen hoort erbij, een beetje schaamte ook. En ach, dat schamen, volgens mij vind je dat stiekem ook wel lekker. Zie je ze kijken naar je? Voel je het?
Ik vind het wel handig, zo met die pony. Je haren hangen niet meer in de weg. Zal ik je jezelf weer meisje laten voelen? Kom maar. Weet je hoe meisjes tegenwoordig hun zakgeld verdienen? Hoe ze aan een extraatje komen? Vast wel, je leest ook kranten. De jeugd heeft het zwaar. Weinig geld en een hoog uitgavenpatroon. Houd je van breezer? Wil je een breezer verdienen? Kom maar even op je knieën voor me zitten. Maak me maar even blij. Dan laat ik je even voelen wat een meisje is. Want dat wil je toch zo graag? Een meisje zijn?
04 March 2006
Rook
Ik ben vroeg binnen. Het is verbazingwekkend rustig. Misschien is de HMH te hoog gegrepen. Paradiso uitverkopen is wat anders dan vijfduizend man naar de Bijlmer lokken.
Ze heeft haar gele shirt niet aan. Toch herken ik haar meteen. Zo’n kop met haar zie je zelden meer. Ze doet me denken aan mijn eerste vriendinnetje. Van de achterkant gezien dan, het eerste vriendinnetje blijft de allermooiste. Ik heb nog geen zin in een conversatie en ga aan de bar hangen. Ik ben nog niet in de stemming, ik moet eerst drank hebben. Veel drank. Het uitzendstudentje dat de computertap bedient draagt een rood shirtje. Soms zouden ze bedrijfskleding moeten verbieden. Een computertap bedienen kan iedereen. Een strak rood shirtje dragen niet.
Het voorprogramma werd ooit getipt door een klant uit het café. Geen goede tip. Elbow is soft, te netjes. Te beleefd en te nederig ook. Dankbetuigingen aan het adres van de hoofdact en tot twee maal toe het onvermijdelijke thanks-for-listening-to-us. Wat denk je dan dodo? Dat ik een concertkaartje koop om vervolgens bij de garderobe te gaan hangen om naar de nummers van de jassen te luisteren? Het vierde nummer kondigen ze aan als something experimental. Het is meteen hun beste nummer. Leuk bandje voor een zomeravond in het Vondelpark, niet wanneer de adrenaline van het werk nog door je lichaam giert.
De halve liters gieren ook goed, de fles Jack Daniels achter de bar lonkt. Nee, niet doen, niet nu al.
Bij het laatste nummer gaan ze zowaar los. De lampen boven het podium doen een poging tot stroboscopie. Ik maak me los van de bar en doe een paar stappen naar voren. En dan stoppen ze alweer. Gemiste kans. Ik tel de muntjes in mijn broekzak en draai me weer om naar de bar. Het uitzendmeisje heeft hem al in haar handen. Snelle leerling.
Ik word draaierig. In de hal verkopen ze broodjes worst. Zal ik toch maar wat eten?
Ze wordt geflankeerd door twee man. Lichaamstaal, zo mooi om te zien. Zo verhelderend ook. Daarom houd ik zo van kijken. Waarom zou ik me in het gesprek mengen? Een glimlach faken geeft zere kaken, maar nu, terwijl ik naar ze kijk, is mijn glimlach oprecht en gemeend. En helemaal voor mezelf.
De zaal wordt voller. Dus toch nog. Veel stelletjes. Ik geniet van de kledingcultuur van de semi-underground. Jurkjes en laarzen, zelfs in deze februariwinter. Net-niet komt naast me staan aan de bar en bestelt twee koffie. De snelle leerling zegt dat het twee muntjes kost. Net-niet kijkt elkaar aan. Muntjes? Altijd leuk, groentjes. Op festivals helemaal maar hier doen ze het ook goed. Het mag een wonder heten dat ze überhaupt de zaal hebben weten te vinden. Ik zet mijn lege plastic onder de neus van de snelle leerling, ze geeft me een klaarstaand, dood exemplaar retour. Ik schud mijn hoofd en vraag een vers getapte. Gezakt, meid. Je lichaam zal je verder door het leven moeten leiden.
Leren jack, spijkerbroek. Goed.
Nee, geen worst, niet eten tijdens het drinken. Komt vannacht wel weer, of morgen. Woensdag is bruinebonensoepdag in het bedrijfsrestaurant. Bizar, jezelf verheugen op de lunch van morgen. Niet aan het werk denken, ik ben hier om te ontspannen. Ik glimlach weer. Ontspannen, yeah right. Dan moet ik vooral alle meisjes gaan bekijken, alle stelletjes nakijken, dat werkt lekker ontspannend. Ik moet denken aan de Nick Cave concerten die ik hier zag. In gezelschap. Toen kon ik me niet voorstellen deze avonden ooit alleen te gaan doen. Nu is het precies omgekeerd. Ik kan me niet voorstellen hier ooit nog een keer met haar te staan. Ik kan me überhaupt niet voorstellen haar ooit nog te zullen zien. Geef me één goede reden. Ik bestel nog een halve liter.
Rook komt van het podium af, de lichten gaan uit. Ik bestel er nog eentje en wurm mezelf met twee gevulde handen richting het trio. Een meter schuin achter ze blijf ik staan. Ben ik toch niet helemaal alleen. Pocket Revolution opent het optreden, titeltrack van het laatste album. Vreemde opener, ik vind het meer een nummer voor ergens halverwege de set. Het geluid valt tegen, niet zuiver. De geluidsman heeft niet goed opgelet bij het afstellen. Een lege zaal klinkt nu eenmaal anders dan een gevulde zaal. De gitaar van Mauro is veel te zacht, waar het op de plaat juist naar voren is gemixt. Tom Barman draagt zijn onafscheidelijke colbertje, je kunt hem erin uittekenen.
Instant Street klinkt iets beter maar het geluid blijft gruizig, korrelig. De band geeft wat ze heeft, dat is oké. Ze werken zich in het zweet. Na het derde nummer doet Barman zijn jasje uit. Opgestroopte mouwen. Zo zien we dat graag. Het is het enige nummer van The Ideal Crash dat ze spelen. Opvallend. Tekenend voor de gemoedstoestand van Barman ten tijde van het schrijfproces van dat album. Geëmotioneerd worden van je eigen muziek, jezelf er niet van kunnen distanciëren. Geen slijtproces, het bewijs van puurheid van de in muziek omgezette emotie.
Ze kijkt om zich heen. Alsof ze mij zou vinden tussen vijfduizend man. Ik kijk haar lang genoeg aan zodat ze het voelt. Wanneer onze blikken elkaar kruisen houd ik mijn wijsvinger voor mijn lippen. Ze doet twee passen opzij, ik steek mijn hand uit. Een gesprek voeren is hier niet mogelijk. Grijns. Zo mijd je het nodeloos uitwisselen van onzinnige weetjes. Het zijn altijd dezelfde woorden. Ze haalt een pakje Marlboro tevoorschijn en geeft me een sigaret. Klare taal.
Zwart-wit. Geen tussenweg. Nuchter of dronken. Werken of leven. Zwart-wit is goed.
Nothing Really Ends wordt ingezet. Het wordt met de hele band gespeeld, ze proberen de versie die op Pocket Revolution staat, te reproduceren. De versie die Tom Barman deed met Guy van Nueten is mooier. Kaler, zonder violen. Niks mis met violen maar het maakt het nummer iets te bombastisch, het ligt er té dik bovenop. Ze wiegt langzaam mee. Ik ga achter haar staan, leg mijn handen op haar heupen en volg haar ritme. Ik hang mijn duimen in haar broekzakken en trek haar tegen me aan. Ze biedt geen weerstand. Ik verberg mijn gezicht in de bos haar die je zelden meer ziet. Ze ruikt lekker.
Een deja vu toen Nick Cave hier From Her To Eternity speelde. Toen Cave mee meezoog in zijn performance, op zijn knieën kruipend over het toneel, declamerend, schreeuwend. Toen viel het kwartje, opeens zag ik het. De waanzin. De waanzin waarin ze je kunnen onderdompelen. En je kunt jezelf niet verweren. Er zijn geen wapens voor, er is geen verdediging. Ik ging erin mee. Ik ging los. Ik kwam los van haar.
Dit vindt ze het mooiste nummer, zegt ze wanneer ik haar heb losgelaten. Ik zeg wat mijn favoriet is. Wanneer ze dat spelen dan ga ik janken, dat weet ik nu al. Dat mag van haar. Ze vraagt of ik een biertje wil. Ik knik en ze verdwijnt richting bar.
De band loopt ludiek het podium af en is binnen een minuut weer terug. Even adem halen. Dan. Die gitaarlijn. Vanuit de verte komt de melodie je zwevend tegemoet, de melodie die ik kan dromen. Hier ben ik voor gekomen, voor dit nummer. Voor deze zeven minuten en zeven seconden. Voor deze ontlading, voor deze extase. Ik begin te rillen, nu eens niet door het gebrek aan eten opgevangen door sigaretten of door een overload aan drank. Een tekst die ik kan opdreunen, de steeds feller wordende drum, de gitaarlagen die worden opgestapeld, de distortion in het mantra uit het linkerkanaal. En die tekst. Die tekst. Mijn ogen worden vochtig. Tegen dit nummer ben ik niet bestand. Ik voel een hand op mijn rug. Ik bied geen weerstand.
Suds & Soda sluit af. Dat was te verwachten maar daarom niet slecht. De passief gevulde zaal verandert in een bewegende massa, handen gaan de lucht in, meeschreeuwend met het nummer verdrijf ik mijn gedachten. Of verdrijven, uitdrijven is een betere benaming. Na het nummer gaan de lichten aan en ik schud nog twee handen. Heb ik eigenlijk nog wat gezegd? Goed concert, dat waarschijnlijk. Geen Sister Dew, geen Magdalena. Nummers waar ik ooit om zes uur ’s morgens een discussie van een uur over voerde door de telefoon. Weer een glimlach. Zoete herinneringen. Ik begin oud te worden.
In de bovenzaal is een afterparty en ik vind mezelf terug aan een ronde tafel gevuld met bier en jeugd. Zo oud ben ik dan toch ook weer niet. Het niet gele shirt meldt zich netjes af, ik vang iets op over een terugreis. Whatever. Ik vermaak me wel. Dit word een fijne nacht. Strakke housebeats vullen de bovenzaal, vullen mijn oren, dreunen langzaam maar zeker de concertklanken uit mijn hoofd. Dreunen haar uit mijn hoofd. Ik heb een hekel aan house maar soms is het wel erg prettige muziek, of muziek, laten we het geluid noemen. Niet geheel onterecht geassocieerd met leeghoofdigheid.
Ik speur de dansvloer af. Waar is mijn blikvanger van vanavond? Een meisje met zwarte veterlaarzen tot aan haar knieën gaat volledig los. Van binnen dan, ze is niet van deze wereld. Wat zou zij allemaal uit haar hoofd aan het verwijderen zijn? Dans maar. Vlucht maar. Gooi het er maar uit. Bad Timing verdringt de housedreun in mijn hoofd. Ik steek een sigaret op en geniet. Waar rook is, is vuur.
Bezoek aan het rondje maakt me wakker. Of ik een vuurtje heb. Ik geef Nike één van mijn aanstekers en een zoete wietlucht verspreidt zich. Hoe laat moet ik er morgen eigenlijk uit? Oeps. Ik leeg de overgebleven glazen en bestel op weg naar buiten nog een colaatje voor onderweg. Suiker is nu wel even nodig. Fietsend over een verlaten Spaklerweg schieten mijn gedachten alweer naar de volgende dag. Arbeid adelt. Ik moet voortaan vrij nemen na een concert, laat ik sowieso eens vrij gaan nemen. Leef niet om te werken. Inderdaad. Ik werk om niet te leven. Het zijn dezelfde woorden.
Ze heeft haar gele shirt niet aan. Toch herken ik haar meteen. Zo’n kop met haar zie je zelden meer. Ze doet me denken aan mijn eerste vriendinnetje. Van de achterkant gezien dan, het eerste vriendinnetje blijft de allermooiste. Ik heb nog geen zin in een conversatie en ga aan de bar hangen. Ik ben nog niet in de stemming, ik moet eerst drank hebben. Veel drank. Het uitzendstudentje dat de computertap bedient draagt een rood shirtje. Soms zouden ze bedrijfskleding moeten verbieden. Een computertap bedienen kan iedereen. Een strak rood shirtje dragen niet.
Het voorprogramma werd ooit getipt door een klant uit het café. Geen goede tip. Elbow is soft, te netjes. Te beleefd en te nederig ook. Dankbetuigingen aan het adres van de hoofdact en tot twee maal toe het onvermijdelijke thanks-for-listening-to-us. Wat denk je dan dodo? Dat ik een concertkaartje koop om vervolgens bij de garderobe te gaan hangen om naar de nummers van de jassen te luisteren? Het vierde nummer kondigen ze aan als something experimental. Het is meteen hun beste nummer. Leuk bandje voor een zomeravond in het Vondelpark, niet wanneer de adrenaline van het werk nog door je lichaam giert.
De halve liters gieren ook goed, de fles Jack Daniels achter de bar lonkt. Nee, niet doen, niet nu al.
Bij het laatste nummer gaan ze zowaar los. De lampen boven het podium doen een poging tot stroboscopie. Ik maak me los van de bar en doe een paar stappen naar voren. En dan stoppen ze alweer. Gemiste kans. Ik tel de muntjes in mijn broekzak en draai me weer om naar de bar. Het uitzendmeisje heeft hem al in haar handen. Snelle leerling.
Ik word draaierig. In de hal verkopen ze broodjes worst. Zal ik toch maar wat eten?
Ze wordt geflankeerd door twee man. Lichaamstaal, zo mooi om te zien. Zo verhelderend ook. Daarom houd ik zo van kijken. Waarom zou ik me in het gesprek mengen? Een glimlach faken geeft zere kaken, maar nu, terwijl ik naar ze kijk, is mijn glimlach oprecht en gemeend. En helemaal voor mezelf.
De zaal wordt voller. Dus toch nog. Veel stelletjes. Ik geniet van de kledingcultuur van de semi-underground. Jurkjes en laarzen, zelfs in deze februariwinter. Net-niet komt naast me staan aan de bar en bestelt twee koffie. De snelle leerling zegt dat het twee muntjes kost. Net-niet kijkt elkaar aan. Muntjes? Altijd leuk, groentjes. Op festivals helemaal maar hier doen ze het ook goed. Het mag een wonder heten dat ze überhaupt de zaal hebben weten te vinden. Ik zet mijn lege plastic onder de neus van de snelle leerling, ze geeft me een klaarstaand, dood exemplaar retour. Ik schud mijn hoofd en vraag een vers getapte. Gezakt, meid. Je lichaam zal je verder door het leven moeten leiden.
Leren jack, spijkerbroek. Goed.
Nee, geen worst, niet eten tijdens het drinken. Komt vannacht wel weer, of morgen. Woensdag is bruinebonensoepdag in het bedrijfsrestaurant. Bizar, jezelf verheugen op de lunch van morgen. Niet aan het werk denken, ik ben hier om te ontspannen. Ik glimlach weer. Ontspannen, yeah right. Dan moet ik vooral alle meisjes gaan bekijken, alle stelletjes nakijken, dat werkt lekker ontspannend. Ik moet denken aan de Nick Cave concerten die ik hier zag. In gezelschap. Toen kon ik me niet voorstellen deze avonden ooit alleen te gaan doen. Nu is het precies omgekeerd. Ik kan me niet voorstellen hier ooit nog een keer met haar te staan. Ik kan me überhaupt niet voorstellen haar ooit nog te zullen zien. Geef me één goede reden. Ik bestel nog een halve liter.
Rook komt van het podium af, de lichten gaan uit. Ik bestel er nog eentje en wurm mezelf met twee gevulde handen richting het trio. Een meter schuin achter ze blijf ik staan. Ben ik toch niet helemaal alleen. Pocket Revolution opent het optreden, titeltrack van het laatste album. Vreemde opener, ik vind het meer een nummer voor ergens halverwege de set. Het geluid valt tegen, niet zuiver. De geluidsman heeft niet goed opgelet bij het afstellen. Een lege zaal klinkt nu eenmaal anders dan een gevulde zaal. De gitaar van Mauro is veel te zacht, waar het op de plaat juist naar voren is gemixt. Tom Barman draagt zijn onafscheidelijke colbertje, je kunt hem erin uittekenen.
Instant Street klinkt iets beter maar het geluid blijft gruizig, korrelig. De band geeft wat ze heeft, dat is oké. Ze werken zich in het zweet. Na het derde nummer doet Barman zijn jasje uit. Opgestroopte mouwen. Zo zien we dat graag. Het is het enige nummer van The Ideal Crash dat ze spelen. Opvallend. Tekenend voor de gemoedstoestand van Barman ten tijde van het schrijfproces van dat album. Geëmotioneerd worden van je eigen muziek, jezelf er niet van kunnen distanciëren. Geen slijtproces, het bewijs van puurheid van de in muziek omgezette emotie.
Ze kijkt om zich heen. Alsof ze mij zou vinden tussen vijfduizend man. Ik kijk haar lang genoeg aan zodat ze het voelt. Wanneer onze blikken elkaar kruisen houd ik mijn wijsvinger voor mijn lippen. Ze doet twee passen opzij, ik steek mijn hand uit. Een gesprek voeren is hier niet mogelijk. Grijns. Zo mijd je het nodeloos uitwisselen van onzinnige weetjes. Het zijn altijd dezelfde woorden. Ze haalt een pakje Marlboro tevoorschijn en geeft me een sigaret. Klare taal.
Zwart-wit. Geen tussenweg. Nuchter of dronken. Werken of leven. Zwart-wit is goed.
Nothing Really Ends wordt ingezet. Het wordt met de hele band gespeeld, ze proberen de versie die op Pocket Revolution staat, te reproduceren. De versie die Tom Barman deed met Guy van Nueten is mooier. Kaler, zonder violen. Niks mis met violen maar het maakt het nummer iets te bombastisch, het ligt er té dik bovenop. Ze wiegt langzaam mee. Ik ga achter haar staan, leg mijn handen op haar heupen en volg haar ritme. Ik hang mijn duimen in haar broekzakken en trek haar tegen me aan. Ze biedt geen weerstand. Ik verberg mijn gezicht in de bos haar die je zelden meer ziet. Ze ruikt lekker.
Een deja vu toen Nick Cave hier From Her To Eternity speelde. Toen Cave mee meezoog in zijn performance, op zijn knieën kruipend over het toneel, declamerend, schreeuwend. Toen viel het kwartje, opeens zag ik het. De waanzin. De waanzin waarin ze je kunnen onderdompelen. En je kunt jezelf niet verweren. Er zijn geen wapens voor, er is geen verdediging. Ik ging erin mee. Ik ging los. Ik kwam los van haar.
Dit vindt ze het mooiste nummer, zegt ze wanneer ik haar heb losgelaten. Ik zeg wat mijn favoriet is. Wanneer ze dat spelen dan ga ik janken, dat weet ik nu al. Dat mag van haar. Ze vraagt of ik een biertje wil. Ik knik en ze verdwijnt richting bar.
De band loopt ludiek het podium af en is binnen een minuut weer terug. Even adem halen. Dan. Die gitaarlijn. Vanuit de verte komt de melodie je zwevend tegemoet, de melodie die ik kan dromen. Hier ben ik voor gekomen, voor dit nummer. Voor deze zeven minuten en zeven seconden. Voor deze ontlading, voor deze extase. Ik begin te rillen, nu eens niet door het gebrek aan eten opgevangen door sigaretten of door een overload aan drank. Een tekst die ik kan opdreunen, de steeds feller wordende drum, de gitaarlagen die worden opgestapeld, de distortion in het mantra uit het linkerkanaal. En die tekst. Die tekst. Mijn ogen worden vochtig. Tegen dit nummer ben ik niet bestand. Ik voel een hand op mijn rug. Ik bied geen weerstand.
Suds & Soda sluit af. Dat was te verwachten maar daarom niet slecht. De passief gevulde zaal verandert in een bewegende massa, handen gaan de lucht in, meeschreeuwend met het nummer verdrijf ik mijn gedachten. Of verdrijven, uitdrijven is een betere benaming. Na het nummer gaan de lichten aan en ik schud nog twee handen. Heb ik eigenlijk nog wat gezegd? Goed concert, dat waarschijnlijk. Geen Sister Dew, geen Magdalena. Nummers waar ik ooit om zes uur ’s morgens een discussie van een uur over voerde door de telefoon. Weer een glimlach. Zoete herinneringen. Ik begin oud te worden.
In de bovenzaal is een afterparty en ik vind mezelf terug aan een ronde tafel gevuld met bier en jeugd. Zo oud ben ik dan toch ook weer niet. Het niet gele shirt meldt zich netjes af, ik vang iets op over een terugreis. Whatever. Ik vermaak me wel. Dit word een fijne nacht. Strakke housebeats vullen de bovenzaal, vullen mijn oren, dreunen langzaam maar zeker de concertklanken uit mijn hoofd. Dreunen haar uit mijn hoofd. Ik heb een hekel aan house maar soms is het wel erg prettige muziek, of muziek, laten we het geluid noemen. Niet geheel onterecht geassocieerd met leeghoofdigheid.
Ik speur de dansvloer af. Waar is mijn blikvanger van vanavond? Een meisje met zwarte veterlaarzen tot aan haar knieën gaat volledig los. Van binnen dan, ze is niet van deze wereld. Wat zou zij allemaal uit haar hoofd aan het verwijderen zijn? Dans maar. Vlucht maar. Gooi het er maar uit. Bad Timing verdringt de housedreun in mijn hoofd. Ik steek een sigaret op en geniet. Waar rook is, is vuur.
Bezoek aan het rondje maakt me wakker. Of ik een vuurtje heb. Ik geef Nike één van mijn aanstekers en een zoete wietlucht verspreidt zich. Hoe laat moet ik er morgen eigenlijk uit? Oeps. Ik leeg de overgebleven glazen en bestel op weg naar buiten nog een colaatje voor onderweg. Suiker is nu wel even nodig. Fietsend over een verlaten Spaklerweg schieten mijn gedachten alweer naar de volgende dag. Arbeid adelt. Ik moet voortaan vrij nemen na een concert, laat ik sowieso eens vrij gaan nemen. Leef niet om te werken. Inderdaad. Ik werk om niet te leven. Het zijn dezelfde woorden.
20 February 2006
Essence
Ze legt de telefoon neer en zucht. Dinsdag is de drukste dag van de week. Ik loop langs haar bureau. Voorbij haar bureau kun je rechtsaf naar de toiletten, de liften en het trappenhuis. Op het moment dat ze haar hoofd opricht en mij aankijkt rinkelt het apparaat alweer.
"En ik heb nog niet eens gegeten."
Het is kwart over één. Over een kwartier sluit het restaurant. Ze heeft een kleur.
Ik ben op weg naar het restaurant, kantine in de volksmond. Ik vraag of wat ik mee moet nemen.
"Een krentenbol."
Dat kan nooit genoeg zijn.
"En een mueslibol dan."
Ze drinkt liters water per dag. Het schijnt dat je er minder van gaat eten. Terwijl ze met haar ene hand de telefoon opneemt, pakt ze met de andere hand haar portemonnee. Ik wacht de overbodige handeling niet af en sla rechtsaf de gang in.
In het restaurant haal ik mijn standaardrecept. Een kom soep, zes sneetjes droog brood en een liter melk. Ieder zijn ritueel. Ik pak twee krentenbollen en twee mueslibollen. Bij de keuken vraag ik een plastic zak. In de papieren meeneemzakken droogt brood te snel uit, hoe lang zullen de bolletjes nog op haar bureau liggen voordat ze gaat eten? Mijn vaste plek is vrij. Nog zo’n ritueel. De tafel in de hoek bij de ramen. Met mijn rug naar het raam overzie ik alle tafels. Overzie ik alles, geen gedoe in mijn rug. Achter mijn rug. Voordat ik aan de soep begin stop ik de vier bollen in de plastic zak. Heb ik iets om naar te kijken.
Voorpret is altijd leuker.
Na het eten loop ik naar het inpandige winkeltje. Even de krantenkoppen doornemen. De balie staat volgebouwd met rode en roze prullaria. Kaarten, snoep. Heel veel snoep. Hartjes, overal hartjes. Impulsartikelen naast de kassa hebben de hoogste winstmarge. Valentijnsdag is handel. Valentijnsdag is hartjes. Hartjes is handel. Het roze doet pijn aan mijn ogen. Ik ben geen kleurenmens. Zwart, wit, grijs. Dat zijn ook kleuren, dat zijn mijn kleuren. Rode wangen kleuren haar.
Ik leg twee pakjes camel op de balie en pak een stokje met twee spekjes in de vorm van een hart eraan geregen, de roze hartjes omringd door een rode rand. Liefde is geen handel. De liefde is rood. Ik vraag een rode zak en stop de vier bollen en de hartjes erin. Rood is de kleur van het gevaar. Ik rook een pakje per dag. Het schijnt dat je er minder van gaat leven. Met een roze lint knoop ik de bovenkant dicht.
Liefde is gevaar. Verliefd gevaarlijk.
Vanuit het winkeltje loop ik langs de foyer naar het trappenhuis. De liften links laat ik liggen, ik neem altijd de trap. Zo kom je nog eens iemand tegen. Op onze verdieping aangekomen valt haar lege bureaustoel meteen op. Mij valt het meteen op, andere mensen zullen er geen aandacht aan besteden. Anderen besteden sowieso niets. Gieren met aandacht. Ik leg de rode zak naast het beeldscherm op haar bureau, het bureaublad laat ik vrij. Dat is vragen om aandacht.
Ik loop door naar mijn eigen slavenplek en ga verder met waarvoor ik word betaald. Mijn slavenplek, schuin in de hoek, ramen naast en achter me, uitzicht over de gehele afdeling. Geen mensen in mijn rug, de vensterbank gevuld met afgerond, onderhanden zijnde en toekomstig werk. Productie gaat voor communicatie. Het gezin gaat voor het werk. Ik heb geen zin in gezin. Werk is levensvulling, het gezin levensvervuiling.
Schoppen is zoveel makkelijker dan leren omarmen.
Na een half uur komt de eerste mail. Een simpel bedankt. Zo hoort het. Ze heeft de zak dus nog niet opengemaakt en volgt ook haar instinct. Eerst werken, dan de rest. Ik log in op het intranet en selecteer de optie openstaande vacatures. Alsof er een optie vervulde vacatures bestaat. Binnen een minuut volgt de tweede mail. De zak is opengemaakt. Iets uitgebreider. Ik leun naar achter en zie haar opstaan, met een vuurrood gezicht loopt ze richting toiletten. Of ik even normaal wil doen. Goed plan. Laat ik maar weer eens normaal gaan doen.
"En ik heb nog niet eens gegeten."
Het is kwart over één. Over een kwartier sluit het restaurant. Ze heeft een kleur.
Ik ben op weg naar het restaurant, kantine in de volksmond. Ik vraag of wat ik mee moet nemen.
"Een krentenbol."
Dat kan nooit genoeg zijn.
"En een mueslibol dan."
Ze drinkt liters water per dag. Het schijnt dat je er minder van gaat eten. Terwijl ze met haar ene hand de telefoon opneemt, pakt ze met de andere hand haar portemonnee. Ik wacht de overbodige handeling niet af en sla rechtsaf de gang in.
In het restaurant haal ik mijn standaardrecept. Een kom soep, zes sneetjes droog brood en een liter melk. Ieder zijn ritueel. Ik pak twee krentenbollen en twee mueslibollen. Bij de keuken vraag ik een plastic zak. In de papieren meeneemzakken droogt brood te snel uit, hoe lang zullen de bolletjes nog op haar bureau liggen voordat ze gaat eten? Mijn vaste plek is vrij. Nog zo’n ritueel. De tafel in de hoek bij de ramen. Met mijn rug naar het raam overzie ik alle tafels. Overzie ik alles, geen gedoe in mijn rug. Achter mijn rug. Voordat ik aan de soep begin stop ik de vier bollen in de plastic zak. Heb ik iets om naar te kijken.
Voorpret is altijd leuker.
Na het eten loop ik naar het inpandige winkeltje. Even de krantenkoppen doornemen. De balie staat volgebouwd met rode en roze prullaria. Kaarten, snoep. Heel veel snoep. Hartjes, overal hartjes. Impulsartikelen naast de kassa hebben de hoogste winstmarge. Valentijnsdag is handel. Valentijnsdag is hartjes. Hartjes is handel. Het roze doet pijn aan mijn ogen. Ik ben geen kleurenmens. Zwart, wit, grijs. Dat zijn ook kleuren, dat zijn mijn kleuren. Rode wangen kleuren haar.
Ik leg twee pakjes camel op de balie en pak een stokje met twee spekjes in de vorm van een hart eraan geregen, de roze hartjes omringd door een rode rand. Liefde is geen handel. De liefde is rood. Ik vraag een rode zak en stop de vier bollen en de hartjes erin. Rood is de kleur van het gevaar. Ik rook een pakje per dag. Het schijnt dat je er minder van gaat leven. Met een roze lint knoop ik de bovenkant dicht.
Liefde is gevaar. Verliefd gevaarlijk.
Vanuit het winkeltje loop ik langs de foyer naar het trappenhuis. De liften links laat ik liggen, ik neem altijd de trap. Zo kom je nog eens iemand tegen. Op onze verdieping aangekomen valt haar lege bureaustoel meteen op. Mij valt het meteen op, andere mensen zullen er geen aandacht aan besteden. Anderen besteden sowieso niets. Gieren met aandacht. Ik leg de rode zak naast het beeldscherm op haar bureau, het bureaublad laat ik vrij. Dat is vragen om aandacht.
Ik loop door naar mijn eigen slavenplek en ga verder met waarvoor ik word betaald. Mijn slavenplek, schuin in de hoek, ramen naast en achter me, uitzicht over de gehele afdeling. Geen mensen in mijn rug, de vensterbank gevuld met afgerond, onderhanden zijnde en toekomstig werk. Productie gaat voor communicatie. Het gezin gaat voor het werk. Ik heb geen zin in gezin. Werk is levensvulling, het gezin levensvervuiling.
Schoppen is zoveel makkelijker dan leren omarmen.
Na een half uur komt de eerste mail. Een simpel bedankt. Zo hoort het. Ze heeft de zak dus nog niet opengemaakt en volgt ook haar instinct. Eerst werken, dan de rest. Ik log in op het intranet en selecteer de optie openstaande vacatures. Alsof er een optie vervulde vacatures bestaat. Binnen een minuut volgt de tweede mail. De zak is opengemaakt. Iets uitgebreider. Ik leun naar achter en zie haar opstaan, met een vuurrood gezicht loopt ze richting toiletten. Of ik even normaal wil doen. Goed plan. Laat ik maar weer eens normaal gaan doen.
13 February 2006
X-act
Jij was het verjaardagscadeau. De rol die je niet aan kunt nemen, omdat jij het niet bent. En nooit zal zijn.
Drie dagen te vroeg, of twee nachten. Twee nachten kostte het mij om het te verwerken. Niet de verjaardag, nee. Daar valt niets te verwerken. Alleen maar te bewerken, mezelf. Nee, de mail kostte mij twee nachten. De informatie. De kracht van woorden.
Het leven is theater. Waar ben je jezelf? Waar kun je jezelf zijn? Wanneer is de voorstelling afgelopen?
Het voordeel van het geschreven woord. Je kunt nadenken, je hebt bedenktijd. Het gesproken woord is direct, of het gezicht indirect, het antwoord. Het geschreven woord herlees je. Begrijp ik het goed? Staat het er echt? Ja, het stond er. Indirect, te direct.
Lights, music, camera. Zelfs door je eigen ogen. De foto representatiever dan de spiegel. Want zij bevat geen krassen. Niet zichtbaar tenminste. Zij was, de spiegel is. Voor de spiegel breng je de schmink aan, het verschil tussen wat is en wat wordt gezien. Ze zullen het niet zien.
Dubbelzinnig, zoals we schrijven. Dezelfde zeggingskracht als de stilte die je kunt laten vallen in een gesprek. Het kan twee kanten op. De woorden gingen naar één kant. Afhankelijk van stemming en gemoed trek je het naar jezelf toe of stoot je het van jezelf af. Ik trok de woorden naar mezelf toe. Ik trok jou naar mezelf toe. Omdat ik je bij me wilde hebben. Dichtbij. Heel dichtbij.
Dit moet ik niet zeggen, denk ik vaak. Dit had ik niet moeten schrijven denk ik vaak wanneer ik op send heb gedrukt. Het tekent mijn gemoed. Schrijven is goed, schrijven mag, schrijven moet. Verzenden moet je niet doen. Publiceren moet je niet doen. Waarom die hunkering naar getuigen, naar bevestiging, de hunkering waartegen ik zelf juist zo ageer. Projectie. Ja, ik ook. Een kuddedier. Ja. Ik ook.
De sluier, beetje bij beetje komt hij omhoog. Gedoseerd, je weet wat gulzigheid met je doet. Verlangen kweken, geilheid geweken. Acceptatie is geen zijn. Het is een houding. Alweer. Ontweken.
It’s lonely at the top. Koud ook, het dal biedt beschutting. Mensen bieden beschutting. Totdat er weer iemand uithaalt, eentje die je onderschatte en die alle tijd heeft om de juiste plek te zoeken waar toe te steken. Mijn rug is breed, je kunt niet missen. Een evolutiefoutje, we moeten ogen in onze rug hebben.
Publiceren is het zoeken van ogen. Van teveel ogen. Ogen die op je rug branden wanneer je het zelf al lang bent vergeten. Vergeten, omdat je het hebt opgeschreven. Ogen zijn gevaarlijker dan welk steekwapen ook. Ogen zijn scherper dan welk steekwapen ook.
En jij. Jij wil het niet meer zien. Dus geef je jezelf bloot. Van verliezen leer je meer dan van winnen. Verlies jezelf maar. Je hebt niets meer te verliezen.
Mijn grootste angst is blind te worden. En nu al kan ik niet eens alles zien. Niet paranoïde, nee. Pavlov’s dog. Omdat ik je bij me wil hebben. Te dichtbij.
Drie dagen te vroeg, of twee nachten. Twee nachten kostte het mij om het te verwerken. Niet de verjaardag, nee. Daar valt niets te verwerken. Alleen maar te bewerken, mezelf. Nee, de mail kostte mij twee nachten. De informatie. De kracht van woorden.
Het leven is theater. Waar ben je jezelf? Waar kun je jezelf zijn? Wanneer is de voorstelling afgelopen?
Het voordeel van het geschreven woord. Je kunt nadenken, je hebt bedenktijd. Het gesproken woord is direct, of het gezicht indirect, het antwoord. Het geschreven woord herlees je. Begrijp ik het goed? Staat het er echt? Ja, het stond er. Indirect, te direct.
Lights, music, camera. Zelfs door je eigen ogen. De foto representatiever dan de spiegel. Want zij bevat geen krassen. Niet zichtbaar tenminste. Zij was, de spiegel is. Voor de spiegel breng je de schmink aan, het verschil tussen wat is en wat wordt gezien. Ze zullen het niet zien.
Dubbelzinnig, zoals we schrijven. Dezelfde zeggingskracht als de stilte die je kunt laten vallen in een gesprek. Het kan twee kanten op. De woorden gingen naar één kant. Afhankelijk van stemming en gemoed trek je het naar jezelf toe of stoot je het van jezelf af. Ik trok de woorden naar mezelf toe. Ik trok jou naar mezelf toe. Omdat ik je bij me wilde hebben. Dichtbij. Heel dichtbij.
Dit moet ik niet zeggen, denk ik vaak. Dit had ik niet moeten schrijven denk ik vaak wanneer ik op send heb gedrukt. Het tekent mijn gemoed. Schrijven is goed, schrijven mag, schrijven moet. Verzenden moet je niet doen. Publiceren moet je niet doen. Waarom die hunkering naar getuigen, naar bevestiging, de hunkering waartegen ik zelf juist zo ageer. Projectie. Ja, ik ook. Een kuddedier. Ja. Ik ook.
De sluier, beetje bij beetje komt hij omhoog. Gedoseerd, je weet wat gulzigheid met je doet. Verlangen kweken, geilheid geweken. Acceptatie is geen zijn. Het is een houding. Alweer. Ontweken.
It’s lonely at the top. Koud ook, het dal biedt beschutting. Mensen bieden beschutting. Totdat er weer iemand uithaalt, eentje die je onderschatte en die alle tijd heeft om de juiste plek te zoeken waar toe te steken. Mijn rug is breed, je kunt niet missen. Een evolutiefoutje, we moeten ogen in onze rug hebben.
Publiceren is het zoeken van ogen. Van teveel ogen. Ogen die op je rug branden wanneer je het zelf al lang bent vergeten. Vergeten, omdat je het hebt opgeschreven. Ogen zijn gevaarlijker dan welk steekwapen ook. Ogen zijn scherper dan welk steekwapen ook.
En jij. Jij wil het niet meer zien. Dus geef je jezelf bloot. Van verliezen leer je meer dan van winnen. Verlies jezelf maar. Je hebt niets meer te verliezen.
Mijn grootste angst is blind te worden. En nu al kan ik niet eens alles zien. Niet paranoïde, nee. Pavlov’s dog. Omdat ik je bij me wil hebben. Te dichtbij.
07 February 2006
Cupid
Ze komen binnen. Met z’n tweeën. Dat had je dus niet moeten doen. Dit is een overval. Ik ben aan het werk, ik kan mezelf niet verweren. Als je me wilt spreken kun je bellen, mailen, desnoods een smsje. Een tijd en de naam van een kroeg, hoe vaak moet ik het nu nog zeggen? Is het zo moeilijk? Dan kunnen we praten, dan heb je mijn aandacht. Niet hier en niet nu. Hier spelen andere zaken, zaken waar jij geen weet van hebt. Waar je ook geen reet mee te maken hebt. Wat je dus ook geen flikker aangaat.
Zullen we even gaan kijken hoe het met hem gaat? Ik hoor je het zeggen. Vervelen jullie jezelf nu al? Dat heb je snel voor elkaar gekregen, het verwerven van dat inzicht. Afgeronde studies zeggen zoals gewoonlijk niets over het intelligentiegehalte. Ik was er na één middag met jullie samen al achter. Nu jullie tweeën, sjokkend door de stad op vrijdagavond. Waar zou het gezellig zijn? Nou, niet bij jullie dus. Dus dan maar naar mijn kroeg, aapjes kijken. Nee, aapjes laten kijken. Want nu ben ik degene die kijkt, die kijkt naar jullie verveling.
Waar kom jij eigenlijk naar kijken? Naar mijn ribbenkast? Hoeveel kilo ik nu weer ben afgevallen? Hoeveel wit er nog in mijn rood doorlopen ogen aanwezig is? Hoelang ik me nu weer niet geschoren heb? Hoeveel tietjes er nu weer aan de bar zitten? En jezelf ondertussen maar afvragen waar ik die allemaal vandaan haal?
Selectie, selectie aan de poort. Geen indringers, geen overvallers. Op uitnodiging van. Of gevraagd en gehonoreerd.
Viel het je op dat ik je negeerde? Natuurlijk, het was druk, drukker dan gewoonlijk, tappen, afrekenen, spoelen. En dat in een moordend tempo. Maar dan nog. Gewoonlijk maak ik altijd even tijd voor je vrij, of ik zet iemand anders achter de bar. Maar nu niet. Negeren is zo sterk, zo krachtig. En met een stalen smoel. De rubberen glimlach vertoont zijn wonderlijke kunstje weer. Jammer van dat filmfestival, ik had ze er graag bij gehad, op dit moment. Jammer ook van haar aan de bar, die de aanzet tot mijn agressie heeft gegeven. Die aanzet had jullie toe moeten komen, die eer verdienen jullie. Jammer ook van de alcohol die ik al had genuttigd, mijn woorden worden dan wel scherper maar mijn blik wordt zachter, niet in overeenstemming met.
Ik heb je best wel verhalen te vertellen, er gebeurt genoeg, zo niet teveel. Ik kan ook niet alles verwerken, teveel blijft hangen en sluimeren. Mijn hoofd een broeinest, een wespennest, aan- en afvoer van eten en etensresten, waar eerdaags de eieren zullen knappen. En dan maar kijken wat er naar buiten komt. En vooral hoe. Want daar ben ik zelf nog het meest bang voor.
Weet je wat het punt is? De saamhorigheid is verdwenen. Het probleem is het verlies van de saamhorigheid. Niet meer als eerste de verhalen horen, überhaupt geen verhalen meer horen. Het verlies van de samenzweerderigheid. No more partners in crime. Niet meer wij tegen de wereld. Want jij bent tot die wereld toegetreden. Een wereld die de mijne niet is. Het is zo obvious, zo gauw als je weer op je rug ligt en je laat jezelf prikken, dan zie ik je niet meer. Ik vind het prima dat je jezelf laat prikken, daar is dat gat voor bedoeld. Ik weet wat je bent, dat geeft ook niet. Maar ik begrijp niet waar alle verhalen blijven. Verdwijnen die soms in dat zelfde gat? Of kan je nieuwe provider nog praten ook dan? Of zijn je gevulde ingewanden voldoende om je de mond te snoeren. Ik kan het me niet voorstellen maar dat zal wellicht aan mijzelf liggen.
Ik heb nieuwe vrienden gemaakt. Niet uit de kroeg, nee, en ook niet via datingsites, zoals jij je vorige vriendjes naar de stad liet komen. Wel leuke verhalen waren dat. Wat een eikels, de één een nog grotere loser dan de ander. Die verhalen mis ik best wel. Leedvermaak is leuk. Allemaal dezelfde ingestudeerde trucjes, alsof ze dezelfde cursus toenadering zoeken hebben genoten. Of een workshop assertiviteitstraining, die toen nog door het ziekenfonds werd vergoed. Onzin natuurlijk, die mensen zijn helemaal niet ziek, ze zijn contactgestoord. Gewoon twee stroomdraden erop, dat is de oplossing. Zo repareer je een contactdoos. Hetzelfde leedvermaak dat ik achter de bar heb, wanneer ik de wanhopige toenaderingspogingen van de mensen in het café voor me zie. En altijd is daar de barkeeper weer als reddende engel.
Ik heb nieuwe vrienden gemaakt. Geen kwantiteit maar kwaliteit. Iedereen is druk, iedereen heeft verplichtingen. Veel te veel verplichtingen maar zo zit de maatschappij nu eenmaal in elkaar. Dat valt niet te ontkennen en dat valt niet te ontlopen. Maar wanneer er tijd is, dan zijn ze er. Zonder claim, zonder verplichting. En zonder bla. Affectief, recht door het hart. Recht uit het hart. Gebroken en geheeld.
Ik heb nieuwe vrienden gemaakt. Via internet. Via mijn weblog. Kun je het voorstellen? Een contactgestoorde barkeeper met virtuele contacten? Een barkeeper is niet contactgestoord. Het zal je verbazen hoeveel van de mensen die ik ken via internet uit de horeca komen. En uit de gezondheidszorg. Het is juist het tegenovergestelde. Wij zijn overgevoelig voor mensen. Het is een antireactie. Teveel mensen om ons heen. Teveel zeikers, klagers, psychoten en psychopaten. Selectie op het scherm. Selectie door woorden, hebben ze wat te vertellen? En vooral hóe ze dat vertellen. Smelten door een bepaalde blik, natuurlijk gebeurt dat nog steeds. Ze zat er zelfs, toen jullie binnen kwamen. Maar die verhalen krijg je niet meer te horen. Waarom zou ik nog als jij lekker stelletje aan het spelen bent. Binnen je fijne stelletjeswereld ben je de horecaregels wel heel snel vergeten. Jammer van je korte termijn geheugen, ook dat is eindig.
Internet is oneindig. Oneindige reeksen woorden. Weer de selectie. En dan geïntimideerd door woorden. Smelten door woorden. Mensen die mij klein krijgen. Mensen die mij op de knieën krijgen. De Duivel wordt God. God wordt een engel.
Eigenlijk ben ik ook een engel. Maar niet meer voor jou. Bye.
Zullen we even gaan kijken hoe het met hem gaat? Ik hoor je het zeggen. Vervelen jullie jezelf nu al? Dat heb je snel voor elkaar gekregen, het verwerven van dat inzicht. Afgeronde studies zeggen zoals gewoonlijk niets over het intelligentiegehalte. Ik was er na één middag met jullie samen al achter. Nu jullie tweeën, sjokkend door de stad op vrijdagavond. Waar zou het gezellig zijn? Nou, niet bij jullie dus. Dus dan maar naar mijn kroeg, aapjes kijken. Nee, aapjes laten kijken. Want nu ben ik degene die kijkt, die kijkt naar jullie verveling.
Waar kom jij eigenlijk naar kijken? Naar mijn ribbenkast? Hoeveel kilo ik nu weer ben afgevallen? Hoeveel wit er nog in mijn rood doorlopen ogen aanwezig is? Hoelang ik me nu weer niet geschoren heb? Hoeveel tietjes er nu weer aan de bar zitten? En jezelf ondertussen maar afvragen waar ik die allemaal vandaan haal?
Selectie, selectie aan de poort. Geen indringers, geen overvallers. Op uitnodiging van. Of gevraagd en gehonoreerd.
Viel het je op dat ik je negeerde? Natuurlijk, het was druk, drukker dan gewoonlijk, tappen, afrekenen, spoelen. En dat in een moordend tempo. Maar dan nog. Gewoonlijk maak ik altijd even tijd voor je vrij, of ik zet iemand anders achter de bar. Maar nu niet. Negeren is zo sterk, zo krachtig. En met een stalen smoel. De rubberen glimlach vertoont zijn wonderlijke kunstje weer. Jammer van dat filmfestival, ik had ze er graag bij gehad, op dit moment. Jammer ook van haar aan de bar, die de aanzet tot mijn agressie heeft gegeven. Die aanzet had jullie toe moeten komen, die eer verdienen jullie. Jammer ook van de alcohol die ik al had genuttigd, mijn woorden worden dan wel scherper maar mijn blik wordt zachter, niet in overeenstemming met.
Ik heb je best wel verhalen te vertellen, er gebeurt genoeg, zo niet teveel. Ik kan ook niet alles verwerken, teveel blijft hangen en sluimeren. Mijn hoofd een broeinest, een wespennest, aan- en afvoer van eten en etensresten, waar eerdaags de eieren zullen knappen. En dan maar kijken wat er naar buiten komt. En vooral hoe. Want daar ben ik zelf nog het meest bang voor.
Weet je wat het punt is? De saamhorigheid is verdwenen. Het probleem is het verlies van de saamhorigheid. Niet meer als eerste de verhalen horen, überhaupt geen verhalen meer horen. Het verlies van de samenzweerderigheid. No more partners in crime. Niet meer wij tegen de wereld. Want jij bent tot die wereld toegetreden. Een wereld die de mijne niet is. Het is zo obvious, zo gauw als je weer op je rug ligt en je laat jezelf prikken, dan zie ik je niet meer. Ik vind het prima dat je jezelf laat prikken, daar is dat gat voor bedoeld. Ik weet wat je bent, dat geeft ook niet. Maar ik begrijp niet waar alle verhalen blijven. Verdwijnen die soms in dat zelfde gat? Of kan je nieuwe provider nog praten ook dan? Of zijn je gevulde ingewanden voldoende om je de mond te snoeren. Ik kan het me niet voorstellen maar dat zal wellicht aan mijzelf liggen.
Ik heb nieuwe vrienden gemaakt. Niet uit de kroeg, nee, en ook niet via datingsites, zoals jij je vorige vriendjes naar de stad liet komen. Wel leuke verhalen waren dat. Wat een eikels, de één een nog grotere loser dan de ander. Die verhalen mis ik best wel. Leedvermaak is leuk. Allemaal dezelfde ingestudeerde trucjes, alsof ze dezelfde cursus toenadering zoeken hebben genoten. Of een workshop assertiviteitstraining, die toen nog door het ziekenfonds werd vergoed. Onzin natuurlijk, die mensen zijn helemaal niet ziek, ze zijn contactgestoord. Gewoon twee stroomdraden erop, dat is de oplossing. Zo repareer je een contactdoos. Hetzelfde leedvermaak dat ik achter de bar heb, wanneer ik de wanhopige toenaderingspogingen van de mensen in het café voor me zie. En altijd is daar de barkeeper weer als reddende engel.
Ik heb nieuwe vrienden gemaakt. Geen kwantiteit maar kwaliteit. Iedereen is druk, iedereen heeft verplichtingen. Veel te veel verplichtingen maar zo zit de maatschappij nu eenmaal in elkaar. Dat valt niet te ontkennen en dat valt niet te ontlopen. Maar wanneer er tijd is, dan zijn ze er. Zonder claim, zonder verplichting. En zonder bla. Affectief, recht door het hart. Recht uit het hart. Gebroken en geheeld.
Ik heb nieuwe vrienden gemaakt. Via internet. Via mijn weblog. Kun je het voorstellen? Een contactgestoorde barkeeper met virtuele contacten? Een barkeeper is niet contactgestoord. Het zal je verbazen hoeveel van de mensen die ik ken via internet uit de horeca komen. En uit de gezondheidszorg. Het is juist het tegenovergestelde. Wij zijn overgevoelig voor mensen. Het is een antireactie. Teveel mensen om ons heen. Teveel zeikers, klagers, psychoten en psychopaten. Selectie op het scherm. Selectie door woorden, hebben ze wat te vertellen? En vooral hóe ze dat vertellen. Smelten door een bepaalde blik, natuurlijk gebeurt dat nog steeds. Ze zat er zelfs, toen jullie binnen kwamen. Maar die verhalen krijg je niet meer te horen. Waarom zou ik nog als jij lekker stelletje aan het spelen bent. Binnen je fijne stelletjeswereld ben je de horecaregels wel heel snel vergeten. Jammer van je korte termijn geheugen, ook dat is eindig.
Internet is oneindig. Oneindige reeksen woorden. Weer de selectie. En dan geïntimideerd door woorden. Smelten door woorden. Mensen die mij klein krijgen. Mensen die mij op de knieën krijgen. De Duivel wordt God. God wordt een engel.
Eigenlijk ben ik ook een engel. Maar niet meer voor jou. Bye.
05 February 2006
X-rated
Een lunch date. Buiten het kantoor. Een half uur voor een half jaar. De nacht om twee uur ’s middags.
Vreemd je overdag te zien, schreef ik. Geen alcohol, we moeten allebei nog werken. Het werk gaat door, dat geef je niet op. Iedereen die ik heb beschreven, waarover ik heb geschreven, ben ik kwijtgeraakt. Teveel inspanningen. Teveel mensen. Teveel woorden. Leven is overbodigheid lozen. Eenzaamheid wordt sterker naarmate je minder alleen bent. Het wordt een testcase, dit.
Ik wil het niet vragen maar doe het toch. Ik zou wensen dat ik het niet zou willen vragen, maar ik wil het weten. Ik moet het weten. Dus ik vraag het. De bekende weg.
Je borsten zijn gegroeid. Logisch, biologisch. We zijn het erover eens dat kleine borsten mooier zijn. Grote borsten associeer ik met uiers. In een kilo vet zit geen gevoel. Grote borsten associeer ik met zeugen. De verleden tijd van zogen. Uitgemolken, nutteloze omhulsels, die eerder een hernia dan een erectie veroorzaken. We zijn het eens over sigaretten. Niet roken veroorzaakt meer onrust, is schadelijker dan het geïnhaleerde gif. Waarom zou je schuldgevoel hebben wanneer je leven geeft? Wanneer je jouw leven geeft? Waarom zou je schuldgevoel hebben wanneer je jouw eigen leven opgeeft? Biologica.
We ageren tegen de kliekjes. Roddelen, ja, lekker. Het geschreven woord, nu uit mijn mond, het geschreven woord nu tegenover mij aan de tafel. Wij zijn ook een kliek. We hebben onze eigen kliek gemaakt. Het luxeprobleem. Wat waar te plaatsen? De karikatuur valkuil. We hoeven de discussie over de namen niet meer te voeren. Daar hebben we geen namen nodig, de teksten dragen onze krassen. Lidtekens en littekens. Dat zijn ook handtekeningen.
De verstorende werking van reacties. Opdringerige mensen heb ik nooit vertrouwd. Ze dringen zich op met een reden, ze moeten iets van je. Bespaar jezelf de moeite, je krijgt niets. Indringers met hun bevestigingsdrang. Laten weten dat ze het hebben gelezen. Laten weten dat ze er niets van hebben begrepen.
Ze schrijft mooi, zeg je. Intimidatie, doorgegeven als omgevallen dominostenen. Ze intimideert jou, zeg je. Jij intimideert mij, maar dat zeg ik niet. Ik intimideer háár weer. En zij, zij intimideert ons allemaal. En zij heeft het zelf niet eens in de gaten. Dat is juist het mooie aan haar. Dat pure, dat maakt háár zo mooi. Want ze is puur, hoe onzuiver zij zichzelf ook vindt.
"Ze is vast heel mooi, met groene ogen."
Intimiderend mooi. Daarom geen foto’s.
Het verschil tussen passie en seks. Nooit vragen wat iemand lekker vindt, je moet doen wat je zelf lekker vindt. Je was erbij, je voelde het. Onversneden spanning. Een elektrisch geladen driehoek boven een ter afleiding met eten gevulde tafel. Ik wilde kijken naar jullie. Jij wilde kijken naar ons. Ze schreeuwde het uit, niet van pijn. Ze schreeuwde het uit van mij. Namens mij. Het verschil tussen mij en hem. Ze is bang geworden, voor ons.
Het is koud, het ijzer dat je polsen omsluit. Verstikkend in de levensband. De band van de ongeboren vrucht. Een onzichtbaar wezen, een onzichtbare band. Leven met een band. Zichtbaar. Leven aan een band. Het verstikkende laat ademen. Het verstikkende geeft lucht. Vrijheid, lopend aan een band. Vrijheid aan de lopende band. Gevangen in vrijheid. Gevangene van de losbandigheid. Gevangene van de rijpheid. Gevangene van de paringnijd. Gevangene van de bandeloze vrijheid. In de ban van het verstikkend leven. In de ban van het verstikkend haar. In de ban van het verstikkend zijn. Koud is goed. De warmte van verbondenheid.
Wanneer je vrienden bent kwijtgeraakt moet je nieuwe vrienden maken. Wanneer je de liefde bent kwijtgeraakt is het over. Liefde kun je niet maken. Voor een slot ga je niet naar een slotenmaker.
’s Middags lig jij op je rug, ’s nachts plaats ik de foto. Het woord toeval bestaat alleen omdat onze hersens te klein zijn om alle samenhangen te begrijpen. Onberekenbaar maar onvermijdelijk. De dood voor elke wiskundige. We hebben het vermoed. We hebben het gelezen. We hebben het geweten. Geen woord teveel, elk woord moet raak zijn. Geen mens teveel. Elke ontmoeting moet raak zijn. Ik had het moeten weten maar ik haalde het er niet uit.
Na het afscheid voel ik mijn hoofd. Een half uur werd anderhalf uur. Ik vraag me af wat een half jaar gaat worden. De rest van de dag loop ik met pijn in mijn hoofd over de afdeling. Loop ik met jullie in mijn hoofd over de afdeling. Ik staar maar naar het scherm maar er komt maar niets. Het zijn háár woorden. De nacht om twee uur ’s middags. ’s Nachts heb ik nooit hoofdpijn. ’s Nachts stel je geen vragen.
"Je moet snel eens langskomen."
Het antwoord is bekend.
Vreemd je overdag te zien, schreef ik. Geen alcohol, we moeten allebei nog werken. Het werk gaat door, dat geef je niet op. Iedereen die ik heb beschreven, waarover ik heb geschreven, ben ik kwijtgeraakt. Teveel inspanningen. Teveel mensen. Teveel woorden. Leven is overbodigheid lozen. Eenzaamheid wordt sterker naarmate je minder alleen bent. Het wordt een testcase, dit.
Ik wil het niet vragen maar doe het toch. Ik zou wensen dat ik het niet zou willen vragen, maar ik wil het weten. Ik moet het weten. Dus ik vraag het. De bekende weg.
Je borsten zijn gegroeid. Logisch, biologisch. We zijn het erover eens dat kleine borsten mooier zijn. Grote borsten associeer ik met uiers. In een kilo vet zit geen gevoel. Grote borsten associeer ik met zeugen. De verleden tijd van zogen. Uitgemolken, nutteloze omhulsels, die eerder een hernia dan een erectie veroorzaken. We zijn het eens over sigaretten. Niet roken veroorzaakt meer onrust, is schadelijker dan het geïnhaleerde gif. Waarom zou je schuldgevoel hebben wanneer je leven geeft? Wanneer je jouw leven geeft? Waarom zou je schuldgevoel hebben wanneer je jouw eigen leven opgeeft? Biologica.
We ageren tegen de kliekjes. Roddelen, ja, lekker. Het geschreven woord, nu uit mijn mond, het geschreven woord nu tegenover mij aan de tafel. Wij zijn ook een kliek. We hebben onze eigen kliek gemaakt. Het luxeprobleem. Wat waar te plaatsen? De karikatuur valkuil. We hoeven de discussie over de namen niet meer te voeren. Daar hebben we geen namen nodig, de teksten dragen onze krassen. Lidtekens en littekens. Dat zijn ook handtekeningen.
De verstorende werking van reacties. Opdringerige mensen heb ik nooit vertrouwd. Ze dringen zich op met een reden, ze moeten iets van je. Bespaar jezelf de moeite, je krijgt niets. Indringers met hun bevestigingsdrang. Laten weten dat ze het hebben gelezen. Laten weten dat ze er niets van hebben begrepen.
Ze schrijft mooi, zeg je. Intimidatie, doorgegeven als omgevallen dominostenen. Ze intimideert jou, zeg je. Jij intimideert mij, maar dat zeg ik niet. Ik intimideer háár weer. En zij, zij intimideert ons allemaal. En zij heeft het zelf niet eens in de gaten. Dat is juist het mooie aan haar. Dat pure, dat maakt háár zo mooi. Want ze is puur, hoe onzuiver zij zichzelf ook vindt.
"Ze is vast heel mooi, met groene ogen."
Intimiderend mooi. Daarom geen foto’s.
Het verschil tussen passie en seks. Nooit vragen wat iemand lekker vindt, je moet doen wat je zelf lekker vindt. Je was erbij, je voelde het. Onversneden spanning. Een elektrisch geladen driehoek boven een ter afleiding met eten gevulde tafel. Ik wilde kijken naar jullie. Jij wilde kijken naar ons. Ze schreeuwde het uit, niet van pijn. Ze schreeuwde het uit van mij. Namens mij. Het verschil tussen mij en hem. Ze is bang geworden, voor ons.
Het is koud, het ijzer dat je polsen omsluit. Verstikkend in de levensband. De band van de ongeboren vrucht. Een onzichtbaar wezen, een onzichtbare band. Leven met een band. Zichtbaar. Leven aan een band. Het verstikkende laat ademen. Het verstikkende geeft lucht. Vrijheid, lopend aan een band. Vrijheid aan de lopende band. Gevangen in vrijheid. Gevangene van de losbandigheid. Gevangene van de rijpheid. Gevangene van de paringnijd. Gevangene van de bandeloze vrijheid. In de ban van het verstikkend leven. In de ban van het verstikkend haar. In de ban van het verstikkend zijn. Koud is goed. De warmte van verbondenheid.
Wanneer je vrienden bent kwijtgeraakt moet je nieuwe vrienden maken. Wanneer je de liefde bent kwijtgeraakt is het over. Liefde kun je niet maken. Voor een slot ga je niet naar een slotenmaker.
’s Middags lig jij op je rug, ’s nachts plaats ik de foto. Het woord toeval bestaat alleen omdat onze hersens te klein zijn om alle samenhangen te begrijpen. Onberekenbaar maar onvermijdelijk. De dood voor elke wiskundige. We hebben het vermoed. We hebben het gelezen. We hebben het geweten. Geen woord teveel, elk woord moet raak zijn. Geen mens teveel. Elke ontmoeting moet raak zijn. Ik had het moeten weten maar ik haalde het er niet uit.
Na het afscheid voel ik mijn hoofd. Een half uur werd anderhalf uur. Ik vraag me af wat een half jaar gaat worden. De rest van de dag loop ik met pijn in mijn hoofd over de afdeling. Loop ik met jullie in mijn hoofd over de afdeling. Ik staar maar naar het scherm maar er komt maar niets. Het zijn háár woorden. De nacht om twee uur ’s middags. ’s Nachts heb ik nooit hoofdpijn. ’s Nachts stel je geen vragen.
"Je moet snel eens langskomen."
Het antwoord is bekend.
23 January 2006
Het verraad van Boomlang
Geen joviale lach. Timide kijkt hij me aan. Quilt. Slecht nieuws moet je meteen vertellen. "Sorry."
Zo erg was het toch niet, gisteren? Vervelend? Welnee, je was niet vervelend. Verhit, maar niet vervelend. Iedereen is wel eens dronken, ik zelf niet in de minste plaats. Hoe reageer je op mij wanneer ik weer eens ladderzat binnenval? De mensen vinden het leuk wanneer ik dronken ben. Kijk eens, hij kan praten. Ja, dan wel. Altijd lachen. Waarom weet ik vaak niet eens, maar we lachen in elk geval. Onze running gags ontstaan op zulke avonden. Het leukst is de night after, wanneer één van ons zich weer eens heeft misdragen. Dan worden de puzzelstukjes samengevoegd en krijgt de avond vorm. Nu is het anders. Ik kijk naar zijn gezicht, kleine ogen, hij is bleek. Koud zweet. Niet voor anderen gaan denken.
Het is uit. Dat weet ik, dat heeft hij me verteld. Zij overigens niet, opvallend. Ze heeft het wel tegen hem verteld. Drie maanden zagen we haar niet. Ze zat al die tijd in Haarlem, zei ze. Ik had het ook geloofd wanneer ze had gezegd dat ze boven op een viaduct had gestaan.
Tijd leert ons alles. Wanneer het te laat is, weten we alles. Wat het jaar van de grote verandering moest worden is het jaar van de totale afstomping geworden. Wat nieuwe vriendschappen moesten worden, bleken niet meer dan toevallige passanten te zijn. Medereizigers, dat wel, maar onderweg met een ander doel. Naar een ander doel. Hoeveel tijd heb ik nog?
Vlinders. Heel even. Ik heb een zwak voor haar. Voor meerdere ondertussen maar toch. Ze blijft mijn achilleshiel. Ik houd altijd in de gaten wat er om haar heen dartelt en scharrelt. Voorkomen en genezen en bla. Vlinders in mijn buik toen hij het vertelde. Het is uit wordt vertaald als ze is weer beschikbaar. En voor haar ben ik altijd beschikbaar. Ik mocht niets met haar beginnen van de kroegbaas. Niet vanwege het eigen verbruik of de stroom drank die over de bar zou gaan. Nee. Dat was het probleem niet eens. Het gevaar ligt anders. Wie helpt wie de vernieling in.
Ze komt alleen binnen. Dat was te verwachten. Alleen reizen levert eerder nieuwe contacten op. Wanneer je alleen reist maak je eerder contact. Wanneer je alleen aan een bar zit maak je geen contact. Dan ben je contactgestoord.
"Wat is het rustig."
Die was ook te verwachten.
"Bier?"
"Nee. Rode wijn. En een glas water. En galloise rood."
Ik geef het gevraagde.
"Wat is het rustig," herhaalt ze.
"Hoe gaat het?"
Ik stel de vraag toch maar, ik wil het uit haar eigen mond horen. Ik wil dat ze me aankijkt en het dan zegt. Ik vraag nooit aan mensen hoe het met ze gaat. Als ze dat willen vertellen doen ze dat wel uit zichzelf. Aan een gezicht kan ik zien hoe het met iemand gaat. Ik haat het naar de bekende weg vragen. Het vragen om het vragen. Om maar een vraag te stellen, om maar contact te maken. Twee gezichten die elkaar aankijken is ook contact. Twee gezichten die elkaar aankijken is beter contact. Twee paar ogen die elkaar aankijken is het beste contact. Ogen wil ik zien. Je gezicht wil ik zien. Woorden zijn leugens, je gezicht liegt niet. Je lichaam liegt niet. Je lichaam loog niet.
Ik hoef iemand niet eens leuk te vinden. Mijn intuïtie zegt het wanneer ik je wil. Daar hoef ik niet eens over na te denken. Nadenken werkt averechts. Eén blik is voldoende. Eén blik is het. Jij bent voldoende. Jij was het.
"Als ik dat doe dan breekt hij mijn knieschijven."
Hij wel.
Het was goed dat ik er niet was die avond, de avond toen ze het hem vertelde. De avond dat ze het wereldkundig maakte. Ik ben de wereld niet, ik ben geen onderdeel van de wereld. Ik leef in mijn eigen wereld, in mijn eigen vat van tegenstellingen en tegenstrijdigheden. Ik zou haar nooit meer aanraken. Ik zou haar nooit meer opvangen. Wanneer je jezelf tegenspreekt mag je de rest van de wereld ook tegenspreken. Ik zou zijn gesmolten. Dat gezicht. Die ogen. De blik in haar ogen. Dodelijk. Vernieling. Ja, en dus? Samen in de vernieling is minder eenzaam.
Relaties monden uit in het gedogen van elkaar. Op vriendschappen ligt geen claim. Geen afrekening. Relaties kennen een prijs. Vriendschappen niet. Vrienden rekenen niet. Hooguit op elkaar. In het beste geval dan, de uitzondering openbaart zich altijd op het verkeerde moment.
"Waarom zeggen we dat nu pas?"
Afgelopen zomer hoorde ik het en nu hoor ik het weer. De geschiedenis herhaalt zich. Ik heb er niets van geleerd. Waarom is het zo moeilijk de waarheid te zeggen? De angst omdat je jezelf kwetsbaar opstelt, de angst voor de afwijzing.
"Ik vind je leuk maar niet zó leuk."
Het is maar een zin.
De waarheid die naar buiten komt wanneer mensen al een andere weg hebben ingeslagen. Wanneer ze zich teleurgesteld hebben teruggetrokken van die ander. Berusten en accepteren als enig lapmiddel om door te kunnen gaan. De waarheid die naar buiten komt wanneer het te laat is. Er is geen tijd genoeg. Tijd is schaars en alles is tijdelijk. Beperkt. Het moment van toeslaan heeft een houdbaarheidsdatum. Tijd krijg je niet. Tijd neem je.
Op de fiets bedenk ik mijn openingsgrap.
"En, heeft ze nog een striptease gedaan?"
Ik heb het maar niet gezegd.
We hebben een spiegel nodig. Je kunt niet alles zelf verzinnen, je kunt niet alles weten. We kunnen niet alles zelf zien. Je doet het goed in de ogen van anderen, je doet het nooit goed in de ogen van jezelf. We kunnen ons zelf nooit zien zoals we werkelijk zijn, een spiegel geeft ons slechts een spiegelbeeld. Het is een beeld, het is niet de werkelijkheid. Een puist op je rechterwang zit volgens de spiegel op je rechterwang. Maar wanneer je achter de spiegel zou gaan staan en je zou de plaats innemen van de figuur die je daar ziet staan, de plaats van je eigen figuur, dan zit de puist ineens op je linkerwang. Deelnemers links, toeschouwers rechts. Hoe je het went of keert, het blijft letterlijk een spiegelbeeld. Spiegels zijn handig om coke te versnijden, om de lijntjes te doseren. Dé ander is de enig echte, ware spiegel.
Ze vraagt naar het nakende vaderschap, of zij nog steeds een kind van me wil. Komt niet. Ze heeft goed geluisterd. Ik vertel de waarheid, waarom zou ik liegen? Ik vertelde het de laatste keer dat ik haar zag. De bar gevuld, het café vol. Ik ging los, ze zoog me leeg en de hele bar genoot mee. De broedmachine heeft een andere provider gevonden. Ik voel het niet eens als een nederlaag. Waar anderen verder gaan, lijk ik zelf stil te staan. Waar anderen plannen maken, beslissingen nemen, keuzes maken, doe ik niks. Ik stel uit. Komt nog wel. Ik stel af. Komt niet meer. Ik vraag naar haar zus. Ik vraag naar Lodewijk. Ik vraag naar Haarlem. Ik vraag naar haar kamer. Ze beantwoordt alle vragen maar ze geeft niet hét antwoord. Het antwoord op de vraag die ik niet meer hoef te stellen. Komt nooit meer. "Luister je wel naar me?"
Hij laat heel even een stilte vallen, hij buigt zijn hoofd. Om adem te halen waarschijnlijk. Dan valt bij mij het kwartje, de stilte was precies lang genoeg. Zijn gezicht komt omhoog, zijn mond gaat open. Nee, zeg het niet. Niet doen. Niet jij. Niet jij ook.
Tegels mag je niet van een viaduct afgooien. Je hoort ze nooit over mensen.
Zo erg was het toch niet, gisteren? Vervelend? Welnee, je was niet vervelend. Verhit, maar niet vervelend. Iedereen is wel eens dronken, ik zelf niet in de minste plaats. Hoe reageer je op mij wanneer ik weer eens ladderzat binnenval? De mensen vinden het leuk wanneer ik dronken ben. Kijk eens, hij kan praten. Ja, dan wel. Altijd lachen. Waarom weet ik vaak niet eens, maar we lachen in elk geval. Onze running gags ontstaan op zulke avonden. Het leukst is de night after, wanneer één van ons zich weer eens heeft misdragen. Dan worden de puzzelstukjes samengevoegd en krijgt de avond vorm. Nu is het anders. Ik kijk naar zijn gezicht, kleine ogen, hij is bleek. Koud zweet. Niet voor anderen gaan denken.
Het is uit. Dat weet ik, dat heeft hij me verteld. Zij overigens niet, opvallend. Ze heeft het wel tegen hem verteld. Drie maanden zagen we haar niet. Ze zat al die tijd in Haarlem, zei ze. Ik had het ook geloofd wanneer ze had gezegd dat ze boven op een viaduct had gestaan.
Tijd leert ons alles. Wanneer het te laat is, weten we alles. Wat het jaar van de grote verandering moest worden is het jaar van de totale afstomping geworden. Wat nieuwe vriendschappen moesten worden, bleken niet meer dan toevallige passanten te zijn. Medereizigers, dat wel, maar onderweg met een ander doel. Naar een ander doel. Hoeveel tijd heb ik nog?
Vlinders. Heel even. Ik heb een zwak voor haar. Voor meerdere ondertussen maar toch. Ze blijft mijn achilleshiel. Ik houd altijd in de gaten wat er om haar heen dartelt en scharrelt. Voorkomen en genezen en bla. Vlinders in mijn buik toen hij het vertelde. Het is uit wordt vertaald als ze is weer beschikbaar. En voor haar ben ik altijd beschikbaar. Ik mocht niets met haar beginnen van de kroegbaas. Niet vanwege het eigen verbruik of de stroom drank die over de bar zou gaan. Nee. Dat was het probleem niet eens. Het gevaar ligt anders. Wie helpt wie de vernieling in.
Ze komt alleen binnen. Dat was te verwachten. Alleen reizen levert eerder nieuwe contacten op. Wanneer je alleen reist maak je eerder contact. Wanneer je alleen aan een bar zit maak je geen contact. Dan ben je contactgestoord.
"Wat is het rustig."
Die was ook te verwachten.
"Bier?"
"Nee. Rode wijn. En een glas water. En galloise rood."
Ik geef het gevraagde.
"Wat is het rustig," herhaalt ze.
"Hoe gaat het?"
Ik stel de vraag toch maar, ik wil het uit haar eigen mond horen. Ik wil dat ze me aankijkt en het dan zegt. Ik vraag nooit aan mensen hoe het met ze gaat. Als ze dat willen vertellen doen ze dat wel uit zichzelf. Aan een gezicht kan ik zien hoe het met iemand gaat. Ik haat het naar de bekende weg vragen. Het vragen om het vragen. Om maar een vraag te stellen, om maar contact te maken. Twee gezichten die elkaar aankijken is ook contact. Twee gezichten die elkaar aankijken is beter contact. Twee paar ogen die elkaar aankijken is het beste contact. Ogen wil ik zien. Je gezicht wil ik zien. Woorden zijn leugens, je gezicht liegt niet. Je lichaam liegt niet. Je lichaam loog niet.
Ik hoef iemand niet eens leuk te vinden. Mijn intuïtie zegt het wanneer ik je wil. Daar hoef ik niet eens over na te denken. Nadenken werkt averechts. Eén blik is voldoende. Eén blik is het. Jij bent voldoende. Jij was het.
"Als ik dat doe dan breekt hij mijn knieschijven."
Hij wel.
Het was goed dat ik er niet was die avond, de avond toen ze het hem vertelde. De avond dat ze het wereldkundig maakte. Ik ben de wereld niet, ik ben geen onderdeel van de wereld. Ik leef in mijn eigen wereld, in mijn eigen vat van tegenstellingen en tegenstrijdigheden. Ik zou haar nooit meer aanraken. Ik zou haar nooit meer opvangen. Wanneer je jezelf tegenspreekt mag je de rest van de wereld ook tegenspreken. Ik zou zijn gesmolten. Dat gezicht. Die ogen. De blik in haar ogen. Dodelijk. Vernieling. Ja, en dus? Samen in de vernieling is minder eenzaam.
Relaties monden uit in het gedogen van elkaar. Op vriendschappen ligt geen claim. Geen afrekening. Relaties kennen een prijs. Vriendschappen niet. Vrienden rekenen niet. Hooguit op elkaar. In het beste geval dan, de uitzondering openbaart zich altijd op het verkeerde moment.
"Waarom zeggen we dat nu pas?"
Afgelopen zomer hoorde ik het en nu hoor ik het weer. De geschiedenis herhaalt zich. Ik heb er niets van geleerd. Waarom is het zo moeilijk de waarheid te zeggen? De angst omdat je jezelf kwetsbaar opstelt, de angst voor de afwijzing.
"Ik vind je leuk maar niet zó leuk."
Het is maar een zin.
De waarheid die naar buiten komt wanneer mensen al een andere weg hebben ingeslagen. Wanneer ze zich teleurgesteld hebben teruggetrokken van die ander. Berusten en accepteren als enig lapmiddel om door te kunnen gaan. De waarheid die naar buiten komt wanneer het te laat is. Er is geen tijd genoeg. Tijd is schaars en alles is tijdelijk. Beperkt. Het moment van toeslaan heeft een houdbaarheidsdatum. Tijd krijg je niet. Tijd neem je.
Op de fiets bedenk ik mijn openingsgrap.
"En, heeft ze nog een striptease gedaan?"
Ik heb het maar niet gezegd.
We hebben een spiegel nodig. Je kunt niet alles zelf verzinnen, je kunt niet alles weten. We kunnen niet alles zelf zien. Je doet het goed in de ogen van anderen, je doet het nooit goed in de ogen van jezelf. We kunnen ons zelf nooit zien zoals we werkelijk zijn, een spiegel geeft ons slechts een spiegelbeeld. Het is een beeld, het is niet de werkelijkheid. Een puist op je rechterwang zit volgens de spiegel op je rechterwang. Maar wanneer je achter de spiegel zou gaan staan en je zou de plaats innemen van de figuur die je daar ziet staan, de plaats van je eigen figuur, dan zit de puist ineens op je linkerwang. Deelnemers links, toeschouwers rechts. Hoe je het went of keert, het blijft letterlijk een spiegelbeeld. Spiegels zijn handig om coke te versnijden, om de lijntjes te doseren. Dé ander is de enig echte, ware spiegel.
Ze vraagt naar het nakende vaderschap, of zij nog steeds een kind van me wil. Komt niet. Ze heeft goed geluisterd. Ik vertel de waarheid, waarom zou ik liegen? Ik vertelde het de laatste keer dat ik haar zag. De bar gevuld, het café vol. Ik ging los, ze zoog me leeg en de hele bar genoot mee. De broedmachine heeft een andere provider gevonden. Ik voel het niet eens als een nederlaag. Waar anderen verder gaan, lijk ik zelf stil te staan. Waar anderen plannen maken, beslissingen nemen, keuzes maken, doe ik niks. Ik stel uit. Komt nog wel. Ik stel af. Komt niet meer. Ik vraag naar haar zus. Ik vraag naar Lodewijk. Ik vraag naar Haarlem. Ik vraag naar haar kamer. Ze beantwoordt alle vragen maar ze geeft niet hét antwoord. Het antwoord op de vraag die ik niet meer hoef te stellen. Komt nooit meer. "Luister je wel naar me?"
Hij laat heel even een stilte vallen, hij buigt zijn hoofd. Om adem te halen waarschijnlijk. Dan valt bij mij het kwartje, de stilte was precies lang genoeg. Zijn gezicht komt omhoog, zijn mond gaat open. Nee, zeg het niet. Niet doen. Niet jij. Niet jij ook.
Tegels mag je niet van een viaduct afgooien. Je hoort ze nooit over mensen.
17 January 2006
Iemand (2)
Ik loop terug naar mijn barkruk en ga weer naast haar zitten.
"Mooi meisje."
Hoe gekker, hoe mooier.
"Je hebt smaak. Dat was het eerste dat me opviel aan jou. De meeste mannen hebben geen smaak. Die hebben een lul."
Geen spoortje jaloezie. Meestal wanneer een vrouw jouw aandacht verliest vanwege een andere borstenpartij worden feilloos de minpunten naar boven gehaald. Truitje te strak of te wijd, cup te groot of te klein, hakken te hoog of te laag. Teveel of te weinig kont.
"Ze heeft een mooie tatoeage. Boven haar kont."
Hoe kan zij dat nou weten?
"We hebben laatst foto’s gemaakt. Zij was er ook bij."
Ze hadden zeker allebei geld nodig.
"Nee, meer uit verveling. Meisjes doen heus niet alles voor geld."
Ik heb er nooit voor hoeven betalen.
"Ze vol met drank gooien komt op hetzelfde neer, eikel."
Er komen drie kutjes binnen. Klein, alle drie.
"Te hoge hakken. Veel te hoog. Ze lopen als mongooltjes. Nee, nee, eenden! Het is een eendenfamilie."
Charmant is dit inderdaad allerminst te noemen.
"Kwak, kwak."
Ze is gewoon jaloers omdat zij zulke schoenen niet kan betalen.
"Niet waar. Ik heb geen hakken nodig om een mooie houding te hebben."
Ze gaat staan. In plaats van mijn hoofd mee te draaien kijk ik weer naar te jong aan de andere kant van de bar en fantaseer over haar tatoeage en het gedeelte van haar lichaam daaronder. Vrouwelijke rondingen komen aan de achterkant beter tot hun recht dan aan de voorkant. Heeft er ook mee te maken dat aan de voorkant de overbodige woordenbrij hun lichaam verlaat. Houd je mond, het gaat mij om je rondingen.
"Kijk dan."
Iedereen heeft geld nodig. Mensen zoeken geen geluk maar ze zoeken geld. Geluk is niet te koop. De illusie van geluk wel. We leven in een illusie want de werkelijkheid is niet leefbaar. Er is geen doel, er is geen drang. De werkelijkheid zadelt ons op met dwangmatigheden, met verplichtingen. De illusie is de maakbare werkelijkheid van geluk.
Ik kijk. Precies op dat moment heeft ze zich helemaal omgedraaid. Ik kijk tegen haar achterkant aan. Ze heeft gelijk. Ze wrijft over haar heupen.
"Kijk dan. Zo horen heupen te zitten. En dit zijn billen."
Haar handen volgen haar woorden.
"Echte billen."
Gevalletje puur natuur.
"Als zij daar naakt voor je staan dan heb je twee puddinkjes in je handen."
Ik houd inderdaad niet van pudding. Na het eten drink je koffie.
"En moet je die paardenbek zien. Ze hadden vroeger zeker geen geld voor de tandarts."
Ik begin te lachen. Vrouwelijke logica. Er mankeert niets aan haar ogen.
"Ik heb ook wel eens een wortel in mijn mond gestopt, hoor."
Ze drukt haar handen op de onderkant van haar rug.
"Zo accentueer je een vrouwenlichaam. Daar heb ik die schoenen niet voor nodig."
Ze kijkt me uitdagend aan.
"Je kunt mij een hoop vertellen maar dit lichaam heeft je nooit teleurgesteld."
Het zijn mijn eigen woorden.
"Het zijn je eigen woorden."
Ze kijkt naar mijn kruis.
"Al hoefde je het niet eens te zeggen."
Ze steekt het puntje van haar tong uit. Ik heb een stijve gekregen.
"En dan heb ik je nog niet eens aangeraakt."
Vrouwen praten misschien veel maar mannen zeggen teveel.
"Mooi meisje."
Hoe gekker, hoe mooier.
"Je hebt smaak. Dat was het eerste dat me opviel aan jou. De meeste mannen hebben geen smaak. Die hebben een lul."
Geen spoortje jaloezie. Meestal wanneer een vrouw jouw aandacht verliest vanwege een andere borstenpartij worden feilloos de minpunten naar boven gehaald. Truitje te strak of te wijd, cup te groot of te klein, hakken te hoog of te laag. Teveel of te weinig kont.
"Ze heeft een mooie tatoeage. Boven haar kont."
Hoe kan zij dat nou weten?
"We hebben laatst foto’s gemaakt. Zij was er ook bij."
Ze hadden zeker allebei geld nodig.
"Nee, meer uit verveling. Meisjes doen heus niet alles voor geld."
Ik heb er nooit voor hoeven betalen.
"Ze vol met drank gooien komt op hetzelfde neer, eikel."
Er komen drie kutjes binnen. Klein, alle drie.
"Te hoge hakken. Veel te hoog. Ze lopen als mongooltjes. Nee, nee, eenden! Het is een eendenfamilie."
Charmant is dit inderdaad allerminst te noemen.
"Kwak, kwak."
Ze is gewoon jaloers omdat zij zulke schoenen niet kan betalen.
"Niet waar. Ik heb geen hakken nodig om een mooie houding te hebben."
Ze gaat staan. In plaats van mijn hoofd mee te draaien kijk ik weer naar te jong aan de andere kant van de bar en fantaseer over haar tatoeage en het gedeelte van haar lichaam daaronder. Vrouwelijke rondingen komen aan de achterkant beter tot hun recht dan aan de voorkant. Heeft er ook mee te maken dat aan de voorkant de overbodige woordenbrij hun lichaam verlaat. Houd je mond, het gaat mij om je rondingen.
"Kijk dan."
Iedereen heeft geld nodig. Mensen zoeken geen geluk maar ze zoeken geld. Geluk is niet te koop. De illusie van geluk wel. We leven in een illusie want de werkelijkheid is niet leefbaar. Er is geen doel, er is geen drang. De werkelijkheid zadelt ons op met dwangmatigheden, met verplichtingen. De illusie is de maakbare werkelijkheid van geluk.
Ik kijk. Precies op dat moment heeft ze zich helemaal omgedraaid. Ik kijk tegen haar achterkant aan. Ze heeft gelijk. Ze wrijft over haar heupen.
"Kijk dan. Zo horen heupen te zitten. En dit zijn billen."
Haar handen volgen haar woorden.
"Echte billen."
Gevalletje puur natuur.
"Als zij daar naakt voor je staan dan heb je twee puddinkjes in je handen."
Ik houd inderdaad niet van pudding. Na het eten drink je koffie.
"En moet je die paardenbek zien. Ze hadden vroeger zeker geen geld voor de tandarts."
Ik begin te lachen. Vrouwelijke logica. Er mankeert niets aan haar ogen.
"Ik heb ook wel eens een wortel in mijn mond gestopt, hoor."
Ze drukt haar handen op de onderkant van haar rug.
"Zo accentueer je een vrouwenlichaam. Daar heb ik die schoenen niet voor nodig."
Ze kijkt me uitdagend aan.
"Je kunt mij een hoop vertellen maar dit lichaam heeft je nooit teleurgesteld."
Het zijn mijn eigen woorden.
"Het zijn je eigen woorden."
Ze kijkt naar mijn kruis.
"Al hoefde je het niet eens te zeggen."
Ze steekt het puntje van haar tong uit. Ik heb een stijve gekregen.
"En dan heb ik je nog niet eens aangeraakt."
Vrouwen praten misschien veel maar mannen zeggen teveel.
Subscribe to:
Posts (Atom)