23 September 2007

Against the grain

In Amstelveen is het weer een dolle boel. Er zijn er al zes binnen, ik ben de zevende. Twee achter de bar, twee achter het mengpaneel en twee bij de tafel met T-shirts en cd’s. Het meisje achter de bar heeft een haakneus en een bos Surinaamse krullen. Ik zet haar aan het werk en bestel de eerste in een lange rij. Het is tenslotte zaterdagavond, laat ik maar weer eens dronken worden.

Om half negen begint er een voorprogramma. Er zijn wat meer mensen in de zaal gekomen, het publiek halveert echter wanneer vier van hen op het podium gaan staan. De haakneus gooit mijn tweede bijdrage muntjes in een bak, vooralsnog ben ik 100% van de omzet. Zorg voor iets opvallends, dan word je onthouden. Ze draagt een roze plastic armband, meeloophype van een paar jaar geleden. Een witte armband is tegen armoede, een gele is tegen kanker, oranje is tegen intolerantie. Roze zal dan wel tegen homo’s zijn. Ik heb niets tegen homo’s, wel tegen meelopers. Misschien ben ik daarom alleen. Het voorprogramma krijgt een zesje voor de moeite, de haakneus applaudisseert. Ik klap ook, ik vind het een mooie bos krullen en mijn glas is leeg.

Er komt nog een voorprogramma, laten we het een tussenprogramma noemen. Ze zijn met twee man, alleen gitaar en drum, het achtergrondlawaai met postmodern sloganisme staat op tape. Het geheel is een bak stevige herrie, dat is lekker. Ik bestel maar weer eens, ze worden lekkerder. De haakneus laat haar Surinaamse krullen springen, dat is het lekkerst. Twee brillenmansen voor me kijken hoofdschuddend naar het podium. Achter de bar hangen drie computerschermen, willitblend.com verschijnt in beeld. Ik ken ze al.

Ik blijf aan de bar hangen, bij de spoelbak, er is alleen niets om te spoelen. Er staat nu ongeveer veertig man in de zaal, ik voel een plaatsvervangende schaamte. Niet zozeer voor de opvullende bandjes, wel voor de hoofdact waarvoor ik hier ben gekomen. Naast de haakneus is een jongen achter de bar komen staan. Hij geeft zijn vriendinnetje een biertje. Dat is een lek. Ik draai me om, achter me staat de tafel met de T-shirts en cd’s. Dat is handel. Naast de tafel staat een mannetje in een wit shirt en een baseballcap op zijn hoofd. Dat is Chris Spencer.

Laat ik eens vrienden gaan maken voordat de Surinaamse krullen echt zenuwachtig van me worden. Chris Spencer is de zanger/gitarist van Unsane. Ik geef hem een hand en bedank hem voor Visqueen. Hij vertelt over de tour, de bassist die het land niet uit mocht en op de tour wordt vervangen door de bassist van Cop Shoot Cop. Hij vertelt hoe de draak van negen minuten, het laatste nummer van Visqueen, is opgenomen, hij pakt de cd’s van de tafel en vertelt waar de hoesfoto’s zijn gemaakt. De badkamer van Blood Run: zijn eigen badkamer. Het veld met lijk van Visqueen: tuin van zijn broer. Wie het lijk is vertelt hij dan weer niet. Ik vraag of hij iets wil drinken. "No man, I’m gonna buy yóú a beer." Hij loopt naar de bar, de haakneus loopt naar hem toe. Even later geeft hij me het biertje, uit zijn broekzak komt een hand muntjes, die geeft hij erbij. Kun je cd’s ook met muntjes betalen? Ik vraag hem of een slecht gevulde zaal wel motiveert tot optreden, een band kan een zaal opzepen maar omgekeerd zweept een goed gevulde zaal die uit zijn dak gaat de band juist weer op. Geen probleem, volgens hem. Hij vertelt over zijn band met de drummer, ze houden elkaar scherp, stuwen elkaar omhoog bij optredens. Hij vindt het jammer dat er weinig publiek is maar hij belooft me alles te zullen geven. Dat is mooi, waar zijn de groupies?

Spencer verdwijnt en de brillenmansen komen naar me toe. "Jij kreeg gewoon een biertje van Chris Spencer!?" Is dat zo raar? Wanneer iemand bier drinkt is het doodnormaal dat je hem een biertje geeft. Het zou pas raar zijn als hij mij een rode wijn had gegeven. Of een kopstoot. Daar is hij trouwens te klein voor. En ik te groot. Ik blijf bij de brillenmansen hangen, de Surinaamse krullen lopen niet weg. De brillenmansen blijken echte fans. Ze hebben alle platen van Unsane, ze gaan zo mogelijk naar elk optreden en ze hebben, speciaal voor dit optreden, een hotelletje geboekt . Voor een gesprek met hun held hadden ze zeker geen geld meer over. Ik neem ze mee naar de tafel met T-shirts en cd’s en laat me adviseren welke cd ik moet kopen. Het T-shirt had ik zelf bij binnenkomst al gekozen. De handel wordt apart gelegd, na het optreden haal ik het wel op. Na een optreden pas besluiten wat te kopen is hetzelfde als boodschappen doen als je honger hebt. Je koopt teveel.

Het derde voorprogramma begint en dat hadden ze beter niet kunnen doen. Gelukkig is dit Amstelveen, een beschaafd rijkeluisdorp onder Amsterdam, in de stad zelf waren ze niet levend naar buiten gekomen. De bos Surinaamse krullen is erbij gaan zitten, ze gaapt. De computerschermen tonen beelden van eerdere optredens alhier. De Melkweg krijgt financiële hulp van de gemeente Amsterdam om te kunnen overleven en dit bezoekersloze hol kan gewoon bestaan. Zwarte gaten in gemeentebegrotingen. Ik begin nog maar eens een gesprek met een zanger, nu de zanger van de Prunella Scales die me met een por in mijn maag van zijn aanwezigheid op de hoogte brengt. We zijn even groot, gesprek op niveau dus. "Biertje?"

Als Unsane dan eindelijk begint is er zestig man in de zaal. Spencer vraagt of iedereen naar voren wil komen, hij bijt niet, het gapende gat tegenover hem wel. We schuiven gehoorzaam naar voren, in Amstelveen is nog gezag. Het optreden is gejaagd, goed. Na drie nummers worden de vochtplekken zichtbaar op zijn witte shirt, halverwege de set is hij doorweekt. Voor ons danst een meisje. Zo’n grote dansvloer heeft ze waarschijnlijk nooit eerder gehad. Ze paradeert shoegazend heen en weer, aan de zijkant hangen houten glazenhouders waar ze af en toe een glas uitpakt en een slok drinken uit neemt. Spencer jaagt intussen een zoveelste rochel uit zijn strot. Wanneer ze in de gaten krijgt dat ik sta te kijken verplaatst ze haar werkterrein en ze gaat achter me staan. Ze houdt zeker niet van pottenkijkers. Voor deze meisjes voer ik per heden de zwarte armband in. Singles krijgen een rood fluorescerende, dan kan je ze in het donker ook nog zien. Of als je dronken bent.

Na een uur en een toegift is Spencer leeg en het licht gaat aan. Dank u wel meneer Spencer, dat was erg nodig. De zwarte band aait mijn arm, ik loop naar de tafel met T-shirts en cd’s en haal mijn bestelling op, in het voorbijgaan zwaai ik naar de Surinaamse krullen. Zorg voor iets opvallends, dat wordt je onthouden. En het was nog lang rustig in Amstelveen.

22 September 2007

Niagara (11)

Hallo. Ik dacht, ik mail je even. Hoe is het op je nieuwe werkplek? Ben je al eenzaam zonder je teamgenootjes? Gelukkig hebben we de mail, dan krijg je toch even je noodzakelijke bevestiging. Heeft Tennis al gemaild? Zit hij nu thuis? En heeft Party al gemaild? Je vond hem leuk hè, vrijdag. Ik liep net nog even bij je langs, op je nieuwe afdeling. Er staat daar een kleurenprinter en daar rolde mijn nieuwsbrief uit. Je zat met je rug naar het gangpad, je kon me niet zien. Je was in gesprek dus ik ben doorgelopen. Je droeg je roze shirt en je ruitjespantalon en je zwarte sportschoenen. Ik heb je nog nooit sinds je bij ons zit op andere schoenen zien lopen. Heb je moeilijke voeten? Ik zag dat, dat je hem leuk vond. Leuker dan mij, dat zag ik ook. Ik let niet op wat mensen zeggen, ik let altijd op lichaamstaal. Dat zegt veel meer. Iedereen lult maar wat, zeker op zo’n borrel, daar is geen normaal gesprek mogelijk. Ik heb ook niets zinnigs gezegd. Heb ik je nog afgezeken? Of heb ik gezegd wat ik van je vind? Ik weet het niet meer. Ik dronk weer veel te snel, ik heb wel sluitingstijd gehaald maar hoe weet ik ook niet meer. Ik ben een Engelse drinker geworden, om elf uur moet het licht uit. Jullie dronken allemaal fluitjes, ik dronk halve liters. En Dude dronk ook halve liters, hij was gelukkig ook gekomen. Tegen Tennis zei ik dat mijn vriendin bier was gaan halen. Toen schreeuwde hij het uit. “Waat!? Heb jij een vriendin? En ze is hier?” En toen kwam Dude met twee halve liters aangelopen. Tennis heeft geen gevoel voor humor. Het is een appelsaphomo. Zonder jou is hij niets, weet je dat? Jullie team excelleerde dankzij jouw aanwezigheid, jij trok de handel naar boven. Mij trok je ook mee, ik teerde op jullie productie. Af en toe een vraagje beantwoorden en een beslissing nemen, niet zo moeilijk. En de echt complexe gevallen behandelen, dat dan weer wel. Zo dwing je gezag af. Dat is mijn functie nu eenmaal, daarom ga ik ook weer studeren. Er zijn straks teveel mensen die wel even een vraagje kunnen beantwoorden. Ik ben wel besluitvaardiger dan de anderen maar ze zijn nooit zo blij met mijn besluiten. Uren achtereen kunnen ze zeiken over alle grijstinten die er maar zijn, het gaat er uiteindelijk om of het wit of zwart is. En maar zeiken en maar zeiken, ik word er doodzeik van. En na al dat gelul weten ze het nog niet want dan zijn ze zijn de vraag vergeten door al dat oeverloze gezeur. Beter een verkeerd besluit dan geen besluit. Dat is eigenlijk hetzelfde als bij twijfel altijd doen. Auw, die leg ik je nog wel een keer uit. Een andere keer. Of misschien laat ik je het wel lezen, als het over is. Als jij over bent. Dat lijkt me wel een goed plan. Er zal geen zondvloed komen. Beugel gaf me haar visitekaartje. Beugel vind ik ook leuk. Een echte powergirl. Ze is alleen wel erg klef met haar vriendje, die was ook gekomen, weet je dat nog? Of was je te druk met Party bezig? Tussendoor liep ik vaak even naar de bar voor mijn tussengerecht. En om naar Zeventien te kijken. Zeventien had niet zoveel tijd en de vakantierestjes zaten nog tussen haar benen. Ze is mooi, hè? Met het telefoontoestel van Party maakten we foto’s van je borsten. Dat was lachen. Dat vond je niet zo leuk, hè? Je staat niet graag op foto’s. Vorig jaar wilde je ook al niet met mij op de foto maar vorige week vroeg je wel een foto van mij en mijn adres. Mijn adres geef ik niet, dan zit ik hier straks met een pak appelsap opgescheept. Op dinsdag heeft ze straks weer tijd maar ik ga niet meer op dinsdag, dat is jammer. Ik meld dat maar even, je hebt er niets van gezien. We hebben wel afgesproken weer eens te gaan lunchen maar dat wil ik bij deze teniet doen. Ik wil niet meer met je lunchen. Ik wil je eigenlijk niet meer zien. Die laatste blik net, op je rug, in je haar zaten de blauwe speldjes. Wanneer mensen niet actief hun rug toekeren kun je ook zelf de rug opzoeken en dan achterwaarts weglopen. Er zullen nieuwe groepen externen komen, we worden een bedrijf van projecten. Target, budget, deadline, klaar. Laat maar komen. Ik ben goed met targets. Ik ben goed met budgetten. Op het eind van de borrel sprak ik Party nog even. Ik vroeg of hij je leuk vond. Hij vond je niet zo leuk. Dat zei hij. Uit zijn ogen sprak dronkenschap. Ik ben goed met deadlines. Ik ben klaar.

16 September 2007

Danse macabre

Als ze alleen is, dan danst ze.

Hij moet aan haar denken, ze lijkt op haar. Niet zoals de laatste keer maar zoals toen, het moment dat zij in een vlaag van misplaatste openheid haar gezicht liet zien.

Ze leeft aan het strand. Soms komt hij langs, dan zitten ze naast elkaar, in het zand. Ze spreken zelden, ze raken elkaar niet aan. Ze zijn samen. Wanneer hij op staat om weg te gaan, vraagt ze of hij nog even wil blijven. Ze zegt dat ze bang is om alleen te zijn. Dan gaat hij weer zitten.

Hij denkt elke dag aan haar, ze zal het nooit weten. De desktop is terug, een groter gevaar dan de kankercellen die hem omringen. Haar schild beschermt hem tegen de fysiek aanwezigen. Tegen het beeld dat zijn ogen binnendringt en zijn hoofd infiltreert, is geen middel bestand.

Niemand weet dat ze danst, alleen hij. Hij ziet haar dansen wanneer hij het strand op loopt. Ze ziet hem niet staan. Ze springt, ze landt. Ze danst met geopende ogen in een afgesloten wereld. Ze stijgt, ze daalt, stofwolken van zand volgen haar voeten waar ze de grond aanraakt. Ze vliegt, op de achtergrond slaan de golven kapot. Ze stort neer en haar ogen sluiten, ze danst verder, in een andere wereld.

Ze denken hetzelfde, het maakt de praktijk niet anders. Gedeelde irritatie is geen halve irritatie. De irritatie blijft, het wordt hooguit draaglijker. Blind blijft blind, dom blijft dom, kut blijft kut. Mensen praten teveel over wat ze niet kunnen en over wat ze niet hebben, de rijkdom die in de schoot ligt vergetend.

Op dat moment loopt hij naar haar toe, hij tilt haar op en instinctief omhelst ze hem. Armen omsluiten zich uit afhankelijkheid, armen omsluiten zich uit bescherming. Het is het enige moment van fysiek contact. Ze laat niet los tot het moment dat ze haar ogen opent, haar werelden botsen, dan maakt ze zich los uit de omhelzing en ze gaat naast hem zitten. Ze kijken naar het water.

Ze ontbloot haar borst, vanuit haar schoot nadert een tandeloze mond. Gedeeld geluk is niet gelukkig. Armen omsluiten zich uit bekoring.

Wanneer hij iets later weer op staat is er hetzelfde ritueel. Ze vraagt of hij nog even wil blijven omdat ze bang is om alleen te zijn, om alleen te blijven. En dan gaat hij weer zitten, hij blijft bij haar en samen kijken ze naar het water. Soms staat ze op om een aangespoeld iets op te rapen. Dan laat ze hem zien wat ze heeft gevonden, daarna gaat ze weer zitten en kijken ze samen naar het water.

Pijn moet je niet verzachten, zet er iets sterkers tegenover. Liefdesverdriet? Steek een naald onder je nagel. Eendagsvliegen sla je dood, hij heeft gekozen.

Hij heeft het leer verruild voor ijzer, het ijzer waarvoor hij altijd bang is geweest. Hij is niet bang meer, zelfs dat kan de doorstroming niet stoppen. Hij verafgoodt haar, alleen zij geeft en neemt zijn leven. Het is de overwinning van de angst, het wachten totdat zij steekt en het bloeden daarmee voorgoed is gestopt.

Ze maakt haar armen los en hij gaat zitten. De krullen zijn weg, het water golft. Hij spreekt niet, hij kijkt naar het water. Maakbaar is niet het tegenovergestelde van breekbaar. Hij zal niet meer aan haar denken. Hij is samen.

Ze dansen verder, in haar eigen wereld.

12 September 2007

Kanonnenvlees

Ik bel haar op en ik weet niets te zeggen. Ja, gefeliciteerd. Maar daarna?

Tien vingers en tien tenen, de hele riedel. En daarna? Ja, ik las het in de mails. En daarna? Waar zitten jullie nu? En daarna? Alvast bedankt voor de kaart. Maar daarna?

Dat ik natuurlijk langskom? Omdat het makkelijker bereikbaar is en warmer? Chartervlucht, zij kan gaan duiken. Praktisch blijven, ze is gemakkelijk maar niet onkwetsbaar. En daarna?

Dat ik blij ben met de mails? Maar daarna? Waarom voelt een mail van de andere kant van de wereld dichterbij dan jij nu? En daarna?

Twee jaar? Drie jaar? Weet jij het nog? Ik weet het niet meer, alleen nog dát. En dat jij er was. Geen vragen stellen, nooit claimen. Alle wijn, al het bier, alle sigaretten. Alle gesprekken. De gemakzucht. En daarna het bed. En daarna. Konijnenvlees. En daarna.

Je vriendinnen. Je nagels. Ik sliep er ook als je niet thuis was. Eén keer ging je in de fout en het was meteen gebeurd. En daarna?

Dat ik je meer mis dan ik ooit zal durven toegeven? Dat ik eenzamer ben dan ik ooit zal toegeven? En daarna?

Ik spreek je snel weer.

30 August 2007

The trial

Toen ik wakker werd, stond ze in de keuken, voorzover je van een keuken kunt spreken. Er staat een koelkast, er is een afwasbak, een afvalbak en een magnetron. Geen senseo, wat in haar voordeel pleit. Er is helemaal geen koffie, ik ontwaak op het station.

"Wil je thee?"
Nee, geef maar een asbak.
"Wil je niet in de slaapkamer roken?"

Volgende week begint de Hel - weer. Lichtelijk overdreven. Een nieuw schoolseizoen. Nieuwe mensen, nieuwe inzichten. Een nieuw ritme, het belangrijkst. Sta elke dag twee uur eerder op en je ziet dezelfde mensen anders. Sta elke dag eerder op en je ziet jezelf terug in een wereld die je eerder niet zag. Misschien heeft ze slechte ogen. Misschien houdt ze niet van ritme.

Om drie uur ’s nachts gaat de telefoon. Er wordt niet vaak gebeld, het zal dus wel belangrijk zijn.

Augustus kruipt in september en het is alsof de wereld wakker wordt. Zomerslaap wordt winterslaap in een afterparty van lentebloesem. Vakantiegangers of anderszins gevangenen melden zich, een ongewenste dynamiek met zich meezeulend. Verstoring van de openbare orde want het was zo lekker rustig.

Vertraging.
"Wat heb je gisterenavond gedaan?"
Aan jou gedacht. Geen ritmegevoel.

De handen in de zakken, het staartje strak. Het truitje sluitend, het vetribbeltje minder vet. Een uitgerukt oog kun je terugstoppen, in tegenstelling tot een geaborteerd kind.

Een afscheid zonder dramatiek, een grafkist met de zeggingskracht van kortgeknipt haar. Geen speech, mijn handen blijven thuis. De uitnodiging geweigerd, onbegrepen. Onduidelijk. Open, uitgestoken, pak ze maar, houd ze vast. De leegte teruggetrokken, verward, desolaat. Hersendood.

28 August 2007

Eénakter

Vanochtend moest ik naar de dokter. De dokter begroette me. Ik kom er niet vaak dus ik stelde mezelf voor. Toen vroeg de dokter wat ik er kwam doen.

Daarna moest ik naar de apotheek. De apotheker begroette me. Ik kom er niet vaak dus ik stelde mezelf voor. Toen vroeg de apotheker wat ik er kwam doen.

Daarna moest ik naar mijn werk. De receptioniste begroette me. Ik kom er elke dag dus ik stelde mezelf niet voor. Niemand vroeg me wat ik er kwam doen.

Toen vroeg ik mezelf af wat ik er kwam doen.

20 August 2007

The murder of S.

De kamer is netjes maar overgestructureerd. De kabels verraden een mannenhand. Ik heb me voorgenomen om hier niet te roken, toch zoek ik een asbak. De geur van de wasdroger zweeft tegen het plafond. Geen licht, geen lucht, geen zicht, een inpandige woning met weinig raam en verstopte ventilatiekanalen.

Wasdrogers en vaatwassers, afknappers eerste klas. Een ingelijste filmposter hangt aan de muur boven de bank, het is een film die ik niet ken. Een tweepersoonsbankje, beigebruin, zonder kussens. Ze is niet groot, ze kan erop liggen. Dat zal ze wel vaak doen, er is hier verder weinig te beleven. In de hoek staat een bureau met een MacBook, Engels leesvoer voor hamburgers. Er liggen opengeslagen boeken en meer dan één mobiele telefoon, veel cijfers en tabellen. Ze komt terug uit het keukentje, twee flesjes witbier in haar handen. Ze gaat bij het raam staan en kijkt naar buiten, haar rug naar me toe. Proost.

We stappen uit de trein voor een sentimental journey, een kruistocht langs de oude woningen. Ik kom hier niet graag, het is haar idee. Het blijft vreemd dat het beeld zoals verankerd in het geheugen niet overeenstemt met de confrontatie van nu. Alles is klein, benauwend. Ben ik zelf echt nog zoveel groter geworden? Ik liep hier mijn krantenwijk, ik kon de straten, stoepen en stegen dromen. Nu herken ik bijna niets. Hebben de kozijnen een opknapbeurt gehad? Andere kleur verf? Welke kleur dan? Gezandstraalde huizen, de stenen zijn weer rood, uiterlijk schoon, van binnen verrot. Veel groen, dat in elk geval, ik liep hier in een kale nieuwbouwwijk in aanbouw, waar elke maand nieuwe huizen werden opgeleverd, met elke maand nieuwe abonnees. Jong geluk in vers cement.

Aan weerszijden van het grote raam zitten twee langwerpige kleinere, die kun je openen. De bouwer had zeker hout over. De ramen blijven dicht, geluidsoverlast, legt ze uit. Rechts beneden op de begane grond zit een café, het terras eist de stoep van de naastgelegen woningen op. Dan kreun je maar wat minder hard, de meer voor de hand liggende optie laat ik achterwege. Witte muren, witte plinten, de gordijnen die van een meisjeskamer. Geen drempels, het clicklaminaat loopt door van de gang naar de kamers, de woonkamer rechtdoor, de slaapkamer links, naast de combinatietang van douche en toilet. Andersom had ook gekund. Je kunt alles omdraaien, de nachttrein rijdt in rondjes.

Recht achter ons woonde een stel met een motor en twee honden. Ze konden geen kinderen krijgen. Naast ons woonde een alleenstaande vrouw, ik heb haar nog geholpen een droogrek in het gras te planten. Op zaterdag stond ik in de achtertuin mijn werkplunje uit te kloppen, een stofwolk verspreidde zich over de tuinen. Ze heeft de vuile was nooit buiten gehangen. Op de galerij die uitkeek op de tuinen stond vaak een bejaarde vrouw, ze dronk wel eens koffie bij mijn moeder. Uw zoon werkt zo hard, zei ze dan. Haar kinderen kwamen nooit op bezoek. Op de hoek naast de motor met de twee honden woonde een gescheiden vrouw met drie kinderen. Ze kon haar man niet houden.

Ze woont hier nog niet zo lang, dat ruik ik. Het leeft niet, het gestructureerde maakt het steriel. Geen geschiedenis, geen spanning. Stofnesten hebben nog geen kans gehad zich te verenigen, spinrag neem je mee in de latexrol. Rondje Zweedse import en je hebt een ingericht, woonbaar huis. Leefbaar is iets anders, leefbaar is afhankelijk van de bewoner zelf. De hoeveelheid vierkante meter woonoppervlak weegt niet op tegen de ruimte die zij ontbiedt.

Tegenover ons woonde een jongen uit ons dorp, samen met zijn vader. Zijn moeder overleed vrij jong, op haar veertigste verjaardag. Je zag ze nooit buiten, na school direct naar huis en de televisie aan. Ze meden het onuitroeibare verenigingsleven van de dorpsgemeenschap en voor de voetbalclub was hij te dik. Type altijd als laatste gekozen bij de gymles, als hij zich al had omgekleed. Ze verhuisden na het overlijden, niemand wist waarheen. Ik nu dus wel. Vanuit zijn slaapkamerraam keek hij toe hoe ik de voortuin omspitte, het was mijn vijfde verhuizing in vier jaar tijd. Hij kwam weer niet buiten spelen. Vlak voordat ik naar Amsterdam verhuisde zag ik hem ooit thuiskomen, een grotere auto dan die van mijn vader stopte voor deur, het meisje dat uitstapte mooier dan die in de Playboys onder mijn bed.

Tegenover het bankje staat een kast die de halve wand bedekt. In het midden, recht voor het bankje, is de kast open en daar staat de onoverkomelijke televisie. Ik zie geen geluidsapparatuur, nog meer overlast. De rest van de kastinhoud is afgedekt door deurtjes. De afgesloten ramen versterken het broeikaseffect, toch groeit hier niets. Ik neem niet aan dat er ín de kast plantjes staan, hoewel je er versteld van staat wat mensen aan het zicht onttrekken. Achter de deur zie ik een prullenbak staan en ik gooi mijn treinkaartje weg. Zij heeft een abonnement.

Wat heb ik hier allemaal gedaan? En waar zijn de verhalen gebleven? Aan het eind van de straat is een fietspad, het fietspad staat haaks op de straat. Via het fietspad kan je om de volledige wijk heenrijden, aan het fietspad liggen de galerijwoningen. Er waren geen brievenbussen buiten, ik moest met de kranten naar binnen en naar boven, op dinsdag deed ik er reclamefolders bij. Met de kerstdagen gaven juist de bewoners van de galerij de meeste fooi, bij de buurjongen tegenover ons bleef de deur gesloten. In het trappenhuis rookte ik stiekem sigaretjes, of, wanneer ik hulp had, keken we er in pornoblaadjes. Later zat ik er met haar, roken en bekeken we elkaar. Seks en sigaretten, na de eerste keer is er geen houden meer aan.

In het begin wil je alles weten, stel je alle vragen, vertel je alle verhalen. Verliefdheid kent geen schaamte, hooguit verlegenheid en puberale onzekerheid, jongen en meisje. Roze verhalen, alles is leuk, alles is mogelijk, alles mag. Onbevredigde fysieke interesse houdt de aandacht vast. Je zoekt de overeenkomsten, de verbanden, het kruispunt en vindt, uiteindelijk, het essentiële verschil. Man en vrouw.

Ze is doorgelopen terwijl ik naar het trappenhuis kijk. Ze rookt niet. Ze controleert of het raam goed dicht is, dan draait ze zich om, de zon op haar rug verbergt haar gezicht. Daar ben ik dan, een gezicht dat uiterlijk schijnt.

Beperk jezelf tot de eigen soort, dieren leven ook gescheiden van elkaar. De mens is een dier dat teveel denkt. Alleen in het hormoonseizoen lopen ze hersendood hun driften achterna, blind stappen ze in het drijfzand van kortstondig geluk, meegezogen in een ogenschijnlijk ongevaarlijke verzameling zandkastelen. Manipuleren van het geheugen uit overlevingsdrang. Je onthoudt wat je sterker heeft gemaakt, zwakheden en mislukkingen worden verplaatst naar een uitgestorven ras, een reeds vergaan, begraven en verloren leven. Hoeveel tijd is er nog? Hoeveel levens heb ik nog? Torens met tralies, groot en robuust, ze steekt haar armen uit. Hij baant zich een weg naar boven, slaat traptreden over. Statig en fier, hij redt haar uit de brute handen van een afgezonderd leven, hij neemt haar mee, op weg naar de vrijheid van een nieuw gevang. Een lieflijk afgedekte laatste rustplaats, zonder overblijfselen, zonder bewijs. De verstikkingsdood is heftiger dan een trip. Wanneer het echt nodig is vergeten ze na te denken, verzonken gedachten in hun eigen luchtkasteel.

Terwijl ze haar tanden poetst open ik één van de langwerpige ramen en steek een sigaret op. Rumoer van het terras danst de woonkamer binnen. De kaarsen op de terrastafeltjes verspreiden een kleur van valse romantiek.

13 August 2007

Zomergasten

Er hangt iets in de lucht. Iedereen heeft iets vanavond, afspraken, borrels, etentjes. De drinkebroers zijn vrij, ik heb niets en ik heb dorst. Verschrikkelijke dorst. Waarom wil ik niet in mijn eentje aan de bar hangen?

Een dubbele en een grote.
"Waar is, ... , euh, die ander?"
Weetikveel. Onder zijn lul, hoop ik. Na een zware werkweek is het lekkerder om bereden te worden. Ik lig zelf het liefst op mijn buik, haar twee handen op mijn rug. Haar handen die zachtjes de spieren indrukken en lostrekken, af en toe een verdwaalde puist verwijderend.

Een dubbele en een grote. Op het terras zit Het Pak zonder pak. Ze wilde afspreken, we spraken af en ze kwam niet opdagen.
"Ik was ziek."
Ze hebben iets voor je of ze moeten iets van je.
"Zullen we een keer gaan eten?"
Wat heb je voor me?
"Ik moet iets van je."
Mail me maar. Je bént ziek, tegenwoordige tijd.

Mag ik een agecoin, nee, kleingeld heb ik zelf. Natuurlijk baal ik ervan, dat ik weer rook. Natuurlijk baal ik van hem, van mezelf. De eerste week was erg, daarna was het wel te doen. Niet teveel bij nadenken, afleiding zoeken. De gaten opvullen, trucjes leren, net zoals het manipuleren van mensen. Diep ademhalen, tien seconden de adem inhouden, rustig uitblazen. Tanden poetsen als je trek hebt in een sigaret. Komkommer, worteltjes. Water, liters water. Ontgiften, spoelen.

Surrogaten.

Geen marketing maar het actuariaat. Stil, niet verder vertellen. Communicatie vindt plaats wanneer iedereen het al weet. Een rustigere omgeving. Nog rustiger. Er werkt een Chineesje van 27 jaar oud, ze lacht naar me. Ze heeft een bijna blanke huid, haar neus, voorhoofd en kont verraden de afkomst. Ze heeft dezelfde moedervlek als Ringo in haar gezicht. Hoe saaier de werkomgeving, hoe minder saai de rest van de dag. Electric Mole.

Een dubbele en een grote. Ik recht mijn rug en ga weer hangen. Acht borsten met overrente van Hypotheken staan bij de grote tafel. Ik huur.

Ze wil mee naar Werchter, volgend jaar. Het is haar manier om te zeggen dat ze me bij me wil zijn. Ik zeik mensen af wanneer ik bij ze wil zijn. Meisjes plagen, zoentjes vragen.
"Waar heb je het nou weer over?"
Nummer dertien met nasi en sambal. En heb je stokjes?
"En verzin eens andere grappen."
Dat jij dit grappig vindt. Stokjes doen het goed op de tepels, met de sambal smeer ik je lippen in.

Ik zet de twee lege glazen onder zijn neus en beweeg met mijn wijsvinger er overheen. Het Chineesje van 27 jaar oud vraagt hoe het gesprek ging. Ze zei iets anders maar dat bedoelde ze. Denk ik.
"En? En?"
Leuke bloemetjesjurk. De stroken die vanaf het middenrif kruislings achter de hals verdwijnen, accentueren de plaats waar haar borstjes zouden moeten zitten.
"Dank je."
Uncertain smile. Maandag is het brilletje weer terug. Nog drie weken. Om de tijd te doden lunch ik met het beugeltje. Casual in exelcis deo.
"Speciaal voor jou."
Vakantievriendinnetje.

Als de wereld om je heen niet verandert, moet je zelf voor een andere omgeving zorgen. Vanuit de schaduw in de zon gaan staan is al genoeg. De rug toekeren is sterker dan het opgeheven hoofd. Weglopen is geen vluchten maar een actief controlemiddel. Als er niemand meer is om te controleren, dan kunnen ze hooguit zichzelf nog wegcijferen. In mijn hoofd zijn ze al doorgestreept, allemaal. Koning zonder land, land zonder onderdanen. Als de wereld om je heen te veel verandert, dan moet je zelf voor een andere omgeving zorgen. Stilstand is tevredenheid.

Waar is mijn aansteker gebleven? Vijf minuten zwijgend tegenover elkaar. Ik kijk haar langer aan dan nodig, ze kijkt naar mijn schoenen. Het weer, altijd het weer. In het rookhok is stilte nooit ongepast, een minibar met in het midden een gat. Ik heb geen jas bij me, hebben ze dit weer voorspeld? De rook grijs, haar ogen lichtblauw. Ze komt met de fiets.

Mijn wijsvinger gaat weer over de beide glazen. Het gesprek was niet goed. Het rode shirt heeft zijn kracht verloren, volgende keer weer in het zwart. Te licht bevonden. Jonkies willen ze, vers uit de schoolbanken, die ze nog kunnen sturen en begeleiden. En dan kunnen ze de begeleiding evalueren en ze eventueel bijsturen. Of wegsturen. Of te zwaar, ik weet teveel. Ik begeleid mezelf wel naar de afgrond. Niet om te springen, die tijd is geweest. Gewoon, om te kijken, om de rilling te voelen. Om überhaupt iets te voelen.

Je bent de enige bij wie ik iets voel en je bent de enige die ik niet durf aan te raken.

Nee, ik ga niet naar Pukkelpop. Zodoende heb ik iets om mezelf te verwijten. De volledige Pinky Violence Collection is goedkoper dan een toegangskaartje en ook minimaal goed voor een weekend plezier exclusief naweëen. Ik ga volgend jaar wel weer zwerven. Een terechte beloning na een jaar hard studeren. Werk verdient geen beloning, hooguit de irritaties die ik geniet verdienen een bonus. De Parade is ook leuk. Beetje rosé drinken en naar de rokjes in de zweefmolen kijken. Wat zou er met Schuurpapier zijn gebeurd? Grotere lachsalvo’s dan bij Jackass. Schuurpapier is de beste Paradeact.

Nog een grote. Nee, die niet meer. Of net voor sluitingstijd nog eentje. Als ik sluitingstijd haal, ik ben een groep uitgelaten honden. Het is slechts het wachten op het moment totdat de eersten tegen elkaar aan gaan staan rijden. Daarom sta ik altijd aan de bar, ik knuffel liever een dode boom.

Nog een grote. Vakantiegangers druppelen binnen. Op vakantie vertellen ze verhalen over thuis, thuis vertellen ze verhalen over hun vakantie. Was het leuk? Leuk voor je. Veel regen gehad? Vervelend voor je. Muggen? Ja, ook heel irritant. Net zo irritant als alle vakantieverhalen waar ik mee dood wordt gegooid. Alle ramen en deuren dicht en toch vinden ze altijd weer een kiertje om naar binnen te kruipen.

Natuurlijk ben ik blij dat ik weer rook. Anders had ik haar nooit ontmoet.

Ik richt me op en kijk naar mezelf tussen de rijen flessen achter de bar. De spiegel confronteert, ik buig nederig het hoofd. Sinds twee weken zeventien is met vakantie, drie keer nieuw doet een poging bier in een glas te tappen. Achter de bar wordt gebukt. De witte wijn staat links, meisje. Goede spijkerbroek, die roze string zag ik hier eerder. Ze komt weer overeind met in haar handen een fles rosé.
"Hé, alles goed?"
Ze is de eerste die het mij deze week vraagt. Volgende week wordt ze ontslagen. Het is vrijdag. Om drie uur doet iemand het licht uit.

03 August 2007

Seven years in Tibet

Negen maanden uit de horeca vandaan en de lever heeft nog niets aan kracht ingeboet. Opvallend, maar niet zorgwekkend. Zorgwekkend is het thuis opsluiten terwijl er thuis niets te beleven is.

Een mistige lichtinval kruipt de woonkamer in, in de keuken maak ik mijn katerontbijt waar geen kater te verwerken is. De sinasappelen liggen er voor de sier, bij gebakken eieren drink je melk. De krant van de vorige dag doet dienst als onderzetter, je wordt geen beter mens door te weten wat er in de wereld gebeurt. Maak iemand anders blij, er is geen God. Wie goed doet - goed ontmoet, oneliners om het geweten schoon te houden. Ik heb gisteren iemand blij gemaakt.

Ik ben vroeg. Niet te vroeg, gewoon, vroeg. De bank waar we vrijdag hebben gezeten is vrij. Ik herschik de kussentjes, gooi het spijkerjack neer en ga op één van de drie krukken die voor de bank staan aan de bar zitten. De generale repetitie was goed, alleen was het gezelschap verkeerd. Niemand kan over jou heen. Elke afspraak hier heeft bij voorbaat verloren, elk gesprek is bij voorbaat minder. Hooguit zwijgen zou het kunnen benaderen, omdat wanneer er wordt gezwegen ons gesprek het best hoorbaar is.

"Eigenlijk weet ik niets van haar," zei je vrijdag tegen me. Dat ik met haar naar bed ben geweest geeft mij niet vanzelfsprekend meer informatie. Het bed heb ik overigens niet gezien, part of the deal. Ze zijn laat, te laat. "Eigenlijk weet ik niets van haar," zei ik vrijdag tegen je. Misschien moet ik eerst gewoon met haar naar bed gaan, meestal beginnen ze daarna wel te praten. Meestal, niet altijd. Het schemert tussen verrijking en verlossing.

Achter de bar staat het levend bewijs dat ze echt alles aannemen in de horeca, het bewijs van het gebrek aan goed opgeleid horecapersoneel. Ze heeft opblaaswangetjes. Ervaring is ook opleiding. Een groep Engelsen moet worden voorzien van drank. Vier pullen bier, een Jack Daniels met cola en een Jägermeister met ijs. "Waar staat de Jägermeister?" Ze kijkt naar de rij flessen achter de bar. In de koeling, doos. Ze draait zich om en stoot met haar elleboog tegen het rijtje gereedstaande pullen aan. Eerst de warme dranken inschenken, dan het gedistilleerd, dan de frisdrank en het bier als laatste. De Jack Daniels krijgt twee ijsklontjes over zich heen, de Jägermeister verdrinkt in de erbij geschonken cola. Ze is het type dat begint te praten na het orgasme, nadat ze heeft gecontroleerd of ze in de tussentijd geen nieuw bericht heeft ontvangen.

"Nu we het over haar hebben mis ik haar, op dit moment, bij ons." Ik pretendeer op haar verjaardag te komen maar weet nu al hoe het afloopt. Ik mis haar op andere momenten, wanneer we hebben afgesproken en het onvermijdelijk afbericht komt. Paniek in de tent, ik ben een ervaren kampeerder en voel haar aanvallen aankomen. Belangrijker dan de meisjes achter de bar, om de kwaliteit van een eetcafé te bepalen, is de huiswijn. Verkeerd inschenken is niet erg, slecht uitserveren is niet erg, fout inkopen, dat is erg. De asbak heeft een zware avond, er zit een gat in het gesprek. Na de eerste slok weet ik genoeg.

Haar twee voortanden zijn iets te groot. Bunny indeed. Ze gaat een week op vakantie met een collega. Dat is goed. Even eruit, even los, dan verzadigd en verveeld, de laatste stuiptrekkingen voor de grote oversteek. Hij is homo, dat is jammer. De overdosis zomer zal bij terugkomst worden geprojecteerd in plaats van geconsumeerd. De virtuelen bepalen mijn leven, de illusie ons ongeboren kind. "Waar is het afscheidscadeau?" Ik mis je nu al.

Er wordt een update verlangd, de gemaakt uitgerusten druppelen binnen. De schoolvakanties bepalen hún vakanties. Ik heb altijd vakantie. "Natuurlijk heb ik haar geneukt." Staalhard. Het is stil aan de overkant. Ik eindig nog wel een keer bij marketing, mijn verkooppraatjes worden steeds beter. Je moet niet vertellen wat je kwijt wil, je moet vertellen wat ze willen horen. Zonder aanleiding twijfel ik opeens aan haar seksuele geaardheid.

Ze staat in de deuropening, ik zit met mijn rug naar het raam. Ik ruik haar spanning en draai mijn gezicht naar haar toe. Ze is mooier dan op de foto. "Wat wil je drinken?" We hadden hier niet heen moeten gaan. Dit gaat fout.

Negen maanden uit de horeca vandaan en jij hebt nog niets aan kracht ingeboet. Het leven is er niet beter op geworden. Overzichtelijker, boven de boomgrens leven geen mensen, niet minder beroerd. Dezelfde desillusies, dezelfde irritaties, dezelfde onbereikbaren. De aanslag op de ramen geeft de wereld een mistroostige blik, een virtueel wolkendek bepaalt mijn kijk op het leven terwijl de zon buiten brandt. Ik streel haar buik, ze draait een kwartslag en gaat weer in kleermakerszit tegenover me zitten. Tibet op driehoog in Amsterdam.

30 July 2007