Om kwart over twaalf kwam de eerste sirene langs. Om half één de tweede en om kwart voor twee de derde. Vanaf de parkeerplaats achter mijn huis kwam een harde knal. Ik hoorde geen gegil of gehuil, wat me teleurstelde. 2011 was begonnen.
Om twaalf uur was ik aan het internetten. Om één uur sloot ik de laptop aan op de televisie en keek ik een gedownloade film. Aan het begin van de film zat ik in de hoek van de bank. Na een kwartier zat ik in het midden van de bank en halverwege de film ging ik op de bank liggen.
Op tafel stond verse koffie, op de enveloppen met kerstkaarten lagen koude appelflappen. Ik kan de hele dag koffie drinken. De hele dag koffie drinken is niet gezond maar het is minder ongezond dan de hele dag alcohol drinken. Op eerste kerstdag dronk ik bijvoorbeeld een halve fles whisky. Ik was meteen genezen van de slapeloosheid die me sinds begin december uit mijn slaap houdt.
Op eerste kerstdag zit je bij je familie. Dat hoort zo, ongeacht of je gelooft of niet. Mijn familie bestond uit een Brit, twee Koreanen en een Turkse. Het is frappant dat achter een plattelandsjongen als ik zo’n mondiale bloedband schuilt. Familie heb je niet voor het kiezen, die heb je en daar moet je het maar mee doen. Na het eten speelden we het spel Risk, over mondiaal gesproken. Ik had er geen zin an maar omdat er niets te neuken viel stemde ik toe. Je weet maar nooit wie je tegenkomt op het slagveld. Ik had beginnersgeluk en won het eerste spelletje. Toen begon ik aan de whisky. Oorlog is troostmeisjes en drank.
In eerste instantie weet ik de slapeloosheid aan mijn mentale gesteldheid, later aan het juist ontbreken daarvan. Na de kerstdagen trok ik een matras van het bed en legde deze in de woonkamer op de grond. Ik kon weer slapen. Alcohol forceert doorbraken.
De film die ik nieuwjaarsnacht keek had ik gedownload omdat hij voorkwam in de jaarlijst van een gerenommeerde journalist. Lijstjes vatten het jaar samen, wat er in het lijstje staat is representatief en goed. Journalisten wijzen ons de weg. De film had de Nederlandse bioscopen niet gehaald. Ik vermoed dat de journalist door het plaatsen van de film in zijn lijst een statement wilde maken. Ik noem geen namen, om ook een statement te maken.
De film was redelijk krankzinnig. In het begin was de film nog wel te volgen maar later viel er geen touw aan vast te knopen. Ik denk dat de regisseur zelf tijdens de montage ook de weg is kwijtgeraakt. Waarom het publiek behagen? Als je zelf maar lol hebt.
Lijstjes maak je aan het eind van het oude jaar. Of aan het begin van het nieuwe jaar, dat kan ook. Omdat je aan het eind van het jaar te druk was om een lijstje te maken, of als je wilt wachten op de lijstjes van andere mensen voordat je jouw eigen lijstje bekend maakt. Omdat je eerst de mening van anderen wilt weten voordat je jouw eigen mening bekend maakt. Een eigen mening die geen mening is.
Om half drie was de film afgelopen. Ik pakte de stapel kerstkaarten onder de appelflappen vandaan en deed het kerstkaartenspelletje. Ik bekijk het handschrift op de envelop en raad wie mij een gelukkig nieuwjaar toewenst. Het is een vrij eenvoudig spel, ware het niet dat steeds meer afzenders gebruik maken van stickervellen. Leg een stickervel op de printer, selecteer het volledig adressenbestand en kies print. Klaarblijkelijk bevind ik mezelf in één adressenbestand. Van beide andere kerstkaarten had ik de handschriften fout. Een slechte oogst derhalve. Oorlog voeren, daar ben ik wel beter in geworden.
Het was drie uur. De sirene's zwegen. Twee vuurwerkdoden en dertien gewonden, las ik later op het internet. Alles wordt minder. Job Cohen heeft gelijk, we zijn een stelletje amateurs - de beste uitspraak van het afgelopen jaar. Of was hij van vorig jaar? Tijd om mezelf te positioneren, om mijn eigen lijstje te maken. Wat uit 2010 moet worden bewaard voor het nageslacht? Wie en wat hebben het afgelopen jaar gemaakt tot wat het niet is geworden?
Ik heb gewacht met mijn lijstje omdat er maar één naam op staat. En één naam, dat is geen lijst. Eén naam, dat is alles.
12 January 2011
07 January 2011
Leve de doden (2)
Waarom ik niet meer langskom? Om te beginnen word ik al depressief als ik de trein instap. En dat ligt niet aan de trein maar dat ligt aan waar de trein naar toe gaat. Hoe dichterbij ik kom, hoe benauwder ik het krijg. Nee, dat is niet overdreven, ik krijg bijna geen adem. Als ik denk aan dat claustrofobisch gat, dan stik ik.
Ik wil het gezeur niet meer, het gejank, het gezeik, ik ben het allemaal zat.
Ik wil niet weten wat voor weer het is, ik wil niet weten wat er op televisie was. Ik wil niet horen wat er in de krant staat, ik lees zelf een krant. Ik wil niet weten wat de buurvrouw zei, of wat de andere buurvrouw zei, of wat de leuke huismeester zei. De huismeester is toch aardig? O, de huismeester is nu niet meer aardig?
Ik wil niet weten hoe het is met die en hoe het is met die. Ik wil niet horen wat er mankeert aan die en wat er mankeert aan die. Aan iedereen mankeert iets, behalve aan jullie. Kijk verdomme naar jezelf. En hou op met alles twee keer te vertellen, ik ben niet doof. En hou op met alles twee keer te vertellen, ik ben niet doof.
Ik wil niet weten wat die tante zei. Ik wil niet weten welke nicht gescheiden is, welke neef hertrouwd is, welke oom er dood is. Ja, ik ben in één nichtje geïnteresseerd, maar die houdt dan weer niet van rokers. Ja, ik rook weer. Als een ketter. Ik heb wat in te halen.
Ik wil de verhalen niet meer. Ik wil het drama niet meer. De ene aandoening nog erger dan de andere. Ik wil niet weten wat de huisarts zei, ik wil niet weten wat zijn assistente zei. Ik wil niet weten wat ze in het ziekenhuis zeiden. Ik wil niet weten wat de man die jullie naar het ziekenhuis bracht, zei. O, hij zei juist niets?
En mijn oude vrienden dan? Waarom beginnen jullie daar over? Wat er is met mijn oude vrienden? Ik heb geen idee wat er met ze is. Ik heb er niets meer mee. Ik heb ze niets meer te vertellen zoals ik jullie niets meer heb te vertellen en zij hebben mij niets meer te vertellen zoals jullie mij niets meer te vertellen hebben. Ik ben niet meer geïnteresseerd in hun levens, hun koophuizen, hun tuinen, hun auto’s, hun kinderen.
Jullie hebben contact met mijn vrienden? Wat leuk voor jullie. Wel zo handig, jullie wonen tenslotte allemaal in hetzelfde gat. Ik ben niet geïnteresseerd in het wekelijks hoogtepunt van het verenigingsleven. Een vereniging is leuk voor de mensen die lid zijn van de vereniging, daarom zitten ze ook bij de vereniging. Een vereniging is niet leuk voor mensen die geen lid zijn van de vereniging, want dat is precies de reden dat ze geen lid zijn geworden van de vereniging.
Ik werd de afgelopen jaren nog wel uitgenodigd voor hun verjaardagen, voor de zomerbarbecue, maar als je maar lang genoeg je gezicht niet laat zien dan houdt ook dat vanzelf op.
Vroeger nam ik altijd een slaapzak mee en duurden de barbecues tot de volgende ochtend. De kinderen werden alweer wakker terwijl wij nog buiten zaten. En opeens was dat over. Opeens zat ik in de laatste trein naar Amsterdam. En het jaar daarna zat ik vier treinen daarvoor. En het jaar daarna bleef ik thuis.
Er is geen vriendschap meer. Er is alleen maar verveling. Mateloze verveling. En mezelf vervelen, dat doe ik wel als ik alleen ben.
Beleefdheidsbezoekjes en beleefdheidstelefoontjes. Ik wil het niet meer. Ik kan het niet meer. Het zijn geen telefoontjes en bezoekjes uit interesse, nee, het is een verplichting. Bellen en bezoeken omdat dat zo hoort. Omdat iedereen dat doet. Omdat we zo zijn opgevoed. En ik denk dat jullie dáár een fout hebben gemaakt. Je belt en je bezoekt. Maar waarom? Waarom doen omdat het moet? Waar is de gezelligheid? Waar is de warmte? Waar is de liefde? Was dit ooit thuis?
Contact is een gevoelloze, routineuze handeling waarvan ik hoop dat het zo snel mogelijk voorbij is.
Ik wil jullie eenzaamheid niet zien. Ik wil jullie aftakeling niet zien. Ik weet wat mijn voorland is, dat is namelijk precies hetzelfde. Mijn hersens zullen afsterven, mijn botten zullen ontkalken, mijn lichaam zal kromtrekken. Maar dat betekent niet dat ik daar nú al mee geconfronteerd wens te worden. Ook ik zal aftakelen, eenzaam, zonder geliefde, zonder getuige. Maar ik val er niemand mee lastig. Ik heb de berg en de kloof al uitgezocht, niemand zal me vinden. Ik val, and that’s all.
Wij zijn geen familie meer. Er is alleen maar irritatie. Grenzeloze irritatie.
Ik heb een tip voor jullie. Doe alsof ik dood ben. Het werkt. Echt.
Ik spreek uit ervaring.
Ik wil het gezeur niet meer, het gejank, het gezeik, ik ben het allemaal zat.
Ik wil niet weten wat voor weer het is, ik wil niet weten wat er op televisie was. Ik wil niet horen wat er in de krant staat, ik lees zelf een krant. Ik wil niet weten wat de buurvrouw zei, of wat de andere buurvrouw zei, of wat de leuke huismeester zei. De huismeester is toch aardig? O, de huismeester is nu niet meer aardig?
Ik wil niet weten hoe het is met die en hoe het is met die. Ik wil niet horen wat er mankeert aan die en wat er mankeert aan die. Aan iedereen mankeert iets, behalve aan jullie. Kijk verdomme naar jezelf. En hou op met alles twee keer te vertellen, ik ben niet doof. En hou op met alles twee keer te vertellen, ik ben niet doof.
Ik wil niet weten wat die tante zei. Ik wil niet weten welke nicht gescheiden is, welke neef hertrouwd is, welke oom er dood is. Ja, ik ben in één nichtje geïnteresseerd, maar die houdt dan weer niet van rokers. Ja, ik rook weer. Als een ketter. Ik heb wat in te halen.
Ik wil de verhalen niet meer. Ik wil het drama niet meer. De ene aandoening nog erger dan de andere. Ik wil niet weten wat de huisarts zei, ik wil niet weten wat zijn assistente zei. Ik wil niet weten wat ze in het ziekenhuis zeiden. Ik wil niet weten wat de man die jullie naar het ziekenhuis bracht, zei. O, hij zei juist niets?
En mijn oude vrienden dan? Waarom beginnen jullie daar over? Wat er is met mijn oude vrienden? Ik heb geen idee wat er met ze is. Ik heb er niets meer mee. Ik heb ze niets meer te vertellen zoals ik jullie niets meer heb te vertellen en zij hebben mij niets meer te vertellen zoals jullie mij niets meer te vertellen hebben. Ik ben niet meer geïnteresseerd in hun levens, hun koophuizen, hun tuinen, hun auto’s, hun kinderen.
Jullie hebben contact met mijn vrienden? Wat leuk voor jullie. Wel zo handig, jullie wonen tenslotte allemaal in hetzelfde gat. Ik ben niet geïnteresseerd in het wekelijks hoogtepunt van het verenigingsleven. Een vereniging is leuk voor de mensen die lid zijn van de vereniging, daarom zitten ze ook bij de vereniging. Een vereniging is niet leuk voor mensen die geen lid zijn van de vereniging, want dat is precies de reden dat ze geen lid zijn geworden van de vereniging.
Ik werd de afgelopen jaren nog wel uitgenodigd voor hun verjaardagen, voor de zomerbarbecue, maar als je maar lang genoeg je gezicht niet laat zien dan houdt ook dat vanzelf op.
Vroeger nam ik altijd een slaapzak mee en duurden de barbecues tot de volgende ochtend. De kinderen werden alweer wakker terwijl wij nog buiten zaten. En opeens was dat over. Opeens zat ik in de laatste trein naar Amsterdam. En het jaar daarna zat ik vier treinen daarvoor. En het jaar daarna bleef ik thuis.
Er is geen vriendschap meer. Er is alleen maar verveling. Mateloze verveling. En mezelf vervelen, dat doe ik wel als ik alleen ben.
Beleefdheidsbezoekjes en beleefdheidstelefoontjes. Ik wil het niet meer. Ik kan het niet meer. Het zijn geen telefoontjes en bezoekjes uit interesse, nee, het is een verplichting. Bellen en bezoeken omdat dat zo hoort. Omdat iedereen dat doet. Omdat we zo zijn opgevoed. En ik denk dat jullie dáár een fout hebben gemaakt. Je belt en je bezoekt. Maar waarom? Waarom doen omdat het moet? Waar is de gezelligheid? Waar is de warmte? Waar is de liefde? Was dit ooit thuis?
Contact is een gevoelloze, routineuze handeling waarvan ik hoop dat het zo snel mogelijk voorbij is.
Ik wil jullie eenzaamheid niet zien. Ik wil jullie aftakeling niet zien. Ik weet wat mijn voorland is, dat is namelijk precies hetzelfde. Mijn hersens zullen afsterven, mijn botten zullen ontkalken, mijn lichaam zal kromtrekken. Maar dat betekent niet dat ik daar nú al mee geconfronteerd wens te worden. Ook ik zal aftakelen, eenzaam, zonder geliefde, zonder getuige. Maar ik val er niemand mee lastig. Ik heb de berg en de kloof al uitgezocht, niemand zal me vinden. Ik val, and that’s all.
Wij zijn geen familie meer. Er is alleen maar irritatie. Grenzeloze irritatie.
Ik heb een tip voor jullie. Doe alsof ik dood ben. Het werkt. Echt.
Ik spreek uit ervaring.
23 December 2010
Leve de doden
Is een marginaal leven minderwaardig? Die vraag stelde ik mijzelf toen de nieuwe belde. Je kunt niet de hele dag werken, soms moet je je gedachten laten dwalen. Waar sta ik nu, hoe ben ik daar gekomen, wat heb ik laten lopen en waar ga ik naartoe? Van die dingen.
De nieuwe werkt op de afdeling waar de doden worden behandeld. Dat is geen nieuws. De nieuwe rookt. Dat is ook geen nieuws maar al wel vermeldenswaardig. De nieuwe is alternatief en stoer en Oostblok blond. Dat is nog steeds geen nieuws maar ook vermeldenswaardig want nu heb ik tijdens het roken iets nieuws om naar te kijken. En dat is per definitie nieuws. Na het roken belde de nieuwe. Haar stem klonk vrolijk en hees.
Tijdens het roken ving ik het gesprek op tussen een oude en de nieuwe. Daarbij was geen opzet in het spel, ik stond er het eerst. De nieuwe vertelde dat op datzelfde moment haar huis werd schoongemaakt en dat de hond werd uitgelaten. Toen moest ik denken aan vroeger. Iemand die ik vroeger kende en die nu dood is wilde een hondenuitlaatservice beginnen. Ze was gek op honden. Ik merkte op dat ze daar niet genoeg mee zou verdienen om van te leven. Dat zag ze niet als een probleem. Ik verdiende toch genoeg? Dat was een hoopgevend antwoord. Later maakte ze het uit. Zoveel verdiende ik niet.
Het feit dat de nieuwe belde, verbaasde me. Ik deed alsof ik niet wist wie ze was. Ik was tenslotte aan het dwalen. Doen alsof ik wist wie ze was zou een leugen zijn. Ik weet wie ze is, niet wie ze was. De nieuwe die de doden doet giechelt hees door mijn telefoon. Vroeger betaalde je daarvoor een gulden per minuut, nu krijg ik het gratis en voor niets - omdat we doden hebben. Doden zullen er altijd zijn. Dit in tegenstelling tot vrienden, die er zelden zijn. Gelukkig gaan vrienden op een zeker moment dood.
De nieuwe wenste me hallo en stelde mij zonder het te vragen een vraag. Het komt tegenwoordig steeds vaker voor dat mijn gedachten dwalen. Minderwaardig is perceptueel. Bij perceptuele rendering zullen alle kleuren vanuit de bron evenredig worden verschaald naar het doel. Als het beeld veel verzadigde out-of-gamut kleuren bevat geeft perceptuele rendering gemakkelijker een acceptabel resultaat. Aan de nieuwe wilde ik daarom vragen of Chinezen rascisten zijn. Het lukt me maar niet met die Chinese meisje. Ze hebben iets tegen me en ik wil weten of het Kaukasisch bepaald is.
Dat ik er ben gekomen, dat weet ik, ik was er zelf bij. Hoe ik daar ben gekomen is minder eenduidig, ook al was ik er zelf bij. Op een aantal zaken heb je geen invloed. Om te bepalen hoe je ergens bent gekomen, scheidt je het aantal zaken in zaken waar je wel invloed op hebt en zaken waar je geen invloed op hebt. Zaken waar je invloed op hebt scheidt je in zaken waarin je je invloed hebt aangewend en zaken waarin je je invloed niet hebt aangewend. Aldus houd je drie smaken over: een vrouw waarop je invloed hebt uitgeoefend, een vrouw waar dat had gekund maar waar je het niet hebt gedaan en een vrouw waar je totaal geen invloed op hebt gehad.
De nieuwe vraagt waar ik zit. De afdeling waar ik mijn pensioenleeftijd ga halen wordt gerenoveerd, we zitten tijdelijk in een hotel. Dat is een grap van de facilitaire dienst, we zitten gewoon op een leegstaande verdieping. Het enige verschil met de afdeling zijn de lichtsensoren in de toiletten. Elke keer als ik op de wc zit ben ik daarom bang dat het licht uitgaat. Techniek is leuk maar er moet wel een knop aan zitten. De nieuwe lijkt me geen typ voor een hotel. Liever op de stamtafel, onder het TL-buis licht van de schoonmakers. Of in de duinen, terwijl de hond zijn behoefte doet.
De laatste weken van het jaar dwaalt iedereen. Mensen vallen ten prooi aan bespiegelingen. Weemoed en acceptatie draaien wispelturig om elkaar heen, de landing is zacht in de warme deken van het kerstdiner. Mijn kerstdiner is de kater van kerstavond. In mijn hoofd is het altijd de laatste week van het jaar. Aan het einde van de week drink ik alsof het oud- en nieuw is. De volgende dag ben ik alles wat ik de voorbije week heb bedacht weer vergeten en beginnen de gedachten weer van voren af aan. Denken en draaien, draaien en denken. Waar ben ik? Wat doe ik hier? En waar is die nieuwe nou weer gebleven?
Ze wenste me doei en hing op. Om geen namen te noemen besloot ik dat haar naam Joy zou zijn. Thuis schreef ik een onsamenhangend stuk tekst over Joy. Voordat ik uitlogde en naar bed ging bezocht ik mijn vaste torrentsite. De meest recente upload was een album genaamd Joy.
De nieuwe werkt op de afdeling waar de doden worden behandeld. Dat is geen nieuws. De nieuwe rookt. Dat is ook geen nieuws maar al wel vermeldenswaardig. De nieuwe is alternatief en stoer en Oostblok blond. Dat is nog steeds geen nieuws maar ook vermeldenswaardig want nu heb ik tijdens het roken iets nieuws om naar te kijken. En dat is per definitie nieuws. Na het roken belde de nieuwe. Haar stem klonk vrolijk en hees.
Tijdens het roken ving ik het gesprek op tussen een oude en de nieuwe. Daarbij was geen opzet in het spel, ik stond er het eerst. De nieuwe vertelde dat op datzelfde moment haar huis werd schoongemaakt en dat de hond werd uitgelaten. Toen moest ik denken aan vroeger. Iemand die ik vroeger kende en die nu dood is wilde een hondenuitlaatservice beginnen. Ze was gek op honden. Ik merkte op dat ze daar niet genoeg mee zou verdienen om van te leven. Dat zag ze niet als een probleem. Ik verdiende toch genoeg? Dat was een hoopgevend antwoord. Later maakte ze het uit. Zoveel verdiende ik niet.
Het feit dat de nieuwe belde, verbaasde me. Ik deed alsof ik niet wist wie ze was. Ik was tenslotte aan het dwalen. Doen alsof ik wist wie ze was zou een leugen zijn. Ik weet wie ze is, niet wie ze was. De nieuwe die de doden doet giechelt hees door mijn telefoon. Vroeger betaalde je daarvoor een gulden per minuut, nu krijg ik het gratis en voor niets - omdat we doden hebben. Doden zullen er altijd zijn. Dit in tegenstelling tot vrienden, die er zelden zijn. Gelukkig gaan vrienden op een zeker moment dood.
De nieuwe wenste me hallo en stelde mij zonder het te vragen een vraag. Het komt tegenwoordig steeds vaker voor dat mijn gedachten dwalen. Minderwaardig is perceptueel. Bij perceptuele rendering zullen alle kleuren vanuit de bron evenredig worden verschaald naar het doel. Als het beeld veel verzadigde out-of-gamut kleuren bevat geeft perceptuele rendering gemakkelijker een acceptabel resultaat. Aan de nieuwe wilde ik daarom vragen of Chinezen rascisten zijn. Het lukt me maar niet met die Chinese meisje. Ze hebben iets tegen me en ik wil weten of het Kaukasisch bepaald is.
Dat ik er ben gekomen, dat weet ik, ik was er zelf bij. Hoe ik daar ben gekomen is minder eenduidig, ook al was ik er zelf bij. Op een aantal zaken heb je geen invloed. Om te bepalen hoe je ergens bent gekomen, scheidt je het aantal zaken in zaken waar je wel invloed op hebt en zaken waar je geen invloed op hebt. Zaken waar je invloed op hebt scheidt je in zaken waarin je je invloed hebt aangewend en zaken waarin je je invloed niet hebt aangewend. Aldus houd je drie smaken over: een vrouw waarop je invloed hebt uitgeoefend, een vrouw waar dat had gekund maar waar je het niet hebt gedaan en een vrouw waar je totaal geen invloed op hebt gehad.
De nieuwe vraagt waar ik zit. De afdeling waar ik mijn pensioenleeftijd ga halen wordt gerenoveerd, we zitten tijdelijk in een hotel. Dat is een grap van de facilitaire dienst, we zitten gewoon op een leegstaande verdieping. Het enige verschil met de afdeling zijn de lichtsensoren in de toiletten. Elke keer als ik op de wc zit ben ik daarom bang dat het licht uitgaat. Techniek is leuk maar er moet wel een knop aan zitten. De nieuwe lijkt me geen typ voor een hotel. Liever op de stamtafel, onder het TL-buis licht van de schoonmakers. Of in de duinen, terwijl de hond zijn behoefte doet.
De laatste weken van het jaar dwaalt iedereen. Mensen vallen ten prooi aan bespiegelingen. Weemoed en acceptatie draaien wispelturig om elkaar heen, de landing is zacht in de warme deken van het kerstdiner. Mijn kerstdiner is de kater van kerstavond. In mijn hoofd is het altijd de laatste week van het jaar. Aan het einde van de week drink ik alsof het oud- en nieuw is. De volgende dag ben ik alles wat ik de voorbije week heb bedacht weer vergeten en beginnen de gedachten weer van voren af aan. Denken en draaien, draaien en denken. Waar ben ik? Wat doe ik hier? En waar is die nieuwe nou weer gebleven?
Ze wenste me doei en hing op. Om geen namen te noemen besloot ik dat haar naam Joy zou zijn. Thuis schreef ik een onsamenhangend stuk tekst over Joy. Voordat ik uitlogde en naar bed ging bezocht ik mijn vaste torrentsite. De meest recente upload was een album genaamd Joy.
18 December 2010
Like I'm able to txt when drunk

Iedereen upload plaatjes van de sneeuw. En dan vooral van het ongemak van de sneeuw. Met de auto in de file? Foto! Trein rijdt niet? Foto!
De mobile uploadmaffia wil medelijden. Stelletje aandachtshoeren. Kijk mij eens zielig zijn, ik kan niet naar huis. Ah gossie. En dat allemaal door een portie onschuldige sneeuw.
Ik heb geen last van de sneeuw. Ik fiets naar huis en als ik niet meer kan fietsen dan ga ik lopen. Of liggen, als ik echt te veel heb gedronken.
Vroeger als ik had gedronken werd ik ook aandachtshoer. Dan ging ik sms-en en mailen en trollen op internet. Maar dat had niets met sneeuw te maken.
08 December 2010
Jerk
"Wil je ook soep?" vraag ik.
Ze staat te wachten totdat ik klaar ben met opscheppen. Er staat al een kom soep op mijn dienblad en misschien denkt ze dat ik nu klaar ben met opscheppen en dat zij aan de beurt is om op te scheppen maar ik ben nog niet klaar met opscheppen en zij is nog niet aan de beurt met opscheppen want ik wil nog een kom soep.
Twee kommen soep, dat is een goede lunch. Erwtensoep om precies te zijn.
Er staan vier grote pannen met soep op een tafel in het midden van het restaurant, aan elk van de zijden van de tafel staat er één. Zodoende zijn de pannen met soep makkelijk benaderbaar en kun je, als je dat zou willen, met zijn vieren tegelijk soep opscheppen. De andere drie dampende pannen blijven onaangeroerd, we staan met zijn tweeën bij pan nummer vier. Niet meer als arrogante consultancykut maar verfijnd vrouwelijk stoer. Zij bedoel ik. Ik pak een volgende kom.
"… of wil je zelf opscheppen?"
Ik zeg het op een manier alsof we dagelijks samen in de keuken staan.
"Nee hoor," zegt ze, met opvallend vet Amsterdams accent.
Nee ik wil geen soep of nee ik wil niet zelf opscheppen? Spraakverwarring per strekkende vierkante meter. Omdat ze blijft staan neem ik aan dat ze ook soep wil. Als ze geen soep had willen hebben dan was ze wel weggelopen. Maar als ze wel soep wil waarom staat ze dan niet bij één van de andere drie pannen? De mens wil onmogelijke dingen. Dingen die mogelijk zijn wil de mens niet of ziet hij niet staan.
Ik vul de volgende kom, mors over de rand en over het oortje en geef haar de gevulde kom. Ze strekt haar handen, hapert, bedenkt hoe ze zonder haar smetteloze handen vuil te maken de kom soep kan aanpakken.
Misschien moet ik vragen of ze seks wil. Of zou ze dat liever zelf doen?
Ze staat te wachten totdat ik klaar ben met opscheppen. Er staat al een kom soep op mijn dienblad en misschien denkt ze dat ik nu klaar ben met opscheppen en dat zij aan de beurt is om op te scheppen maar ik ben nog niet klaar met opscheppen en zij is nog niet aan de beurt met opscheppen want ik wil nog een kom soep.
Twee kommen soep, dat is een goede lunch. Erwtensoep om precies te zijn.
Er staan vier grote pannen met soep op een tafel in het midden van het restaurant, aan elk van de zijden van de tafel staat er één. Zodoende zijn de pannen met soep makkelijk benaderbaar en kun je, als je dat zou willen, met zijn vieren tegelijk soep opscheppen. De andere drie dampende pannen blijven onaangeroerd, we staan met zijn tweeën bij pan nummer vier. Niet meer als arrogante consultancykut maar verfijnd vrouwelijk stoer. Zij bedoel ik. Ik pak een volgende kom.
"… of wil je zelf opscheppen?"
Ik zeg het op een manier alsof we dagelijks samen in de keuken staan.
"Nee hoor," zegt ze, met opvallend vet Amsterdams accent.
Nee ik wil geen soep of nee ik wil niet zelf opscheppen? Spraakverwarring per strekkende vierkante meter. Omdat ze blijft staan neem ik aan dat ze ook soep wil. Als ze geen soep had willen hebben dan was ze wel weggelopen. Maar als ze wel soep wil waarom staat ze dan niet bij één van de andere drie pannen? De mens wil onmogelijke dingen. Dingen die mogelijk zijn wil de mens niet of ziet hij niet staan.
Ik vul de volgende kom, mors over de rand en over het oortje en geef haar de gevulde kom. Ze strekt haar handen, hapert, bedenkt hoe ze zonder haar smetteloze handen vuil te maken de kom soep kan aanpakken.
Misschien moet ik vragen of ze seks wil. Of zou ze dat liever zelf doen?
27 November 2010
De Helling
Ik was daar. Bij het concert. Het concert van het jaar.
Maar ik weet het niet meer.
Recensies en concertverslagen lezend vraag ik me af: was ik dáár?
Ik was daar. Ik ben gezien.
Waar was ik dan? Was ik in het rookhok? Waar ik twee engelstalige meisjes een vuurtje gaf?
Ik was daar. Ik ben gesproken.
Waar was ik? Was ik in de toiletten? Waar ik Seco tegenkwam?
Hing ik aan de bar? Bij het barmeisje, met haar zwarte minirokje, grijze legging en black mistresslaarsjes?
Filmpjes op youtube kijkend vraag ik me af: was ik dáár?
Ik was daar. Ik heb het toegangskaartje nog. Ik heb ook het treinkaartje nog.
Waar ben ik geweest?
Mijn grootste angst is te eindigen als demente, over straat zwervende man. Niet omdat ik gevaarlijk ben, ik heb nog nooit iemand kwaad gedaan.
Denk ik. Er zijn tenminste geen beelden van.
Of zou ik ook dat zijn vergeten?
Maar ik weet het niet meer.
Recensies en concertverslagen lezend vraag ik me af: was ik dáár?
Ik was daar. Ik ben gezien.
Waar was ik dan? Was ik in het rookhok? Waar ik twee engelstalige meisjes een vuurtje gaf?
Ik was daar. Ik ben gesproken.
Waar was ik? Was ik in de toiletten? Waar ik Seco tegenkwam?
Hing ik aan de bar? Bij het barmeisje, met haar zwarte minirokje, grijze legging en black mistresslaarsjes?
Filmpjes op youtube kijkend vraag ik me af: was ik dáár?
Ik was daar. Ik heb het toegangskaartje nog. Ik heb ook het treinkaartje nog.
Waar ben ik geweest?
Mijn grootste angst is te eindigen als demente, over straat zwervende man. Niet omdat ik gevaarlijk ben, ik heb nog nooit iemand kwaad gedaan.
Denk ik. Er zijn tenminste geen beelden van.
Of zou ik ook dat zijn vergeten?
25 November 2010
17 November 2010
Tieten
Ergens op de Utrechtse Heuvelrug staat een villa. Rond de villa ligt een grasveld waar je een golfbaan kunt aanleggen. Die villa is van mijn baas. De vorige eigenaar ging failliet en nu mag mijn baas zich van rechtswege eigenaar noemen. Recht is duidelijk in het mijn en het dijn.
Omdat we gaan integreren met een andere divisie was er een kennismakingsdag. Zo konden we kennismaken met onze toekomstige ontslagen collega's. En omdat de villa op de Utrechtse Heuvelrug toch maar Te Koop staat te staan kwamen we daar samen. Zo besparen we op de lokatiekosten en zo komt het personeel ook nog eens buiten. Altijd maar binnen zitten is niet goed voor de mens.
Ik had Freud meegenomen en telde één keer neukbaar. Als ze tenminste haar mond dicht hield. Natuurlijk is het uiterlijk belangrijk maar je kunt definitief afknappen op wat er uit de mond vandaan komt. En dat accent, nee, laat dan maar zitten.
Neukbaar is uit hetzelfde bouwjaar als bovengetekende, we hebben iets gemeenschappelijks om over te praten. Maar waar praat je eigenlijk over? Wanneer denk je te worden ontslagen?
Wij zitten in Amsterdam. Amsterdam wint het van elke andere divisie. Heeft de andere divisie betere systemen? Dan gaan de systemen naar Amsterdam. Heeft de andere divisie betere processen? Dan gaan de processen naar Amsterdam. Heeft de andere divisie betere producten? Dan gaan de producten naar Amsterdam. Heeft de andere divisie beter personeel? Dan is het nog maar de vraag wat het personeel doet.
Begin dit jaar kreeg ik een baan aangeboden in Zwolle. Ik heb er serieus over nagedacht. Wanneer jou iets wordt aangeboden geven ze te kennen jou graag te willen hebben. Dat scheelt in de bewijslast - je hoeft jezelf niet meer te bewijzen. Een nieuwe lente, een nieuw geluid. Wat weerhield me dan?
Vriendschappen? Kroegen? Been there, seen that, done that. Omdat ik op internet leef, maakt het niet uit waar ik woon. Toch was het uiteindelijk het verhuizen, dat hield me tegen. Verhuizen is een hoop gedoe. Ik hou niet van gedoe. En werk is niet alles. Er is meer. Als ik dan toch ga verhuizen, dan ga ik rentenieren waar het warm is. En waar Aziaatjes zijn.
Neukbaar gaat ook niet verhuizen, net zomin als de rest van haar collega's, waarvan de helft zijn baan wijt aan een vorige fusie. Moderne bedrijfsvoering kent geen mijn en dijn. Behalve als je in Amsterdam zit.
01 November 2010
Stille trom
Vorige week was ik solo naar de Omval. Ik ga nooit solo naar de Omval. Ik ga altijd met Drinkebroer naar de Omval.
Ik had overgewerkt, het was laat, het was vrijdag. Ik wilde dronken worden. Misschien is hij er nog?
Binnen zaten wat mensen te eten en ik herkende wat collega's aan de stamtafel. Geen leuke collega's. Ze komen normaliter pas bij me staan als hun drank op is. Of als het sluitingstijd is.
Het regende. Toch ging ik buiten staan, bij de laatste, nog niet opgeruimde terrastafel. De bedrijfsfred kwam bij me staan en vroeg waar Drinkebroer was. Want we zijn altijd samen in de Omval.
In goed overleg hebben beide partijen besloten uit elkaar te gaan, wat zoiets betekent als we helpen je met het zoeken naar een nieuwe baan, we betalen een half jaar je salaris door en je krijgt een koopsom ter grootte van een maandsalaris voor elk gewerkt jaar.
Ik ken onze CAO en ik ken de regels. Het natuurlijk verloop krijgt een zetje in de rug. Vrij vertaald staat er dat ze hem eruit hebben geschopt. Mijn Drinkebroer is niet meer.
Ik had overgewerkt, het was laat, het was vrijdag. Ik wilde dronken worden. Misschien is hij er nog?
Binnen zaten wat mensen te eten en ik herkende wat collega's aan de stamtafel. Geen leuke collega's. Ze komen normaliter pas bij me staan als hun drank op is. Of als het sluitingstijd is.
Het regende. Toch ging ik buiten staan, bij de laatste, nog niet opgeruimde terrastafel. De bedrijfsfred kwam bij me staan en vroeg waar Drinkebroer was. Want we zijn altijd samen in de Omval.
In goed overleg hebben beide partijen besloten uit elkaar te gaan, wat zoiets betekent als we helpen je met het zoeken naar een nieuwe baan, we betalen een half jaar je salaris door en je krijgt een koopsom ter grootte van een maandsalaris voor elk gewerkt jaar.
Ik ken onze CAO en ik ken de regels. Het natuurlijk verloop krijgt een zetje in de rug. Vrij vertaald staat er dat ze hem eruit hebben geschopt. Mijn Drinkebroer is niet meer.
20 October 2010
No words/No thoughts

Zondag was ik in een restaurant. In het midden van de zaal stond een tafel met een groot wit laken erop. Daarop lag een naakte man. Vrouwen op zwarte laarzen liepen rond het altaar.
Maandag was ik in een ziekenhuis. Op de operatietafel lag een wit laken. Daarop lag een naakte man. Een man in een blauw steriel pak pakte een mes en begon te snijden.
Maandagavond kwam er een bericht. Bedankt voor gisteravond.
Dinsdag bleef ik thuis. Ik was niet ziek, ik voelde ook geen fysieke pijn.
Ik voelde niets meer - en juist dat was beangstigend.
Subscribe to:
Posts (Atom)
