11 October 2009

Staanplaats

De onrust die me teisterde, kort nadat ik was gestopt met het horecavak, is verdwenen. Kon ik destijds op een vrije avond geen vijf minuten stilzitten, nu is het stilzitten tot kunst verheven. Kon ik destijds geen vijf minuten aan niets denken, nu kan ik slapen zonder de dag ook maar iets te hebben gedacht. Vond ik vroeger de stilte irritant, nu irriteert alles dat de stilte onderbreekt.

In mijn huis staat maar één stoel. Dat is een bureaustoel. Op die bureaustoel kan ik uren stilzitten. Verder staan er vier barkrukken, een fauteuil en een bank. Op een bank zit je niet, op een bank ga je liggen.

De stoel staat in het midden van het bureau. Het bureau is twee meter breed. Aan de linkerkant op het bureau staan de terrabyte en de Dikke van Dale. Aan de rechterkant op het bureau staan de studieboeken – overbodig intussen, de inhoud zit bewezen in mijn hoofd.

Alles dat in het hoofd zit, irriteert.

In de zitting van de stoel kun je het zitvlak, mijn zitvlak, uittekenen. Of dat meer zegt over de stoel of over mijn zitvlak, laat ik in het midden. De stof van de zitting is gescheurd. Geel schuimrubber legt een deken van bladeren onder het bureau. Het is hoog tijd dat er een nieuwe bureaustoel komt.

Eén hand beweegt, soms beweegt mijn nek, verder is het lichaam stil. De hand kan uren achtereen klikken. Bijvoorbeeld blokjes aanklikken. Na verloop van tijd verschijnt er een “u hebt gewonnen” of “u hebt verloren” in beeld. Meestal verliest de hand.

Het is niet erg om in stilte te verliezen. De aanwezigheid van getuigen wanneer je verliest, maakt het irritant.

De hand kan uren lang op linkjes klikken. Na verloop van tijd voegt de hand de links samen, dan heb je een film. Die film verplaats je naar de terrabyte om er vervolgens nooit meer naar te kijken.

Ik spaar herinneringen om nooit meer te hoeven kijken.

De hand kan op fotoalbums klikken, nachten lang. Op een nacht, een zoveelste achtereenvolgende nacht van spieken in andermans leven, kreeg de hand last van de pols. Toen ben ik op de bank gaan liggen en keek ik een film. Diezelfde nacht kon ik niet slapen. Het was niet stil.

De volgende ochtend zei een wortelbroek dat het tijd werd voor een nieuwe outfit.

Nieuwe kleding en een nieuwe stoel. Hoogstpersoonlijk stop ik de recessie en laat ik de economie weer draaien. In stilte.

Iedereen die in het hoofd zit, irriteert. Niemand is geïnteresseerd in een nieuwe stoel.

30 September 2009

Buikpijn

Een halve kilo aardappelen, 500 gram hutspot en een pond rundertartaar.
Peper en zout.
Kruiden.
Sambal.
Scheutje melk.
Stampen.

En jezelf maar afvragen waar die dikke buik vandaan komt.

27 September 2009

OP



Afscheidsoptreden van de Osdorp Posse in de Melkweg.

Vijftien jaar geleden waren het vaste klanten in het café waar ik toen werkte. Def P gaf de cd-single van "Geen slaap tot Osdorp". Ik gaf Def P een T-shirt van het café.

Poolen, blowen en Belgische biertjes. Ik pool niet en ik blow niet. Ik barman. De geluidsman ging er met een vriendin van mij vandoor. Ik kwam hem laatst tegen in de fabriek. Hij doet het geluid bij onze bedrijfspresentaties. De wereld is klein.

Ik stond op de gastenlijst. Via vaste klanten van het café waar ik drie jaar geleden werkte. Ik was te gast. De wereld wordt kleiner.

18 September 2009

Een fles wijn, een pennenset en een tas



Oh ja. En een diploma.

03 September 2009

Vrimibo

'Hoe gaat het?' vraagt de gepensioneerde.
'Ik word kaal,' zeg ik.
Dat zeg ik tegenwoordig tegen iedereen die aan me vraagt hoe het gaat.
'Morgen wordt het nog erger. Eerst dertig graden maar daarna onweer. Nou, ik moet het nog maar zien met dat onweer. Ze zitten er altijd naast met hun voorspellingen.'

De gepensioneerde is niet echt geïnteresseerd in mijn antwoord. Mensen stellen vragen, verwachten een bepaald antwoord en borduren daar op voort - ongeacht het gegeven antwoord.
'Na zonneschijn komt maneschijn,' zeg ik, 'als je tenminste sluitingstijd haalt.'
Je moet een gegeven antwoord niet in zijn bek kijken. Ik kijk over zijn schouder en zie Sylvia. Sylvia was mee naar de Hoornse kermis.
'Hoe is het op de afdeling?' vraagt de gepensioneerde.
Een gesprek verloopt gemakkelijk als je iets gemeenschappelijk hebt. Mijn werkgever is wat we gemeenschappelijk hebben.

's Morgens, na een vergadering op de vierde verdieping, kwam ik Janine tegen. Janine werkt op de vierde, ik werk op de derde.
'Dag,' zei Janine. Die ochtend droomde ik over Mex. Dat is lang geleden, dacht ik bij het wakker worden.
'Dag Janine,' zei ik.
'Dat is lang geleden,' zei Janine. Janine straalde. De rest van de dag was ik bezig met het verbergen van mijn erectie. Dat is inderdaad lang geleden.

Sylvia werkt ook op de vierde en is 23 jaar oud. Dat zou je niet zeggen. Ik ken dertigers die minder volwassen zijn - die minder van de wereld begrijpen. Niet dat Sylvia de wereld begrijpt, maar ze doet ten minste niet alsof. Ik ken ook dertigers die helemaal niets begrijpen. Ze leven maar door omdat dat de makkelijkste manier is. Ze gaan naar school, komen van school en zoeken een baan, ze krijgen een leaseauto en een laptop, ze nemen een vriend en laten zich dumpen, nemen dan maar een kat en zetten foto's van het beest op het internet en ze verharen samen nog lang en gelukkig.

's Middags was er een presentatie over de komende reorganisatie. En de vorige reorganisatie is nog niet eens afgerond. Welkom in het bedrijfsleven met functioneel promotiebeleid. Ik ging, zonder dat ze het merkte, naast Jenny zitten en legde mijn hoofd op haar schouder.
'Hie!' deed Jenny.
Hie is waarschijnlijk het Chinese woord voor hoi. Jenny is de vijfde Chinees die ik ken met smetvrees. Verder heeft ze RSI, slechte ogen, een koophuis en een samenwonende partner. Vorige week hebben we samen geluncht.
'Erwin, vind je mij naïef?' vroeg Jenny toen.
'Als ik je vraag om jezelf uit te kleden, doe je dat dan?' zei ik.
'Háá!' deed Jenny.
Haa is waarschijnlijk het Chinese woord voor nee. Jenny is de vijfde Chinees die ken met een Chinese vriend.
'Zal ik een Chinese importeren?' vroeg ik tussen de soep door.
'Dat is beter dan in een hotel afspreken,' vond Jenny.
Jenny had waarschijnlijk een slechte herinnering aan een hotel. Aan alles komt een eind, ook aan slechte herinneringen. Jenny vroeg of ik ging verder studeren.
'Ik heb mezelf al ingeschreven,' zei Jenny.
Ik denk niet dat Jenny een reorganisatie in haar baarmoeder krijgt.

Mensen pretenderen de wereld te begrijpen, een houding om hun kat en hun domheid te verbergen. Sylvia verbergt niets, we praten over haar afgetekende heupen.
'Hoe vaak was je hem?' vraag ik aan Sylvia. Als je op dat moment in het gesprek was gevallen, dan zou je dat een onbehoorlijke vraag kunnen vinden.
'Eén keer per week? Eén keer per maand?'
'Elke veertien dagen,' zegt Sylvia.
'Goede kwaliteit,' zeg ik. Met mijn handen keur ik de strak om het achterwerk gespannen spijkerstof.
'Tachtig euro,' zegt Sylvia. Ze slaat mijn handen weg en schuift een meter op. Als je het gesprek niet had gevolgd, dan zou je dat een onbehoorlijk antwoord kunnen vinden. Geld is kwaliteit, dat is geen vreemde gedachte voor een 23jarige. Als het maar duur is, dan is het goed. Toen ik 23 was, zat ik in het leger. Daar waren de broeken pas van goede kwaliteit. Inkomen bepaalt nog steeds de positie op de maatschappelijke ladder, het prijskaartje bepaalt de kwaliteit. Aan het eind van de avond krijg ik steevast de rekening gepresenteerd, dan kan ik zien hoe goed de avond is geweest.

Na de lunch kwam ik in de kantoortuin Anita tegen.
'Hé! Rook je weer?' vroeg Anita.
'Nee, mijn longen staan in de fik,' zei ik. Op een stomme vraag krijg je een stom antwoord.
'Vanavond gaan we met het teamuitje naar een workshop cocktails maken.' Iedereen vertelt zijn eigen verhaal, ongeacht de vraag. Zelfs al stel je geen vraag.
'Is een cursus make-up niet meer iets voor jouw team?' vroeg ik.
'Ik heb geen make-up nodig,' zei Anita resoluut.
'Dat denk jij. Wacht maar totdat je begint te verharen.'
'Hoe is het met de liefde?' vroeg Anita.

Er is veel eenzaamheid onder de dertigers. Ik zal geen namen noemen. Mensen noemen namen in de hoop daarmee geassocieerd te worden, het noemen van namen is een teken van onzekerheid en gebrek aan eigen identiteit. Sylvia is niet eenzaam, alhoewel haar aanwezigheid hier, op vrijdagavond, anders doet vermoeden. Haar gespannen achterwerk wordt opgemerkt en een collega met een kalend hoofd en een dikke buik komt bij ons staan. Hij heeft zijn jas nog aan.

'Wat ben je laat,' zegt Sylvia.
'Ik heb net examen gedaan,' zegt de jas. 'Een proefexamen eigenlijk. Het waren tien vragen, maar best wel pittige vragen.'
Uit zijn broekzak haalt hij een hypermoderne telefoon tevoorschijn. Een telefoon in je broekzak vind ik ranzig.
'Even mijn examen twitteren.'
'Twitteren?' zegt Sylvia.
Ze draagt pumps onder haar spijkerbroek, de onderkant van de broek hangt halverwege de hak. Dat is een modetruc uit Azië, je benen lijken daardoor langer.
'Twitteren is online netwerken voor contactgestoorden,' zeg ik.
Op Twitter heb je volgers. Beter gezegd: Op Twitter heb je volgers en achtervolgers. Het verschil tussen volgers en achtervolgers is hetzelfde als het verschil tussen verveling en obsessie.
'Zo, klaar,' zegt hij even later.
Hij wordt niet gevolgd, hij wordt getolereerd. Ik heb hem niet eerder kunnen betrappen op ook maar één zinnige opmerking. Kaalheid en zwaarlijvigheid zijn natuurlijke kenmerken, hij heeft er aanleg voor.
'Hoe is het met je kat?' vraag ik. Sylvia loopt weg.

Ik heb er geen aanleg voor, ik doe het uit protest. Een gemeenschappelijke werkgever is niet genoeg. Werk is geen gemeenschappelijk belang, een gemeenschappelijke werkgever is individueel belang, het individuele belang van de maandelijkse salarisstrook. En van de vrijdagmiddagborrel. Het is zoals het is. Te lang heb ik geleefd in zoals het zou kunnen zijn.

18 August 2009

Spijker

"Hoe is het met de vrouwen?" vroeg het spijkerrokje.

We liepen van de dependance naar het hoofdkantoor.
Ik zweette. Dit was geen dertig graden meer, dit was Sahara.
We passeerden de houten ophaalbrug, kinderen sprongen luid gillend in het water.

"Slecht," zei ik.

Ik vertelde over het weekend in Hoorn, op de kermis. Met een groep collega’s waren we naar het vuurwerk wezen kijken en daarna de kroeg ingegaan.

"Ja, leuke mannen genoeg, maar leuke vrouwen ho maar," zei het spijkerrokje.

Aan het spijkerrokje te zien, ging het wel goed met de vrouwen.

26 July 2009

Life

Geen film maar een serie ditmaal. Elf afleveringen van drie kwartier per stuk. Zo komen we de zomer wel door.

Thema van de serie is bullying (pesten - voor niet Japanners), een sociaal verschijnsel binnen elke groepscultuur. De serie beoogt de Japanse jeugd op te voeden en aanknopingspunten te bieden. Je wil bij een groep horen. Hoe doe je dat, en vooral, hoe doe je dat niet? Je wordt gepest op school. Wat doe je en wat doe je niet?

Hoofdpersoon Shiiba (poesje - voor mensen zonder kat) loopt met een onverwerkte schuldlast en is een gemakkelijke prooi. Te gemakkelijk zelfs, tijdens het kijken begon ik tegen de televisie te schreeuwen. “Nee! Niet doen! Waarom doe je dat?” Shiiba is een beetje naïef. “Waarom doe je zo dom?” Beetje dom, tegen je televisie schreeuwen.

Het bullying beperkt zich niet tot de studenten, ook in de docentenkamer is een pispaal voorhanden. Waarmee wordt gezegd dat pesten/vernederen zich niet beperkt tot zij die nog volwassen moeten worden en hun plaats nog moeten vinden, maar dat het ook geldt voor zij die zich volwassen wanen en hun plaats al denken te hebben gevonden. Ergo: strijd is overal en van alle tijden en volwassen ben je nooit. Volwassenen zijn kinderachtig en onvermogend, vaak nog meer dan de kinderen zelf.

Alle clichés over Japan komen langs. De prestatiedrang, de zelfmoord onder schooljeugd, het ophouden van de uiterlijke schijn, automutilatie, verminking, seksueel onvermogen (bondage en verkrachting), het onvermogen - want schaamte, de basis van het Japanner zijn - tot tonen van de eigen zwakheden en natuurlijk de schooluniformpjes. Elf keer drie kwartier lang ongegeneerd naar Japanse meisjes in uniformpjes kijken. Ik heb de Samsung (Koreaans merk voor mensen met een Philips) niet horen klagen. Slecht excuus want wie gaat er klagen bij iemand die tegen je schreeuwt?

Alleen red je het niet en hulp is er in de vorm van de bonzaï-boomlange Hatori-san (“stop that Hatori-san, call me Miki”) met wie Shiiba vriendschap sluit. Hatori-san is een loner. Ze is opgegroeid zonder ouders en mist daarmee de projectie van de ouderlijke normen en waarden. Wat zoveel wil zeggen als dat vroeg op eigen benen leren staan een grotere overlevingskans biedt, en dat de veiligheid van een ouderlijk huis een schijnveiligheid is omdat daar de eerste besmetting plaatsvindt.

De serie bevat alle mogelijke filmclichés (bijvoorbeeld de nerd wiens bril wordt kapotgemaakt en die zonder bril opeens een lekker ding is) maar ontwijkt de laatste valkuil. Wanneer uiteindelijk alles escaleert en de verhaallijnen simpel aan elkaar worden geknoopt, denk je maar aan één ding: wraak. Een nachtje in de giertank, handjes in de gehaktmolen, desnoods een krultang in de kut, als er maar iets komt. Maar er komt geen wraak. Er gebeurt niets. Daarmee is het verhaaltechnische einde onbevredigend maar wordt wél het doel van de serie bereikt. Want wraak maakt dat je het systeem in stand houdt omdat je tot diezelfde groep bent gaan behoren.

Shiiba is dan wel naïef maar ook wilskrachtig. En die wilskracht – geen wraak nemen vergt ook wilskracht - moet een voorbeeld zijn voor de Japanse jeugd. In de zomervakantie gaat Shiiba met Hatori-san (de bloedmooie Seki Megumi) en de nerd op reis. Zo komen ze de zomer ook wel door.

18 July 2009

Liefdeloze controle

Joann draagt iets dat waarschijnlijk een souvenir is uit Hong Kong. Het is geen blouse en het is geen jas, maar het ziet eruit als een blouse en het ziet er ook uit als een jas. De kleur is wit, gebroken. Voor een jas is het te zomers, te dun en te luchtig, voor een blouse is het te winters, te groot en te warm. De onderkant bolt, een modegril van eind 2007, zoals het pakje dat Ringo draagt in de clip van Killer Tune. Om het middel zit een ceintuur die erom schreeuwt te worden losgemaakt.

Sinds Joann terug is uit Hong Kong bolt haar gezicht ook. Ze is geen schim meer van het blozend gezicht dat tegenover me zat bij de sollicitatie. Een klein, onschuldig gezicht, een zwart satijnen overhemd en een gestreepte pantalon, het zwarte haar bijeengeraapt in een staart, pumps. Ze glunderde als een Japans schoolmeisje dat zojuist een nieuwe Hello Kitty tas heeft gekocht. Mijn werkgever was de nieuwe tas, ik was de verkoper.

Diezelfde ochtend, vertelde ze bij het voorstellen, had ze haar vorige tas ingeleverd. Die tas was wel heel leuk maar niet echt uitdagend. Het was een boodschappentas, eentje die je nodig hebt om rond te komen. Handzaam en praktisch maar ook degelijk en niet stoer, niet iets om op feestjes over te vertellen. Mijn vaste caissière loopt elke dag op hakken, op feestjes vertel ik over haar. De caissière is stoer. Op een keer zag ik haar in de metro staan. Toen was ze niet stoer maar het rijmt er wel op.

De lach van Joann toen ze binnenkwam in de sollicitatiekamer raakte aan het giechelen van verliefde pubermeisjes, een vertederende blijk van zenuwen. Ze was de meest zenuwachtige van alle sollicitanten, stotterend beantwoordde ze de vragen. Ze beantwoordde de vragen goed - alles dat ze zei was goed.

Nu, drie maanden later, is de lach gemaakt en komt een naar arrogantie neigende verveling naar boven. De pantalon is vervangen door een spijkerbroek, de pumps door versleten weekendlaarsjes. Als ze een vraag stelt, wat niet vaak gebeurt, buigt ze voorover en kan ik haar adem ruiken. Wanneer ik antwoord, deinst ze terug, alsof ze tegen een aura van de Mexicaanse griep is aangelopen. Niet bij alle vrouwen denk ik meteen aan seks. Soms denk ik aan eten.

Van alle sollicitanten was Joann de jongste, de slimste, en na de onderhandelingen met haar accountmanager, ook de duurste. De Mexicaanse griep bestaat niet, net zomin als een tweede kans. Status verlies je niet zelf, dat doet de omgeving voor je. Van dichtbij zie ik dat de ceintuur niet los kan, en één geheel vormt met het souvenir.

30 June 2009

Blik

De Thaise buurvrouw zat op de galerij te lezen. Binnen was het te warm. Ook op het balkon aan de andere kant van het huis was het niet te harden. De galerij was, gecombineerd met een tussenstop in de douche, de beste plaats om de dag door te brengen. Het was nog niet zo warm als de zomer van 2007, een zomer die later als tropisch werd bestempeld. De stoel naast haar was niet bezet, er lag een pen en een stuk geschreven tekst. 'Feliciteer me,' zei ik. 'Ik heb het laatste examen gehaald.'

In de zomer van 2007 kreeg ik een nieuwe keuken, de Thaise buurvrouw kreeg een nieuwe douche. Op een van die tropische dagen bood ik haar mijn douche aan. Bij gebrek aan een douche ging ze elke ochtend naar het zwembad - ze zwemt er nu nog steeds – en het in de loop van de dag verzamelde zweet ging mee naar bed. Ze nam het aanbod aan. Op dit soort dagen is een avonddouche geen overbodige luxe. Na het douchen dronken we samen een blikje bier. Ik vertelde toen dat ik weer ging studeren.

Ik neem nooit vakantie op in de zomer, het terrasseizoen van de horeca zit in mijn systeem verankerd. Ik ontvlucht de hitte door te werken. 'Het is een zesje,' zei de ingeburgerde 's morgens door de telefoon. Een zesje. Een zesje voor het - chaotisch verlopen – laatste examen. Een zesje voor het tiende examen. Tien voldoendes op rij. 'Het is genoeg,' zei ik tegen de telefoon. Ik pakte pen en papier op en ging zitten. 'Gefeliciteerd,' zei de Thaise buurvrouw. 'Wil je een blikje bier?'

19 June 2009

Logica

"Ben je afgevallen?"
"Dus je vond me te dik."