17 February 2013

Taiyou

Van Floor moet ik wandelen dus daarom ging ik wandelen. Het was een mooie zondag om te wandelen. De zon scheen, er was een aangename luchtvochtigheid en niet veel wind.

Meer mensen verkozen de luchtvochtigheid boven verwinterde zondagmiddagseks. Er zaten mensen buiten, voor hun huis of op het balkon. Mensen werkten in de tuin. Auto’s werden gewassen. Er werd gefietst, veel gefietst. En gewandeld, zoals gezegd. Door mij, maar ook door veel anderen. Ik ben zelden op een origineel idee betrapt.

Ongeacht welke keuze we hadden gemaakt - tuin, balkon, auto, fiets - we hadden één ding gemeen: we lieten ons humeur kietelen door de voorjaarszon. We hadden de deur geopend, de muffe woonkamer verlaten en waren naar buiten gegaan.

Sommige mensen droegen een muts en handschoenen, anderen waren gekleed in een sportieve trui of jas. De overgang van jaargetijden zorgt voor een contrastrijk beeld. Er ligt nog ijs op de sloten terwijl kinderen voetballen in T-shirts met korte mouwen op een aangrenzend stukje gras. Met grasveldjes moet je uitkijken. Je kunt er de hond uitlaten.

Van Floor moet ik eigenlijk in het bos wandelen maar in het bos is geen contrast. Door de bos bomen het niet meer zien, zeg maar.

Daarom wandelde ik door de straten van het oude dorp. Langs kleine maar statige huisjes, maar ook langs misplaatste moderniteiten. Langs lamlendige landhuizen, langs restaurants die voorjaarsomzet lieten lopen. Langs het stadhuis en het zwembad. Langs de kade en langs de bosrand. Langs de snelweg, langs een illegale vuilstortplaats. Daar bleef ik staan.

Een bonus op deze zonovergoten middag. Dankzij Floor is de locatie gevonden.

Be aware, be very aware.

Fleur vind ik een leukere naam. Een vriendinnetje dat Fleur heet, dat zou leuk zijn. Een vriendinnetje, dat zou leuk zijn. Samen met een vriendinnetje wandelen is leuker dan in de tuin werken of de auto wassen. Ik bezit geen auto en ik heb geen tuin. Het zal met elkaar te maken hebben.

Na de toevalstreffer liep ik verder, de polder in. Er zitten nog geen pollen in de lucht, anders had ik het niet gedaan. Pollen in het voorjaar zijn het ergst, want levenslustig en vers. Even besmettelijk als buikloop bij kleuters, even verraderlijk als hun puberende zus.

Over het spoor en een spoorwegovergang de polder uit, via een tuincentrum en een bouwmarkt de bewoonde wereld weer in. De randstedelijke villawijk, daarachter de moderne maar monotone huizenrij, de goedkope grijze flatgebouwen en de late jaren zestig bouw. Toen stond ik in het winkelcentrum.

Over contrast gesproken.

In het winkelcentrum waren de winkels open. Het was koopzondag maar er werd niet veel gekocht. Kopen doe je niet bij een glimlachende voorjaarszon.

Tegenwoordig is elke zondag koopzondag. Niet meer één keer per maand, of alleen met de feestdagen. Alles moet meer en de omzet wordt minder. Het speciale is eraf, zoals bij iemand die je elke week ziet. Hoe houd je het spannend? Ik keek naar boven. De zon zal de rest van de maand niet meer schijnen.

Bij de ingang van de snackbar stond een groepje pubers. Ik bestelde een bakje friet. Wandelen maakt hongerig, onzekere jeugd hoerig. Ik eet zelden friet, daarom blijft het speciaal.

Terwijl ik mijn friet at zag ik buiten een bekende Nederlander staan. Maar ik wist niet wie het was. Zo bekend was hij toch weer niet. Misschien moet hij vaker naar buiten gaan.