Er is veel te doen maar eigenlijk is er niets te doen. Het is zoiets als alle meubelen naar één kant van de woonkamer sjouwen, de opengevallen plekken stofzuigen en daarna de meubels op hun plaats terugzetten. Je hebt hard gewerkt en niemand ziet het verschil. In wezen is er ook geen verschil.
Als je niet laat zien wat je doet, dan heb je niets gedaan. We gaan terug naar school.
"Juf! Juf! Kijk wat ik heb gemaakt!"
En dat uit twintig bacteriënhaarden tegelijk. Bevestiging, bewijs, respons, rapport.
"Dat is keurig gekakt. Niets in het broekje maar alles in het potje!"
Om nog maar te zwijgen over de bijpassende lucht. Onderwijs is ondergewaardeerd, scholing overschat.
Met een lesbische zit ik op het terras van de soos. Het is vrijdagmiddag, de scholen zijn dicht, tijd voor een borrel. Ik moet onder de mensen komen en de lesbische is mens. Ze draagt een net, strak overhemd boven een paar sneakers en drinkt bier.
"Daar woonde ik."
Ik wijs naar de tiende verdieping van de rode flat, aan de overkant van de straat.
"En daar woonde Ingrid."
Ik wijs naar de flat die vanachter de soos opdoemt.
"Mijn vriendin heet ook Ingrid."
Dagelijks worden er werknemers ontslagen, toekomstperspectief neemt af en armoede neemt toe. De lesbische heeft juist ontslag genomen. Dan heb je ballen.
"Ik vind het juist wel grappig," zegt de lesbische daarover.
Ze vindt alles grappig, en lacht voortdurend. Ik lach mee maar ik vind het niet grappig meer.
De innovatievelingen verdwijnen. Ze stellen vragen, uiten kritiek. De uitgang is snel gevonden, al dan niet met behulp van een vertrouwenspersoon of de bedrijfsjurist. Je moet je mond houden en in de pas lopen, hoe vurig ze het tegendeel ook beweren. Niemand is te vertrouwen, zelfs zij niet die hun functie eraan ontlenen.
"Ik vraag me af wat ik er nog doe."
"Dat vraag ik me al jaren af."
Als je erbij wil horen moet je meedoen, maar meedoen betekent nog niet dat je erbij hoort. Je wordt nooit een deel van de familie als het jouw familie niet is. Je bent een indringer en geen deel van de geschiedenis. Geschiedenis is de motor die de boel bij elkaar en draaiend houdt. Niet dat ik hunker naar een familie, wel onderken ik het verlangen naar een thuis. Zonder thuis geen verlaten.
De soos was ooit thuis, waarschijnlijk daarom spreek ik er graag af. Het is veranderd, maar niet vervlogen. Er zijn wat spullen verplaatst, de keuken en de bar zijn vernieuwd maar niemand ziet het verschil. Het publiek drijft mee op de waan van de dag. Een spiegel is om foto’s van jezelf te maken en reflectie is iets voor oude mensen.
We drinken halve liters Heineken, eten bitterballen en vlammetjes en roken Lucky Strike. Ook wij zijn veranderd.
"Eigenlijk ben ik gestopt."
"Ik eigenlijk ook," zegt ze.
Tolereren leidt niet tot accepteren, imiteren niet tot integreren. Je wordt gedoogd en staat erbij als een gedekte tafel in een afhaalrestaurant.
03 May 2013
01 May 2013
I guess I'm allergic

Ctrl N is een nieuw document. Uit het raam kijken is dromen.
Het hoofd moet rusten en het lichaam moet bewegen. Ik denk dat de therapeut dát bedoelde. Kwaaltjes openbaren zich niet voor niets. Ze verkondigen een boodschap waarnaar je je maar hebt te schikken. Alles heeft een reden en als je van de trap af valt dan ben je snel beneden.
Op de televisie kun je belangrijke beelden zien. Beelden die de hele wereld over gaan - en uiteindelijk overgaan. Een vrouw in een blauwe jurk, mannen in kapiteinspak met zwaard. Carnaval is vroeg dit jaar.
Het is Koninginnedag 2013 en ik ga naar de vrijmarkt op de perifere oevers van mijn bestaan. Als een feestdag er is om te feesten dan is de vrijmarkt er om te vrijen.
Half Nederland zit voor de televisie en kijkt naar het carnaval. Ander half Nederland zit niet voor de televisie. Dat zit buiten achter een tafel met aftandse spullen van zolder, of loopt langs iemand die buiten achter een tafel met aftandse spullen van zolder zit.
Hemoglobine geeft kleur aan het leven - voor zover er sprake is van leven.
Het is een zonnige dag. Niet zonnig in de zin van rokje en haltertop, maar zonnig in de zin van droog, oranje kledingstukken en plukjes oranje haar. Meedoen verbroedert en verbindt - verliefd en verblind.
Misschien gaan mijn ogen achteruit, en is dat de oorzaak van de hoofdpijn.
Ik neem kleine stappen, mijn knieën kunnen niet meer aan. Het gaat iets beter. Niet veel, maar het gaat beter. Geduld, rust en bewegen. En stap voor stap. Met kleine stapjes overbrug je geen kloof, dat moet met een sprong. Je kunt de kloof ook laten voor wat hij is en blijven staan. Van blijven staan is nog niemand doodgegaan. Van over een kloof springen daarentegen ...
Koninginnedag kan verraderlijk zijn, de vrijmarkt is een bacteriënfestijn. Wie zijn billen brandt moet op de blaren zitten en wie niet horen wil moet voelen. Voor de zekerheid draag ik een sjaal.
"Kijk je wel een beetje uit," zei Kim nog.
25 April 2013
There will be blood (2)
Er is altijd iets dat wél goed gaat. Alleen zie je dat niet, zoals je een gezond lichaam ook niet voelt.
De mens die slechts ziet wat fout gaat is een chagrijn, de mens die alleen het goede ziet is een dwaas. Daartussenin bevindt zich de massa: Het kan vriezen, het kan dooien, na regen komt zonneschijn en een dag niet gelachen is een dag niet geleefd, dat soort mensen. Ja hoor, ik lach me dood.
Ik wilde mezelf doodlopen. Voordat het doel was bereikt deden mijn knieën het niet meer. Dat schoot niet op. Ik ging twee dagen op de bank liggen, beide benen uitgestrekt op een verzameling kussens. Ik legde zakjes gevuld met ijs op de brandhaard en kreeg hoofdpijn. Na een week zonder noemenswaardige vooruitgang ging ik naar de huisarts.
"Ik krijg hoofdpijn van mijn bank," zei ik.
Twee dagen televisie kijken, dat leek me wel wat. Het nuttige met het aangename verenigen zie je hooguit in de prostitutie terug. Ik zette de televisie aan. Er was geen beeld. Aangenaam, zei ik zojuist. Het apparaat staat er drie jaar ongebruikt te zijn. Het is dat ik hem uit de doos heb gehaald, anders zou je niet kunnen zien dat het een televisie is. Nu dus ook niet.
Vanwege de pijn had ik geen eetlust. En twee dagen op je rug liggen leidt niet tot honger. Ik at dus niet. Dat kwam goed uit. Als je eet moet je naar het toilet en op het toilet zitten met deze knieën behoorde niet tot de dingen die je ooit moet hebben gedaan voordat je doodgaat. Doodgaan door uithongering duurt maanden. Ik had tijd genoeg. Geen horloge, maar tijd genoeg.
Ik zette de televisie uit en weer aan. Nog steeds geen beeld. Het zit niet mee. Wel geluid, maar geen beeld. Ik bekeek de stapel kussens op de bank. Wel benen maar niet lopen, wel kopen maar niet kijken. Mijn leven is een omgebouwde Thaise, een klont slagroom zonder taart. Het is misselijkmakend.
"Laat maar zien," zei de huisarts.
Ik liet de knieën zien. Maar er was niets te zien. Ze werden gebogen, ineengedrukt, naar binnen en naar buiten gedraaid. Ik gaf geen kick it, de knie- en kruisbanden gaven geen krimp.
"Neem maar een paracetamol als het pijn doet."
Ik mocht naar de fysiotherapeut, dat dan weer wel. Weer iemand voor in mijn adressenboekje. De fysiotherapeut las de aanbevelingsbrief van de huisarts.
"Zo, probleempjes met de televisie?" vroeg de fysiotherapeut.
"Wel benen, geen beeld," zei ik.
Ik deed mijn broek uit. Ik had mijn knieën extra goed gewassen. Voor een date wast de gemiddelde vrouw haar geslachtsdeel twee maal. Na de eerste keer wassen moet ze naar het toilet. Ik lap de ramen altijd twee maal. Eerst binnen, daarna buiten. Ook al zijn de ramen niet smerig, je lapt ze toch. Het is een kwestie van gevoel, ook al zie je het verschil niet.
Een alternatief is televisiekijken via de computer. Maar dat is geen televisiekijken, dat is computeren. Zo is een fysiotherapeut een therapeut en geen arts. Mijn gegevens verdwenen in een Macbook zoals mijn loopvermogen in drijfzand. De kleine zelfstandige gaat mee met zijn tijd, de kantoorslaaf vergeet hoe de wereld eruit ziet.
"Rusten. Veel rusten. En blijven bewegen."
Rusten en bewegen. Haal daar het goede maar uit.
De mens die slechts ziet wat fout gaat is een chagrijn, de mens die alleen het goede ziet is een dwaas. Daartussenin bevindt zich de massa: Het kan vriezen, het kan dooien, na regen komt zonneschijn en een dag niet gelachen is een dag niet geleefd, dat soort mensen. Ja hoor, ik lach me dood.
Ik wilde mezelf doodlopen. Voordat het doel was bereikt deden mijn knieën het niet meer. Dat schoot niet op. Ik ging twee dagen op de bank liggen, beide benen uitgestrekt op een verzameling kussens. Ik legde zakjes gevuld met ijs op de brandhaard en kreeg hoofdpijn. Na een week zonder noemenswaardige vooruitgang ging ik naar de huisarts.
"Ik krijg hoofdpijn van mijn bank," zei ik.
Twee dagen televisie kijken, dat leek me wel wat. Het nuttige met het aangename verenigen zie je hooguit in de prostitutie terug. Ik zette de televisie aan. Er was geen beeld. Aangenaam, zei ik zojuist. Het apparaat staat er drie jaar ongebruikt te zijn. Het is dat ik hem uit de doos heb gehaald, anders zou je niet kunnen zien dat het een televisie is. Nu dus ook niet.
Vanwege de pijn had ik geen eetlust. En twee dagen op je rug liggen leidt niet tot honger. Ik at dus niet. Dat kwam goed uit. Als je eet moet je naar het toilet en op het toilet zitten met deze knieën behoorde niet tot de dingen die je ooit moet hebben gedaan voordat je doodgaat. Doodgaan door uithongering duurt maanden. Ik had tijd genoeg. Geen horloge, maar tijd genoeg.
Ik zette de televisie uit en weer aan. Nog steeds geen beeld. Het zit niet mee. Wel geluid, maar geen beeld. Ik bekeek de stapel kussens op de bank. Wel benen maar niet lopen, wel kopen maar niet kijken. Mijn leven is een omgebouwde Thaise, een klont slagroom zonder taart. Het is misselijkmakend.
"Laat maar zien," zei de huisarts.
Ik liet de knieën zien. Maar er was niets te zien. Ze werden gebogen, ineengedrukt, naar binnen en naar buiten gedraaid. Ik gaf geen kick it, de knie- en kruisbanden gaven geen krimp.
"Neem maar een paracetamol als het pijn doet."
Ik mocht naar de fysiotherapeut, dat dan weer wel. Weer iemand voor in mijn adressenboekje. De fysiotherapeut las de aanbevelingsbrief van de huisarts.
"Zo, probleempjes met de televisie?" vroeg de fysiotherapeut.
"Wel benen, geen beeld," zei ik.
Ik deed mijn broek uit. Ik had mijn knieën extra goed gewassen. Voor een date wast de gemiddelde vrouw haar geslachtsdeel twee maal. Na de eerste keer wassen moet ze naar het toilet. Ik lap de ramen altijd twee maal. Eerst binnen, daarna buiten. Ook al zijn de ramen niet smerig, je lapt ze toch. Het is een kwestie van gevoel, ook al zie je het verschil niet.
Een alternatief is televisiekijken via de computer. Maar dat is geen televisiekijken, dat is computeren. Zo is een fysiotherapeut een therapeut en geen arts. Mijn gegevens verdwenen in een Macbook zoals mijn loopvermogen in drijfzand. De kleine zelfstandige gaat mee met zijn tijd, de kantoorslaaf vergeet hoe de wereld eruit ziet.
"Rusten. Veel rusten. En blijven bewegen."
Rusten en bewegen. Haal daar het goede maar uit.
22 April 2013
There will be blood
De Duitse gaat terug naar Duitsland. Niet dat ik me illusies maakte, maar je kunt niemand verbieden te dromen.
Dromen moeten worden gevoed.
Bij vraag 3, waar ik alle andere keren 'nee' had gezegd, zei ik 'ja'. Ik kreeg het warm. De Duitse warmde mee maar herpakte zich. Ze is professioneel. Ze vroeg hoeveel.
"Ik heb vrienden die het ook doen," zei de Duitse.
"Ik heb geen vrienden."
Voor oprechte interesse ben ik aangewezen op het ziekenhuiswezen.
Er stonden vijf buisjes klaar. Ze prikte de naald in mijn arm, mijn hand rustte op een handdoek op haar schoot. Samen keken we hoe de buisjes rood kleurden.
Dromen moeten worden gevoed.
Bij vraag 3, waar ik alle andere keren 'nee' had gezegd, zei ik 'ja'. Ik kreeg het warm. De Duitse warmde mee maar herpakte zich. Ze is professioneel. Ze vroeg hoeveel.
"Ik heb vrienden die het ook doen," zei de Duitse.
"Ik heb geen vrienden."
Voor oprechte interesse ben ik aangewezen op het ziekenhuiswezen.
Er stonden vijf buisjes klaar. Ze prikte de naald in mijn arm, mijn hand rustte op een handdoek op haar schoot. Samen keken we hoe de buisjes rood kleurden.
05 April 2013
Taiyou (4)
Winnie zegt: “Ik heb veel vrijgezelle vriendinnen.”
Ze eet friet. Op vrijdag is er friet. Op andere dagen niet.
“Maar ze zijn niet echt … .”
Ze wacht, zoekt het juiste woord.
“… aantrekkelijk.”
Twee uitgeknepen zakjes mayonaise liggen naast het bord.
“Geen Winnies,” concludeer ik.
Ze pakt een zakje mayonaise, ziet dat het leeg is, legt het terug, pakt het
andere zakje mayonaise en legt ook dat onverrichter zake terug.
“Uiterlijk is toch belangrijk,” zegt ze.
“De eerste keer wel.”
Daarom houd ik niet van daten. Het ligt er te dik bovenop. Geen spontaniteit
maar een sollicitatie.
“Eigenlijk zou je elkaar gewoon moeten ontmoeten, op een verjaardag of zo.”
Ze kijkt naar mijn gemillimeterde haar.
Aantrekkelijker word ik er niet op.
04 April 2013
23 March 2013
Deur
Zaterdag ging ik naar de officiële opening van een winkel. De opening was om twee uur ’s middags. Ik was er om kwart over twee. Meestal is de opening later dan gepland.
Nu niet.
Het was er zo druk dat ik buiten moest staan. Met een gevoelstemperatuur van min 14 is dat geen pretje. Ik besloot in beweging te blijven en liep een rondje door de buurt, later zou het vast rustiger zijn. Zodoende kwam ik langs een sigarettenwinkel. Ik ging naar binnen en kocht sigaretten.
Hoeveel aanwijzingen heb je nodig om te concluderen dat je een buitenstaander bent?
Mijn eerste sigaret rookte ik ook bij min 14. Het legeronderdeel waarbij ik mijn dienstplicht vervulde was op oefening in Duitsland, midden in de winter. Daar ontstond de associatie tussen koude en sigaretten.
Blijkbaar heb ik het al tweeëntwintig jaar koud - min één jaar dan.
Toen ik terugkwam bij de winkel kon de deur open, er waren wat mensen weggegaan. Deur is een ander woord voor winkelopening.
Ik hoor niet bij de doelgroep van de winkel maar wel van de eigenaar. Je moet weten wat je rol is. Isolement is leuk als iedereen achter je aan zit. Maar er zit al jaren niemand achter me aan, daarom moet ik wel naar buiten - en nu naar binnen.
In de winkel waren veel kinderen, sommigen met ouders en anderen zonder. De kinderen die zonder ouders waren gekomen hebben ouders die ooit hier zijn gekomen omdat wij zelf te lui zijn om schoon te maken.
Het middel is erger dan de kwaal. Want wie ruimt de rotzooi in casu hun nageslacht op?
Ik wilde direct weer weggaan - je mag geen kinderen slaan - maar ik zag een opening. En daar deed ik het tenslotte voor.
Even later voerde ik een gesprek. De aanleiding voor het gesprek berustte op een misverstand. Veel levenswendingen berusten op misverstanden. De mens is echter te trots om dat toe te geven.
Nog later deed ik samen met een paar knee-high boots de afwas. Huiselijk is mijn rol. Zo moet het zijn. En zó moeten ze zijn.
Knee-high boots had thuis een vaatwasser. Bij de afwas leer je elkaar kennen.
Uiteindelijk ging ik als laatste weg. Zonder opening, maar met een bosje bloemen. Lekker huiselijk. Later dan gepland, maar toch.
17 March 2013
14 March 2013
17 February 2013
Taiyou
Van Floor moet ik wandelen dus daarom ging ik wandelen. Het was een mooie zondag om te wandelen. De zon scheen, er was een aangename luchtvochtigheid en niet veel wind.
Meer mensen verkozen de luchtvochtigheid boven verwinterde zondagmiddagseks. Er zaten mensen buiten, voor hun huis of op het balkon. Mensen werkten in de tuin. Auto’s werden gewassen. Er werd gefietst, veel gefietst. En gewandeld, zoals gezegd. Door mij, maar ook door veel anderen. Ik ben zelden op een origineel idee betrapt.
Ongeacht welke keuze we hadden gemaakt - tuin, balkon, auto, fiets - we hadden één ding gemeen: we lieten ons humeur kietelen door de voorjaarszon. We hadden de deur geopend, de muffe woonkamer verlaten en waren naar buiten gegaan.
Sommige mensen droegen een muts en handschoenen, anderen waren gekleed in een sportieve trui of jas. De overgang van jaargetijden zorgt voor een contrastrijk beeld. Er ligt nog ijs op de sloten terwijl kinderen voetballen in T-shirts met korte mouwen op een aangrenzend stukje gras. Met grasveldjes moet je uitkijken. Je kunt er de hond uitlaten.
Van Floor moet ik eigenlijk in het bos wandelen maar in het bos is geen contrast. Door de bos bomen het niet meer zien, zeg maar.
Daarom wandelde ik door de straten van het oude dorp. Langs kleine maar statige huisjes, maar ook langs misplaatste moderniteiten. Langs lamlendige landhuizen, langs restaurants die voorjaarsomzet lieten lopen. Langs het stadhuis en het zwembad. Langs de kade en langs de bosrand. Langs de snelweg, langs een illegale vuilstortplaats. Daar bleef ik staan.
Een bonus op deze zonovergoten middag. Dankzij Floor is de locatie gevonden.
Be aware, be very aware.
Fleur vind ik een leukere naam. Een vriendinnetje dat Fleur heet, dat zou leuk zijn. Een vriendinnetje, dat zou leuk zijn. Samen met een vriendinnetje wandelen is leuker dan in de tuin werken of de auto wassen. Ik bezit geen auto en ik heb geen tuin. Het zal met elkaar te maken hebben.
Na de toevalstreffer liep ik verder, de polder in. Er zitten nog geen pollen in de lucht, anders had ik het niet gedaan. Pollen in het voorjaar zijn het ergst, want levenslustig en vers. Even besmettelijk als buikloop bij kleuters, even verraderlijk als hun puberende zus.
Over het spoor en een spoorwegovergang de polder uit, via een tuincentrum en een bouwmarkt de bewoonde wereld weer in. De randstedelijke villawijk, daarachter de moderne maar monotone huizenrij, de goedkope grijze flatgebouwen en de late jaren zestig bouw. Toen stond ik in het winkelcentrum.
Over contrast gesproken.
In het winkelcentrum waren de winkels open. Het was koopzondag maar er werd niet veel gekocht. Kopen doe je niet bij een glimlachende voorjaarszon.
Tegenwoordig is elke zondag koopzondag. Niet meer één keer per maand, of alleen met de feestdagen. Alles moet meer en de omzet wordt minder. Het speciale is eraf, zoals bij iemand die je elke week ziet. Hoe houd je het spannend? Ik keek naar boven. De zon zal de rest van de maand niet meer schijnen.
Bij de ingang van de snackbar stond een groepje pubers. Ik bestelde een bakje friet. Wandelen maakt hongerig, onzekere jeugd hoerig. Ik eet zelden friet, daarom blijft het speciaal.
Terwijl ik mijn friet at zag ik buiten een bekende Nederlander staan. Maar ik wist niet wie het was. Zo bekend was hij toch weer niet. Misschien moet hij vaker naar buiten gaan.
Meer mensen verkozen de luchtvochtigheid boven verwinterde zondagmiddagseks. Er zaten mensen buiten, voor hun huis of op het balkon. Mensen werkten in de tuin. Auto’s werden gewassen. Er werd gefietst, veel gefietst. En gewandeld, zoals gezegd. Door mij, maar ook door veel anderen. Ik ben zelden op een origineel idee betrapt.
Ongeacht welke keuze we hadden gemaakt - tuin, balkon, auto, fiets - we hadden één ding gemeen: we lieten ons humeur kietelen door de voorjaarszon. We hadden de deur geopend, de muffe woonkamer verlaten en waren naar buiten gegaan.
Sommige mensen droegen een muts en handschoenen, anderen waren gekleed in een sportieve trui of jas. De overgang van jaargetijden zorgt voor een contrastrijk beeld. Er ligt nog ijs op de sloten terwijl kinderen voetballen in T-shirts met korte mouwen op een aangrenzend stukje gras. Met grasveldjes moet je uitkijken. Je kunt er de hond uitlaten.
Van Floor moet ik eigenlijk in het bos wandelen maar in het bos is geen contrast. Door de bos bomen het niet meer zien, zeg maar.
Daarom wandelde ik door de straten van het oude dorp. Langs kleine maar statige huisjes, maar ook langs misplaatste moderniteiten. Langs lamlendige landhuizen, langs restaurants die voorjaarsomzet lieten lopen. Langs het stadhuis en het zwembad. Langs de kade en langs de bosrand. Langs de snelweg, langs een illegale vuilstortplaats. Daar bleef ik staan.
Een bonus op deze zonovergoten middag. Dankzij Floor is de locatie gevonden.
Be aware, be very aware.
Fleur vind ik een leukere naam. Een vriendinnetje dat Fleur heet, dat zou leuk zijn. Een vriendinnetje, dat zou leuk zijn. Samen met een vriendinnetje wandelen is leuker dan in de tuin werken of de auto wassen. Ik bezit geen auto en ik heb geen tuin. Het zal met elkaar te maken hebben.
Na de toevalstreffer liep ik verder, de polder in. Er zitten nog geen pollen in de lucht, anders had ik het niet gedaan. Pollen in het voorjaar zijn het ergst, want levenslustig en vers. Even besmettelijk als buikloop bij kleuters, even verraderlijk als hun puberende zus.
Over het spoor en een spoorwegovergang de polder uit, via een tuincentrum en een bouwmarkt de bewoonde wereld weer in. De randstedelijke villawijk, daarachter de moderne maar monotone huizenrij, de goedkope grijze flatgebouwen en de late jaren zestig bouw. Toen stond ik in het winkelcentrum.
Over contrast gesproken.
In het winkelcentrum waren de winkels open. Het was koopzondag maar er werd niet veel gekocht. Kopen doe je niet bij een glimlachende voorjaarszon.
Tegenwoordig is elke zondag koopzondag. Niet meer één keer per maand, of alleen met de feestdagen. Alles moet meer en de omzet wordt minder. Het speciale is eraf, zoals bij iemand die je elke week ziet. Hoe houd je het spannend? Ik keek naar boven. De zon zal de rest van de maand niet meer schijnen.
Bij de ingang van de snackbar stond een groepje pubers. Ik bestelde een bakje friet. Wandelen maakt hongerig, onzekere jeugd hoerig. Ik eet zelden friet, daarom blijft het speciaal.
Terwijl ik mijn friet at zag ik buiten een bekende Nederlander staan. Maar ik wist niet wie het was. Zo bekend was hij toch weer niet. Misschien moet hij vaker naar buiten gaan.
Subscribe to:
Posts (Atom)