27 November 2005

India

Alleen je naam al.

Ik ken die naam. Ik ken die naam veel te goed. Ik heb die naam vaak gezegd. Ik heb die naam vaak geroepen. Ik heb die naam vervloekt. Ik heb gejankt om die naam. Om jouw naam.

Toen ik hem las liepen de rillingen over mijn rug. Hoe diep kan pijn zitten. Je denkt dat je het kwijt bent, dat je er overheen bent. Nou vergeet het maar. Als een bestraald kankergezwel circuleert ze door mijn lichaam. Het gezwel is dood maar is niet verwijderd. Tot stilstand gebracht. Een glasscherf in je hoofd die ze niet weg willen halen. Die ze niet weg kunnen halen. Het gevaar van onherstelbare schade aan vitale delen. Eén millimeter naar rechts en het is gebeurd. Ik heb het vaak gedacht. Schiet maar uit met dat mes, dan is het over. Dan ben ik er van af.

"Mijn ouders willen je zien."
Die nacht vrijen we voor het eerst niet. Het was toch een geintje? We zijn niet plus en min, we zijn dubbel plus en dubbel min. Alles wat zij is, ben ik niet. Alles wat ik heb, heeft zij niet. We zijn samen één grote grap. We zijn verliefd. Het enig gemeenschappelijke. Het enige dat telt.

In tijd kan veel gebeuren. De tijd bracht haar man en kind. De tijd bracht mij een andere baan, een ander café, groepstherapie en losse flodders. Losse flodders voor de schutters, voltreffers in mijn gedachten. Ieder schot een nieuwe zenuwinzinking. De psychotherapie op zich was een lachertje. We zaten er met acht personen. Zes meiden, een jongen en ik. Leuke meiden. De jongen was net werkloos en wist niet wat hij met zijn leven aan moest. Afhankelijkheid van werk. Werk wordt onderschat. Je moet wat te doen hebben anders verveel je jezelf dood. Dus neem een kind of ga aan het werk. Werk is levensvulling.

"Het is toch uit?"
De vraag blijft hangen boven de bar. Haar ogen geven het antwoord. Ogen liegen niet. Daarom heb ik een hekel aan zonnebrillen. Wie zijn ogen verbergt heeft meer te verbergen.
"Ik begrijp helemaal niets van jullie twee."
Wijzelf nog minder.

Ik zat alleen maar naar de meiden te kijken. Zoals gewoonlijk zei ik niet veel. Er zaten mooie exemplaren tussen. Mooi en nog leuk ook. Verward waren we, daarom zaten we daar. Verwarring was de bindende factor. Groepstherapie is niets meer dan gelijkgestemden bij elkaar zetten en naar elkaar laten kijken. De herkenning werkt heilzaam. Ik ben niet de enige. Met die gedachte loop je weer naar buiten.

"Ik heb het koud."
Ik kom thuis. Bij haar thuis. Zondagnacht. Zij is altijd vrij op zondag, ik draai de avonddienst. Na het werk even snel naar snackbar De Prins. Versgebakken pistoletjes halen. Kaas voor haar, filet american voor mijzelf. En voor allebei een milkshake. Het huis is donker, de slaapkamer leeg. Ik vind haar onder de douche. Zittend. Haar armen om haar benen heengeslagen, haar lijkwitte gezicht verborgen tussen haar knieën. Haar lichaam versierd door rode striemen van het kokend hete water. Rillend van de kou. Ik laat de broodjes vallen en ga zonder mijn kleren uit te trekken bij haar zitten. Met mijn handen masseer ik haar rug, haar armen. Wanhopig probeer ik haar bloeddoorstroming weer op gang te brengen. Mijn tranen vermengen zich met de onuitputtelijke straal water.
"Waarom heb ik het zo koud?"

We moesten ons voorstellen. Wat we deden, waarom we hier zaten. Nummer drie zei dat ze in de fabriek werkte. In dezelfde fabriek als waar ik werk. Man, huis en baan. Wat wil je nog meer? Luxeproblemen. Toen ze de andere verhalen had gehoord, schaamde ze zich. Dat ze met haar probleempje bij deze club, tussen deze mensen zat. Ze was na de eerste sessie al genezen.

"Kut. Mijn moeder staat voor de deur."
We hebben nog niet eens geslapen. Na eerst de onophoudelijke deurbel te hebben genegeerd gaat nu ook haar mobiel af. De nummerweergave zegt genoeg. Ze neemt op. Ik zie het probleem niet, alleen dat al onze kleren verspreid door het huis liggen. Ik vind het leuk als meisjes kut zeggen.
"Ze weet niet dat jij hier bent."
Nou, over een minuut dus wel. Dat haar moeder langskwam om haar op te vangen in verband met vermeend liefdesverdriet begreep ik later pas. Er was een dag retail-therapie gepland.
"Moet ik haar zoenen?"
"Nee, je moet met mij zoenen."

Ik kreeg eerst drie persoonlijke gesprekken. Dan zou gekeken worden wat het beste bij me zou passen. Meneer de psycholoog wroette wat in mijn verleden. Ik beantwoordde netjes alle vragen zodat we op de verkeerde weg belandden. Ik zat nog in mijn ontkenningsfase en draaide behoedzaam om de kern heen. Groepstherapie zou het moeten doen. Whatever. Als er maar wat gebeurt, het maakte mij niet uit wat. Het was een leuke club. Tegen het eind van cyclus zijn we op eigen houtje uit eten gegaan. De psycholoog wist van niets. ABC-tje. De groep neemt afstand van de therapeut en geeft aan weer op eigen benen te kunnen staan.

"Viel het mee?"
Haar verjaardag. Ik overleef familie en vrienden. Haar stem komt uit het gangetje. Ze staat zich mooi te maken, we gaan met zijn tweeën uit eten. Zij paasbest. Ik heb geen schone kleren bij me en loop in mijn horecaoutfit van de vorige avond. Het uiterlijk contrast niet groter denkbaar, innerlijk dichter bij elkaar dan ooit. Het wordt onze beste avond. Langzaam krijg ik het gevoel dat het echt wat gaat worden.

Nummer vier had problemen met haar moeder. Labiel type. Allebei trouwens. Ellenlange reproducties van discussies en gesprekken passeerden onze revue. Steevast beginnend en eindigend met: mijn moeder begrijpt me niet. De appel valt niet ver van de boom. Ik heb haar uitgelegd wat projectie is. Ze kreeg een recept voor de apotheek mee.

"Bij twijfel altijd doen."
Met die woorden versierde ze me ooit. We staan op Schiphol. Twee bruisende meiden, de ouders en ik. In de periode voor het vertrek zijn we weer naar elkaar toegetrokken. Zij zocht houvast, ik probeerde te redden wat er te redden viel. De laatste week verbleef ze bij mij thuis. Onwerkelijke dagen. Waanzinnige nachten. Wrede nachten. Waanzinnige, wrede sex. Het was geen houden van, het was pure wanhoop. Ik wilde haar pijnigen. Ik wilde haar openrijten, openscheuren. Dat ze gedurende haar reis niemand toe zou kunnen laten zonder aan mij te denken. Zodat ze bij iedere volgende penetratie aan mij herinnerd zou worden. Ze neemt afscheid van haar ouders. Dan komt ze naar mij toe en we lopen naar de douane. Twee meter voor de toegangspoorten blijven we staan. We kijken elkaar aan. Haar handen wurmen zich onder mijn kleding door naar mijn rug. Mijn drijfnatte rug. Ze wrijft het zweet uit, voor de laatste keer laat ze mijn lichaamsgeur in haar handen trekken. Heel voorzichtig brengen we onze lippen bij elkaar. Een maagdelijke kus, alsof het onze eerste is. We eindigen zoals we ooit zijn begonnen. Ik kijk naar haar steeds vochtiger wordende ogen. Ik beweeg mijn hoofd naar voren en zuig zachtjes het traanvocht op. Ik wil nog wat zeggen maar mijn stem is weg. Een onsamenhangend geluid komt uit mijn keel vandaan. Ze begint te schokken en ze laat me los. Ze draait zich om en loopt met gebogen hoofd door de poortjes naar de douane. Versteend kijk ik haar na. Ik zeg het nog een keer maar ik ben de enige die het hoort. Bij twijfel niet doen.

"We landen morgen op Schiphol. Maar wil je alsjeblieft niet komen?"

Nummer vijf was er voor de derde keer. Een terugslag dwong haar tot een nieuwe poging. Ik vond haar rijp voor een psychiater, volgens mij had ze medicijnen nodig. Waanzinnig verhaal. Ze had het uitgemaakt. Hij moest weg. Ze wilde zonder hem verder. Hij wilde niet weg. Hij wilde niet verder zonder haar. ’s Avonds was hij langsgekomen. Ze stond op de trap, hij kwam binnen en knielde op de onderste trede. Trok een pistool tevoorschijn. Schreeuwend: is dit dan wat je wil? Ze kon niets zeggen. Ze wilde niets zeggen. Nooit op dreigementen ingaan, jezelf nooit laten chanteren. Dat zal hij nooit doen. Dacht ze. Hij schoot. Nadat hij de loop van het pistool in zijn mond had gestoken.

"Ze is bij ons."
Ze is terug. Ze is ziek. Ze is bij haar ouders. Ik mag haar niet zien. Of mag ze mij niet zien? Wil ze mij niet zien? Kan ze mij niet zien? Ik had de grens bereikt.

Nummer zes was de leukste. Niet de mooiste, dat werd ze later pas, toen ik haar echt leuk begon te vinden. Alleenstaand, twee worpen. Hij ging vreemd. Hij zou het niet meer doen. Hij wilde werken aan zijn huwelijk. Ze maakten nog een kindje. De tweede worp zou het huwelijk moeten redden. Terwijl zij zwanger lag te zijn, lag hij bovenop het meisje dat ze in dienst hadden. De bevalling deed ze alleen. Hij was ondertussen bij het meisje ingetrokken. De zakelijke afwikkeling van de echtscheiding bracht haar in ons midden, in ons praatclubje.

"We kunnen een stukje met de honden gaan lopen."
Mijn stem. Geluidloos. Uiteindelijk mag ik langskomen. Ze is toonbaar. We zitten buiten op het terras, binnen het blikveld van de ouderlijke gestapo. Gedrogeerd zit ze tegenover me. Het is warm. Haar gezicht is vochtig. De openstaande schuifdeuren smoren iedere poging tot conversatie. Ze staart voor zich uit, weigert me aan te kijken. Haar ogen volgen de bewegingen van één van de honden. Het beest legt zich hijgend aan haar voeten. Automatisch legt ze haar hand op zijn kop en buigt ze haar hoofd naar voren. Het beest richt zijn kop omhoog en likt het zout van haar gezicht. De gestapo beantwoordt mijn vraag door in de deuropening te gaan staan. Ik sta op en pak mijn jas. Ik aai voorzichtig haar nog steeds gebogen hoofd en steek mijn hand op richting de schuifdeuren. Bij het tuinhek aangekomen hoor ik haar stem. Toen knapte het. In mijn hoofd. De genadeklap.

Ik moest ook vertellen waarom ik er zat. Wat deed ik hier eigenlijk?

Jouw naam. Opteren voor waanzin kan slechts een houding zijn, nooit een keuze. Gedachtestromen zijn niet te beïnvloeden. Waanzin overkomt, overvalt, overruled. Hoe een naam een eigen leven gaat leiden, een naam boven de persoon uitstijgt waaraan zij toebehoorde. Een naam meer dan een persoon. Een persoon die je gedachten uiteindelijk verlaat, mits er maar genoeg cement overheen is gegaan. Een naam die blijft rondsluimeren, een naam die de waanzin van dat moment vertegenwoordigt, een naam die door de waanzin van dat moment je terugbrengt in de roes. De roes waar de naamgever allang uit is vertrokken. Geen obsessie van vlees en bloed maar de obsessie van een woord, een naam. Jouw naam. Jouw naam die je een gezicht geeft. Jouw naam die me terug in de tijd zet. Jouw naam die mij op mijn knieën kreeg. Jouw naam die na een halve fles whisky nog niet was verdwenen. Jouw naam die een verboden woord was geworden. Jouw naam die jou háár gezicht geeft.

Jouw naam. Haar naam.

14 November 2005

Spoel

Of ik verdoving wil. Nee vriend, zo makkelijk verdien je je geld niet. Ik wil geen verdoving. Ik wil genieten van de boor. Van het gewroet in het uitgeholde glazuur. Ik wil de zenuw voelen die je blootlegt. De tinteling tot aan mijn tenen wanneer je de binnenkant schoon spuit en de ontwaakte zenuw zijn verblijfplaats verraad.

Hij was niet eens rot. Er zat niet eens een gaatje in. Er brak een hoekje vanaf. Zomaar. Sterke tong denk ik dan maar.

Of ik wil spoelen. Een rochel van bloed vermengd met zwarte puntjes verlaat mijn mond. Kiezen kunnen niet bloeden. Waar heeft hij allemaal aangezeten? Oude vulling, voor nieuwe gebruiken ze al jaren wit opvulsel. Een sliert kwijl blijft aan mijn mond hangen, ik schraap mijn keel en trek de groene ochtendsigaretpit omhoog. Onder de douche zie ik mijn rochels nooit. De wit porseleinen spuugbak is meedogenloos eerlijk.

De finesseboor komt erbij. Het subtiele werk begint. De subtiele pijn ook. Geniepig draait hij rondjes in de uitgeholde kies. Mijn onderlip begint te trillen.

Ik tover een gezicht tevoorschijn. Jouw gezicht. Jouw gezicht dat ik te lang niet heb gezien. Het gaat snel. Ik probeer jouw gezicht te verdrijven door een ander gezicht voor de geest te halen. Even zie ik twee andere ogen, een andere mond, een andere glimlach. Blonde haren over haar wangen. Even, heel even maar. Want jouw gezicht drukt er doorheen, dringt zich op. Haar ogen worden jouw ogen. Haar mond wordt jouw mond. Haar blonde lokken jouw zwarte krullen. Haar gezicht wordt jouw gezicht. Jouw gezicht dat ik te lang niet heb vastgehouden.

Het zwarte shirt waar ik je in uit kan tekenen gaat omhoog en omlaag. Je speelt meisje. Of ik ze niet te klein vind. Nee lief. Ze zijn precies goed. Je giechelt. Je tuit je lippen en kust in de lucht. Dan buig je jezelf naar voren en breng je gezicht naar het mijne. Ik sluit mijn ogen.

"Spoel maar. Het is klaar."

Nee. Het is nog lang niet klaar. Ik spoel terug.

02 November 2005

She cameleon

Ze loopt langs mijn bureau en kijkt over mijn schouder naar het computerscherm.
"Wat een kleine lettertjes. Zeker omdat het geheim is."
Klopt. Het gaat over jou.

Ze krijgt nog steeds een kleur wanneer we elkaar zien. Dan begint ze te blozen en buigt haar hoofd naar beneden. Haar ogen naar de grond gericht. Ze zegt verder weinig, eigenlijk zegt ze helemaal niets meer tegen me. Hoe negeren een obsessie alleen maar versterkt.

Negeer me en de obsessie wordt alleen maar erger. Onbereikbaar is niet erg, dat is duidelijk, ik ken mijn plaats ondertussen. Onaanspreekbaar is veel erger. Ik mailde haar dat ik mezelf zou gedragen, dat doe ik dan ook. Ik maak nooit loze beloften.

Het zijn haar eerste woorden sinds ze me afwees voor een lunch. Afwees voor haar leven.

Ze is aangekomen. Ze kan het hebben. Die kop vergoedt alles. Nooit eerder zag ik puurder natuur. Rode wangetjes, altijd rode wangetjes tegen een te witte achtergrond. Schoenen die haar niet staan, een broek die niet bij haar past. Status verplicht maar het is het net niet. Daarom vind ik haar zo leuk. Omdat het net niet is.

Ooit had ze fotoboeken bij zich. Eindelijk had ze alle babyfoto’s ingeplakt en medemoeders van de kantoortuin mochten kijken. Babyfoto’s die haar bijna de W.A.O. injaagden. Gecompliceerde zwangerschap noemen ze dat bij de Arbo-dienst. Of ik haar kleine levensvervulling ook wil zien. Natuurlijk wil ik dat. Waar het nieuwe leven wordt gefotografeerd kan de moeder nooit ver weg zijn. Het boek wordt opengeslagen en ik voyeur haar leven binnen. Ik kijk niet naar haar levensvervuiler. Ik kijk naar hun huis. Hun keuken. Hun woonkamer. Hun slaapkamer. Ik kijk naar haar leven.

Ik kijk naar haar. Ik zie hem.

"Die moet ik hebben," antwoordde ze toen ik haar vroeg hoe ze hem had leren kennen.
"Je zag hem staan en toen ..."
Ze onderbreekt me.
"En toen heb ik hem gekregen."

Na de babyfoto’s volgen de vakantiefoto’s. Ik blader door en beleef de vakantie van het pril uitgebreide gezinnetje. Zo kan het dus ook. Ik zag het nooit voor me, mezelf in zo’n positie. Ik houd helemaal niet van vakantie. Nu zie ik hem staan en wil ik daar staan. Wil ik met haar op vakantie zijn.

Ik klik het worddocument weg en ze kijkt verrast naar mijn desktop.
"Is dat je vriendin?"
Nee. Dat is een foto van een mooie dag. Een vriendin voor één dag is geen vriendin.

Die heerlijke zelfgebreide truitjes. Waarom vind ik dat zo leuk? Ik zie voor me hoe ze, ’s avonds op de bank, terwijl manlief voetbal kijkt en zijn blikjes bier weg tikt, breiend en wel de avond doorbrengt. Hoe het voetbalcommentaar het getik van haar breinaalden overstemt.

Hoe hij haar leven overstemt.

24 October 2005

Fragment

"Bier en een jägermeister. En jij?"
"Baileys. Met ijs."

Ze komt alleen binnen. Ik vraag waar de rest is. Ze vertelt dat ze iedereen is kwijtgeraakt. Bewust? Ze schuift aan bij de harde kern aan de grote tafel en wacht tot het sluitingstijd is. Wacht tot het haar tijd is.

Ik word te vroeg wakker. Geen kater maar een stekende pijn in mijn ribbenkast. Daar raakte ik mijn stuur dus. Hoe ik ook ga liggen, elke houding veroorzaakt een nieuwe pijnscheut.

Op de hoek van de bar zit een pubermeisje. Ze vraagt pen en papier en duwt even later een briefje in mijn handen. Zo gaat dat. De puberteit is mooier als je twee keer de pubertijd hebt overschreden. Aan het andere eind van de bar zit Blond met vriend. Lichaamstaal: zij open, hij gesloten. Ik kwam hem laatst tegen in Paradiso en bood hem een biertje aan. Ik had iets goed te maken. Ik geloof niet dat zij hem heeft verteld wat.

Het verschuiven van de bierfusten jaagt de eerste pijnscheuten door mijn ribbenkast. Beginnerstikje. Ik leg één hand in mijn nek en pak met de andere hand een fust. Kom maar jongen. Ik buig door mijn knieën en kom langzaam omhoog. Het fust kantelt en balanceert op de ronde rand aan de onderkant. Wat moet je nou? Ik strek mijn rug en het fust komt los van de grond. Mijn borstkas zet uit, de steken beginnen onderaan, verdwijnen via mijn oksel naar mijn rug. Tot tien tellen. Wat je ook moet doen wanneer je geen haal van je sigaret kunt nemen en je jezelf moet inhouden om erger te voorkomen. Ik tel, mijn arm begint te trillen, aderen zwellen op. Het fust verliest.

Een obsessie van drie jaar geleden gaat aan de bar zitten. De obsessie verdween toen ze zichzelf, stomdronken, aan me opdrong. Iedereen was weg, het café was leeg, en ik kreeg haar met geen mogelijkheid naar buiten. Ze moest en zou me hebben. Dronken mensen, zeker vrouwen, hebben iets aandoenlijks maar dit was geen aandoenlijkheid meer. Dit was gewoon stom alcoholisme en bij gebrek aan beter, überhaupt bij gebrek aan iemand, volledig gefixeerd op de barkeeper. Niet voor rede vatbaar. Of ze mooi is. Ja, je bent mooi. Of haar lichaam er nog goed uitziet voor haar leeftijd. Ja, je lichaam ziet er nog goed uit voor je leeftijd. Ze had het beter kunnen relateren aan de hoeveelheid drank die haar slokdarm de afgelopen jaren heeft verwerkt. Aan de hoeveelheid vlees die haar dijen de afgelopen jaren naar binnen hebben gewerkt.

"Hoe gaat het met je?"
Ze willen helemaal niet weten hoe het met je gaat. Ze hopen er alleen maar op dat je de beleefdheid bezit de verplichte wedervraag te stellen. Zodat ze zelf kunnen vertellen wat ze kwijt willen. Je vroeg er toch naar? Dan moet je luisteren ook.

Een verlangen naar verpleging maar het aangebodene afwijzen. Niemand willen zien. Niemand kunnen zien. Mezelf aan niemand willen laten zien. Niemand mag me zo zien. Lege kasten. Beschimmeld brood kun je best roosteren. Koffie en een slof sigaretten, die had ik nog net op tijd gehaald. Wat doen cafeïne en nicotine eigenlijk met je hoofd? Dokter?

"Hoe is het eigenlijk met je liefdesleven?"
Een vraag die mensen stellen wanneer ze over hun eigen liefdesleven willen praten. Niet jouw verhaal interesseert ze, welnee, ze willen zelf lekker lozen over hun nieuwe verworven ossenworst.

Dagen, nachtenlang surfen. Kijken, lezen, absorberen. De porno werkt niet. Ik heb niet eens zin om te rukken. Ook al zou ik zin hebben, het kan niet eens. Daar ben ik in elk geval van af. Obsessief loggedrag. Hoe druk kun je jezelf maken over een website. Misschien toch een rode maken? Waar zit die bloedrode kleur? En wat doe ik met de kopfoto? Wat doe ik met mijn muze? De laatste format C kostte me het meisje met het roze haar. Binnen vijf minuten heb ik haar weer gevonden. Mijn geheugen is nog niet aangetast. Valt ook niet aan te tasten. Mijn lichaam begeeft het eerder dan mijn hoofd. Weblogs uitspitten. De reden waarom er singlereizen zijn uitgevonden spat van het scherm. Laat maar zitten. Open dirren blootleggen. Kijk, dat is nou eens een inkijk in het leven van mensen. Dit is het ultieme voyeurisme.

"Goed. Erg goed."
Vooral dat woordje erg doet het hem. Bij ossenworst moet je altijd het velletje verwijderen. Na opening beperkt houdbaar. Minder dan een dag. Erg bederfelijk. Ik wil helemaal niet weten hoe het met je gaat. Ik kan het niet meer horen. Je hebt het bedorven. Je bent bedorven.

Wit. Het ziekenhuis waarin ik me mentaal bevond? Steriele lakens. Verpleegstersuniformen. De rode lijnen als de kruisjes. Dunne, magere lijnen. De magere bloedtoevoer. Een verlangen naar reinheid? Schoon schip maken? De gif-afbeelding omdat ik wil schoppen maar het niet kan? Wie houdt me tegen? Wat houdt me tegen? En waarom houdt het me tegen? Hoe een fysieke aanslag de mentale kwetsbaarheid blootlegt. Ik kan er niet tegen wanneer mijn lichaam het begeeft.

"Mag ik de rekening?"
Dat wil ik horen. En neem die vellen mee.

Ik lijk gvd wel een wijf. Deze rok? Maar daar passen die schoenen niet bij. Streepje hier, gifje daar. Meer rood, nee minder. Alles wit en alleen zwarte tekst. Kaal. Kaler. Kaalst. Ziek. Zieker. Ziekst. Dood heeft geen overtreffende trap. Morsdood is ook dood.

Zwanger en Zwanger komen binnen. Twee jaar lang iedere vrijdag als een stel hormoonbommen aan de bar. Dertig plus, dan krijg je dat. Flirten, praten, drinken, neem zelf ook wat. Verkapte gezelligheid. Ik mag de verhalen aanhoren. Over het zoeken, over de probleempjes met hem, over de problemen van haar. Anybody will do. Hoe is het eigenlijk met jouw liefdesleven? Ik doe niet aan liefdesleven want dan had ik hier niet gestaan. Uiteindelijk hebben ze er allebei eentje mee naar huis gekregen. Eerst buiten een beetje bekken, lachen om de verplichte fietsverlichting. Met een dronken kop is het moeilijk om de lampjes aan de fiets te bevestigen. Kan daar niet eens iemand op af studeren? Aankloppen bij het ondertussen schoongemaakte café want er moet toch nog even een wc worden bezocht. Wie nam ik ook alweer mee naar huis? O ja, hij daarbuiten. Het gaat maar om één ding.

Dagen, nachtenlang muziek. Waanzinnige muziek. Koptelefoon op voor een nog intensere beleving. Het volume zo hard dat ik mezelf niet meer kan horen denken. Dat ik überhaupt niet meer kan denken. Rust. Eindelijk. Verdrinken in de muziek. De muziek die uit mijn leven is verdwenen.

Altijd aan de bar, nooit aan een tafel. Met mensen aan een tafel heb je geen contact. Een volle bar is leuker dan een vol café. Zwanger kwam ook vaak alleen. Ik dronk met haar mee, ondanks de verplichte geheelonthouding onder werktijd. Hoek van de bar, leunend op haar ellebogen. Haar toekomstige melkfabriek onontkoombaar onder mijn neus duwend.

Slapen is geen optie want liggen is geen optie. In wat voor een roes beland je dan? Rondjes lopen. Douchen. Douchen is goed. Douchen is lekker. Hoe heter hoe beter. Wanneer is lang douchen schadelijk? De zo wenselijke rugmassage. De broodnodige verzachting van de spieren. De douchestraal als twee masserende handen. De broodnodige verwarming. De broodnodige omarming. Hoe beschimmeld ook.

Mijn muze gaat aan de bar zitten en rolt met haar ogen.
"Ik ben dronken en dus ontoerekeningsvatbaar."
Ik zet een biertje voor haar neer en laat haar alleen. De armbeweging onder de bar van de jongen naast haar zegt genoeg. Ik loop naar de vriezer en schenk mezelf een borrel in. Ik hoef niet meer voor haar te zorgen.

Ik ben niet jaloers. Ik houd wel van verkapte gezelligheid. Mijn computer zegt niets terug. Ik ben twee klanten kwijt. Een klant is potentie en ik ben te koop. Elke klant is een potentiële koper.

Verkoudheid heerst. Iedereen wordt een beetje ziek. Gelul. Iedereen is per definitie ziek. Gedimde lampen, veel drank. Een alcoholroes in een schemergebied van geblaat en sigarettenrook. Beperkte blikvelden. Dan valt het minder op. Geen facial wanneer je last hebt van brandende ogen. Wacht met de gordijnen open doen totdat de ander de ochtendurine verwijdert. Gordijnen moet je sowieso nooit open doen. Dan zien mensen teveel. Je moet niet alles laten zien. Je moet niet alles willen zien.

Haar tijd is gekomen. Het is sluitingstijd geweest. De gordijnen dicht, onze drank onaangeroerd op de bar. Ze zakt door haar knieën. Ik pak haar bij haar schouders en trek haar omhoog. Ik lijk op hem, hij deed ooit hetzelfde. Het beangstigt haar dat zonder zaadlozende bevestiging iemand van haar kan houden. Ik til haar aan haar billen omhoog en zet haar op de bar. Instinctief spreidt ze haar benen.

Vaste waarden zijn vervangen door variabelen. De constante factor is verdwenen. Legio oplossingen, de uitkomst hetzelfde. Terugvallen op oude waarden is een gebrek aan daadkracht en realiteitszin. Wat je niet bezit kun je niet verliezen. Het tegenovergestelde van aftakelen is toetakelen.

"Ik ga je pijn doen."
Het spel als fragment van een fragmentatiebom. Onherstelbare schade, die zet je niet meer terug in elkaar. Liefdessap is liefdesgif. Daar kan geen chemokuur tegenop.

Op de Amstelveenseweg nemen we afscheid. Ik krijg een vreemd voorgevoel. Voorgoed? Ze is stil. Aanhankelijk zonder woorden, ze laat me niet los. Was dit de laatste keer? Ik sla linksaf, zij loopt rechtdoor. Het is druk op straat, ik heb moeite met me te concentreren op de weg. Bij de Koninginneweg vallen mijn ogen dicht. Dit gaat fout. Ik stap af en loop met mijn fiets aan de hand verder. Bij de kruising met de Zeilstraat ga ik op de grond zitten en rook een sigaret. De hoeveelste? Ik begin te zweven. Wat is dit voor leven? Een veel te warme septemberzon, ik moet ergens binnen gaan zitten. Om de hoek zit het Haarlemmermeerstation. Broodje Jaap is open. De stamtafel gevuld met kettingrokend oud en verbitterd. Hun tijd is geweest. Ik schuif bij ze aan, de legging vraagt wat ik wil drinken.

"Koffie alsjeblieft."

07 October 2005

Core

Fietssturen verstrengelen. Het asfalt van de Weteringschans is hard. Dronken mensen vallen goed, breken nooit wat. Daarom ben ik graag dronken. Ingebouwde veiligheid. Ik ga zitten en strek mijn ledematen. Ze zitten er allemaal nog aan. En nog heel ook. Mijn pols doet zeer.

Haar zwartgelakte nagels rusten op zijn been. Wat een gezelligheid. Moet ik hier vanavond mee uit? Het zweet staat op mijn rug. Op mijn voorhoofd. Heb ik koorts? Er is maar één remedie. Aan de drank. Mijn rug doet zeer. Ik weiger pijnstillers te slikken. Alcohol is een spierverslapper.

Bij gebrek aan een eigen leven lees ik de levens van anderen. Bij gebrek aan eigen foto’s bekijk ik de foto’s van andere levens. Lezen is beter dan televisie kijken. Een foto is beter dan een film.

De klap is harder aangekomen dan verwacht. Waarom komt die zwelling zo langzaam op gang? Na anderhalve week gaat voor het eerst de telefoon. Goh, mis je me nu al? Waarom ik niets heb gezegd. Zo ernstig is het nou ook weer niet. Ik ben niet dood. Al doe ik met twee pakjes per dag goed mijn best. Hoeveel gif kunnen je longen verdragen? Hoeveel mensen kan ik verdragen is beter. Die jagen me eerder het graf in.

Het is binnen rustig, ik dacht dat het was uitverkocht. Bij het voorprogramma is de zaal nog niet eens halfvol. We praten bij. Opleidingen en werk. Log en leven. Wat valt er te vertellen? We komen voor de muziek. Nooit de core vergeten. Mensen maken zich te vaak te druk over randverschijnselen. Concerten kun je ook prima in je eentje doen. Wanneer je alleen bent zie je meer. Nee, niet meer, anders. Je ziet andere dingen. Je kijkt anders. Wanneer je alleen bent zie je andere mensen.

Zwart geverfd haar. Stoer motorjack. Gele rookaanslag op haar geringde vingers.

"Je kunt toch ook bellen om gewoon even te kletsen?"
Kletsen? Wat moet ik vertellen dan? Wat ik vandaag allemaal niet heb gedaan? Ik heb niet gedoucht, ik heb me niet geschoren en ik heb geen eten gekookt. Ik heb geen krant gelezen en ik heb geen televisie gekeken. Ik doe niets. Echt helemaal niets. En dat is verdomd lekker. Dat zou ik kunnen vertellen.

De lampen gaan uit. Het intromuziekje zwelt aan. Beginjaren tachtig gothic. Langhaar doet een stap naar achter, ik houd mijn sigaret naast mijn lichaam. Ik kan haar ruiken. De zaal is toch volgelopen, ze schuift iets naar links voor het beste zicht op het podium, ze is lang. Ze ruikt lekker. Ik laat mijn sigaret vallen en volg de brandende punt met mijn ogen. Mijn blik valt op haar schoenen. Waar je allemaal niet op af kunt knappen. Meer bier. Ik leg mijn hand in haar zij, duw haar naar voren en loop naar de bar.

Ze is mooi. Het is tien jaar geleden, maar dan nog. Had ik je toen maar ontmoet. Toen mezelf vasthoudend aan de nette wereld. Geregeld, gestructureerd, geëffende paden, ik hoefde ze slechts te bewandelen. Ik liep over het pad maar keek naar de andere weg. Keek naar andere mensen. Nu zwemmend tussen twee werelden in. Drijvend. Te degelijk voor de ene, te onaangepast voor de andere. Er is geen als dan.

"Straks weet ik meer van hem dan jij."
Inderdaad. Veel plezier ermee. See you at his funeral.

05 October 2005

Festina

Ze heeft iemand bij zich.
Of het goed is dat hij meekomt.
Heeft er ooit iemand ontkennend op zo’n vraag geantwoord?

Ze komen samen binnen.
Een gelaatsuitdrukking die ik niet eerder bij haar zag.

Verliefdheid.

We laten elkaar los.
"Jullie hebben geneukt."
Ze is me voor.

Ik buig naar voren en zoek haar oor.
"Omdat ik jou niet kan krijgen."

02 October 2005

Iemand

"Bied je mij niets aan?"
Ik heb haar niet binnen zien komen. Ik kijk haar zwijgend aan.
"Ik ben weer clean."
Vooral dat weer doet het hem. Voor hoelang dit keer?
"En over een maand krijg je je geld terug."

Ik wil dat geld helemaal niet terug. Eens gegeven blijft gegeven. Ik geef makkelijk. Laten mensen zichzelf maar ten gronde richten, dan hoef ik het niet te doen. Met tegenzin bestel ik iets te drinken voor haar. Ondertussen kijk ik naar te jong aan de overkant van de bar.
"Wat doe jij hier eigenlijk?"
Mezelf beter proberen te voelen.

Ik vraag waar ze tegenwoordig woont.
"In de Bloedstraat. Hier om de hoek. Ik heb een matras bij de jongens van het atelier."
Dat is slapen, dat is geen wonen.
"Wil je het zien? We kunnen er zo meteen even heenlopen."
Zo meteen is dus na sluitingstijd. Ik staar naar te jong, ze voelt het en kijkt strak terug. Wedstrijdje? Heel even flitsen haar ogen naar de gevulde plek naast mij aan de bar. Haar onderlip draait naar binnen. Ik heb verloren.

Ze staat op.
"Ik ga even iemand gedag zeggen."
Ik blijf zitten en volg haar route door het café. Ik herken hem. Leeft hij nog steeds? Ze wijst naar me en we maken oogcontact. Hij knikt naar haar, grijnst naar mij. Vanavond niet op afbetaling. Een pakje sigaretten wisselt van jaszak. De trut. De barkeeper zet een biertje voor me neer en ik geef hem het geld. Opgewekt komt ze weer naast me zitten.
"Alleen voor vannacht. Oké?"
Ik antwoord door op te staan. Ik pak mijn biertje en loop naar te jong. Nu ga ik even iemand gedag zeggen.

Wanneer ik bij haar ben komt de grijns naar me toe.
"Je hebt het er maar druk mee."
"Waarom ben jij nog niet dood?"
Hij slaat me op mijn schouders.
"Jack Daniels, toch?"
Ik knik.
"Met ijs. En geef haar ook wat."
Ik wijs naar te jong. Haar onderlip zit nog steeds in haar mond. Misschien dat de lip terugdraait wanneer ze een slokje neemt.

"Wat moet je?"
Ze kijkt me niet aan terwijl ze het zegt. In plaats daarvan kijkt ze naar de plek waar ik zojuist zat. Vroeger kwam ik hier vaak. Maakte makkelijk contact maar zat met hetzelfde gemak twee uur zwijgend aan de bar. Altijd dezelfde barkruk. De barkruk die nu leeg is. Denken. Drinken.

Ik antwoord met een tegenvraag en vraag hoe ze heet. Vragen die met hoe en waarom beginnen doen het altijd goed. Ze negeert de vraag.
"Je bent met iemand."

26 September 2005

Klimrek

Bedankt voor je uitnodiging trouwens. Ik kom alleen niet. Ik kan het goedkope excuus gebruiken dat ik de nacht ervoor moet werken, dat ik op zondag moet bijslapen voor de hele week. Of dat je te ver weg woont. Gelul natuurlijk. Eigenlijk ben ik gewoon bang dat je me niet leuk genoeg vindt.

Natuurlijk wil je veel mensen om je heen, vreugd en zielen enzo. En dus ook mensen die iets minder leuk zijn. Al je vrienden nemen hun kinderen mee. Ik heb geen kind. Ik kom omdat ik jou leuk vind, omdat ik jou wil zien. Omdat ik van jou wil genieten. En ik ben zo bang dat het stil genieten wordt. Iedereen praat met elkaar, de kinderen spelen iets verderop bij de klimrekken en de glijbaan.

Ik heb eigenlijk niets te zeggen. Ik heb geen kind om naar te wijzen of verhalen over te vertellen, over school, over de gym, over zwemles, over de dierentuin. Ik ben bang dat ik er maar een beetje bij hang. Schaapachtig luisteren naar wat er niet gezegd wordt. Bedenken wat er niet gedaan wordt en wat ik graag zou willen doen. Ken je dat ongemakkelijk gevoel?

Ik kan het excuus gebruiken dat het overdag is. Overdag ben ik stil, bedachtzaam, in mijzelf gekeerd. Overdag drink ik niet. Ik ben een avondmens, beter, een nachtmens. ’s Avonds bloei ik op, om vervolgens ’s nachts los te gaan. Om ’s nachts toe te slaan. ’s Avonds wordt er gedronken. ’s Avonds wordt er opgebouwd. Overdag bouw je niets op. Overdag wordt er gewerkt, daar is de dag voor bedoeld.

Misschien klikt het wel helemaal niet tussen ons. En dan? Wachten tot ik lang genoeg aanwezig ben geweest om met goed fatsoen weer naar huis te kunnen gaan? Weet je wel hoe lang die treinreis dan duurt? Lang. Heel lang. Dat wordt een lange reis met teveel tijd en te weinig afleiding om niet aan je te hoeven denken. Denken aan hoe je me zonder woorden afwijst. Denken aan hoe je middenrif net iets teveel naar hem is gericht. Lichaamstaal. Koud staal.

Hoe meer zielen hoe meer vreugd. Kinderen worden meegebracht aan de ene hand. Picknickmanden in de andere. Iedereen neemt wat mee. Ik neem mijn ziel mee. Onder mijn arm.

Mee terug naar huis.

05 September 2005

Gewist

Het gaat niet goed. Ik had mezelf moeten blijven. Ga je anders voordoen en je kunt erop wachten. Hij komt. Je weet niet precies wanneer. Maar je weet het. Ik wist het.

Journalistiek schrijven is wat anders dan een log bijhouden. De artikelen die ik inleverde komen terug wegens te weinig journalistieke waarde. Kritisch, dat wel, maar dat is niet genoeg. Wie, wat, waar, hoe en waarom, dat willen ze lezen. Ze? Ik niet. Het herschrijven schuif ik voor me uit en ik mis de deadline. Gezichtsverlies. Ik heb in elk geval een gezicht om te verliezen. Dat kunnen de meeste niet zeggen. De halve fabriek is met vakantie en ik draai overuren. Waarom eigenlijk? Waar komt dat achterlijke verantwoordelijkheidsgevoel vandaan? Had ik maar een kind gehad, dan had ik daar mijn verantwoordelijkheid op kunnen projecteren en als een normale ambtenaar naar mijn werk kunnen gaan. Zonder me druk te hoeven maken over welke prestatie dan ook. Waarom wil een mens presteren? Wat is de noodzakelijkheid daarvan?

Het zwarte gat na de festivalroes. Een roes die ik niet vast kan houden. Een roes, ruw verstoord door de maandagochtendwekker. De festivalroes, afzien in een tentje op een weiland. Leven op koffie, melk, bier, pasta en gebakken vis. Saamhorigheidsgevoel. Vijf dagen samen met mensen die ik zelf heb uitgekozen, mensen die niet op mijn zenuwen werken. Mensen die niets van je verwachten, waar ik zelf niets van verwacht. Omdat ze niets meer hoeven te bewijzen. Omdat ze zijn. Vijf dagen geen zorgen, geen stress. Vijf dagen muziek. Vijf dagen een leeg hoofd. Vijf dagen een vol gemoed. De maandagochtendwekker, terug naar de huichelaars, de likkers, de ziek zwak en misselijk, de schijnheiligen. Het zwarte gat van de vakantieliefde. Voltooide tijd. Gemist.

Een goed bericht dat slecht valt. Op maandagmiddag wordt het team bij elkaar geroepen en word ik gepresenteerd als nieuwe onderbaas. Vorig jaar zat een leidinggevende functie er niet in. Ik heb mijn houding aangepast en bingo. Ik ben een onderdeel van de huichelaars geworden. Welke prijs ga ik betalen voor mijn slecht geweten? Twee directe collega’s aasden ook op de positie, liepen zich maanden te profileren. Ik profileer mezelf niet, ik doe gewoon mijn werk. De jaloezie straalt van hun koppen af, een slap handje wordt me toegestoken. Felicitatiemails stromen binnen. Gerechtigheid, wordt er geschreven. Ik reply het meisje twee bureaus verderop en vraag of ze met me wil lunchen. Een keihard nee komt retour. In haar beleving bewandelen we de gein-niet gein grens en voor haar is die duidelijk. En ze vraagt zich af of het voor mij ook wel zo duidelijk is. What the fuck? Ik vraag je voor een lunch, muts, niet ten huwelijk. Naarmate de dag vordert neemt de kracht van haar woorden toe, wordt de overwinningseuforie van de promotie voorbij gestreefd door haar afwijzing. Doordat ze dwars door me heen prikt. De verleden tijd van geweten is gewist.

Ik slaap slecht de afgelopen weken. Kort, dat ook, maar dat doe ik zelf. Bezig blijven, dan hoef ik niet te denken. Ik denk mezelf gek. Daar heb ik tegenwoordig niet eens meer een ander voor nodig. Op zaterdagmiddag word ik wakker en ik draai door. Het is teveel. Alles schiet door mijn hoofd. Ik heb het eerder gehad, ik weet wat me te doen staat. Schoonmaaktherapie. En wel nu meteen. Ik maak een emmer met sop en kruip op mijn knieën door de douche, door de wc, door het huis. Het zweet druipt van mijn voorhoofd, ik steek mijn tong uit en lik mijn eigen zout op. Ik boen totdat ik spierpijn in mijn armen begin te krijgen, totdat mijn knieën rood zijn uitgeslagen. Aan het eind van de middag ben ik leeg, fysiek en mentaal. Ik strek mijn benen en wrijf over mijn knieën. Ik schuif de emmer met sop opzij, recht mijn rug, laat me zakken op de glimmende vloer en val in slaap.

Ik word wakker met een stijve nek. Uit de woonkamer komt een piepend geluid. Twee gemiste oproepen, één nieuw bericht zegt het scherm van mijn mobiel. What else is new. Ik lees het bericht. Een tijd en de naam van een kroeg. Ze weet hoe ze me aan moet pakken, geen overbodige informatie leveren. En wat een timing. Alsof ze ruikt dat ik haar nodig heb. Wederzijds belang. Ze wil ook lozen. Ik sta op, gooi de emmer leeg in de wc en ga onder de douche staan. De helderheid keert terug. Ben ik afhankelijk van een vrouw? Of ben ik afhankelijk van dé vrouw? Ik ben vergeten boodschappen te doen en fiets op een lege maag naar de stad. Naar de kroeg. Naar haar.

Het is druk, bedrijfsleider viert zijn afscheid. Ik sta tussen Afwachtend en Uitdagend en bestel mijn vaste recept. Ik zie haar niet en ga met de dubbele consumptie op het terras zitten. Fijne nazomer. Twee ambulances rijden kort achter elkaar voorbij. Ik ben nog niet rustig, mijn fantasie slaat op hol. Altijd te laat. Ik weet het, rustig blijven, niet nadenken. Ze komt vanzelf wel opdagen. De veertig procent doet wat ik ervan verwacht. De spanning vloeit uit mijn lichaam weg. Grijnzend staar ik naar de brug waar ze elk moment overheen kan komen. Meer symbolisch is een verbinding niet geweest.

Ze komt. Ik weet niet precies wanneer. Maar ik weet het.

17 August 2005

Gadus

Lappendag. De laatste dag van de Hoornse kermis. Iedere derde maandag van augustus. Niet moeilijk te onthouden. Ik heb mijn middelbare schooljeugd doorgebracht in Hoorn. Na het eindexamen gevlucht naar Amsterdam, naar de universiteit. Naar een kamer. Eindelijk mijn eigen kamer, eindelijk veilig. Ik heb niets meer met de stad. Behalve dan Lappendag. Alles mag op Lappendag.

Om tien uur ’s morgens strompelen we Station Sloterdijk binnen en kopen bij de automaat een kaartje. Bij de loketten is het veel te druk. Wat doen al die mensen hier? Met het vervoersbewijs warm in mijn hand luister ik naar de omroeper. Al het treinverkeer is gestremd. Pardon lul? Al het treinverkeer is gestremd. Ga ik één keer per jaar met de trein, besluit er uitgerekend vandaag eentje te ontsporen. Ik krijg te horen dat we via CS moeten reizen. Met de bus welteverstaan. We lopen naar buiten en sluiten achteraan bij de mensenmassa die voor een bus staat te wachten. Wachten. Wachten. Een andere bus met Centraal Station op de voorkant komt aangereden. Ik wurm me uit de rij en loop naar de verse bus. Op het moment dat ik instap wijzigt de chauffeur de tekst op de voorkant in Sloten. Ik stap weer uit en loop terug naar de rij die ik heb verlaten en die ondertussen is opgelost. De bus is ook opgelost, hij rijdt voor onze neus weg. We lopen terug naar onze fietsen en besluiten dan zelf maar naar CS te rijden. Nog even en ik ontspoor. Klote openbaar vervoer. Leve de benenwagen en de fiets. Ik heb een hekel aan afhankelijkheid.

Bij de streekbussen op het CS is het verbazingwekkend rustig. Ik stap in de bus, laat de chauffeur het treinkaartje zien en vertel over de stremming. Of het treinkaartje ook in de bus geldig is. Hij kijkt me meewarig aan. Hij heeft zoiets gehoord, zegt ie. Stroomleidingen zijn neergestort, ambulances rijden af en aan, een traumahelicopter vliegt over het terrein en meneer heeft zoiets gehoord. Vooral lekker de Telegraaf blijven lezen. Ik vertel dat ik heb afgesproken met collega’s van hem. Hij kijkt naar het treinkaartje en negeert mijn opmerking. Mensen die aan het werk zijn, zijn niet geïnteresseerd in de verhalen van andere mensen, in de verplichtingen van andere mensen. Daarom zullen ze ook rustig weer gaan staken. Reizigers? Lekker belangrijk. Luister sukkel. Ik zal de catering voor de bruiloft van je dochter eens vijf minuten van te voren annuleren. Vervelend hè, wanneer je ergens op rekent en het even anders loopt. We mogen gaan zitten.

Eenmaal in Hoorn, anderhalf uur later dan gepland, ga ik op zoek naar Rem uit de fabriek. Sorry dat ik te laat ben, Dude. Overmacht. Hij is geen velden of wegen te bekennen. We lopen naar Het Plafond en sluiten aan bij Broer en aanhang. We gaan beginnen. Het is rustig in de stad. Waar is iedereen? Oké, het is geen superweer maar wel aangenaam. Ik spreek Broer één keer per jaar. Op Lappendag. Eén keer is genoeg. We hoeven niet te bellen met elkaar. Een telefoon gebruik je om afspraken te maken of af te sms-en. Verhalen vertel je bij een biertje. We bestellen bier en vertellen verhalen. Leuke anekdote. Onze familienaam dreigt uit te sterven. Broer en ik zijn de enigen die nog voor nageslacht met de familienaam kunnen zorgen. Alle neven met onze achternaam zijn of getrouwd met een gescheiden vrouw, zijn impotent of homofiel of hebben alleen maar dochters. Een zware last drukt op onze schouders. En wij, de twee overgeblevenen, willen geen kinderen. Broer bestelt een dubbel rondje. Even de last verdrinken, de schouders verlichten.

Broer heeft een leuke club mensen om zich heen verzameld, wat later op het Kerkplein vinden we de buschauffeurs ook. Elk jaar vaste prik. Mooie gasten. Geen lulverhalen maar plezier maken. Handen schudden, bier halen, proosten. We lopen verder het plein op en vinden een vrij rondje. Ik sta het liefst aan een rondje. Genoeg plaats voor de glazen, lekker hangen, niet naar een houding hoeven zoeken. Eén van de buschauffeurs is een jeugdvriend van me, met hem bespreek ik de vorderingen van mijn leven. Mex houdt ondertussen zijn collega’s bezig. Ik ga op zoek naar een ober, draai me om en kijk naar de deuropening van het café waar we voor staan. Ik kijk recht in de ogen van twintig jaar oud zeer. Ik zeg haar naam. Ze zegt mijn naam. Zonder een spoor van twijfel. Geen steek veranderd. Ik niet. Zij niet. Dezelfde uitstraling. Dezelfde vrolijkheid. Dezelfde bos met haar.

Dezelfde twinkeling in haar ogen. Dezelfde vlinders in mijn buik.

Ik heb de foto nog steeds, een foto van een kringfeestje thuis van puistenpubertjes. De bank en de stoelen gevuld met adolescente onzekerheid. Op tafel flesjes bier, glazen pisang ambon en bessen-jus, schalen met chips en nootjes. Wij samen op de grond. Ik met mijn rug tegen de bank, zij in mijn armen.

"Weet je dat ik stapelverliefd op je was?"
"Ik ook op jou!"
"Waarom zeggen we dat nu pas?"

All that could have been. Het is even stil. Ik breng mijn gezicht naar het hare en zoen zachtjes haar lippen. Er wordt nieuwe drank aangereikt en we hervatten het gesprek. We nemen iedereen van het kringfeestje door. Wat er van ze is geworden. Wie we nog zien, met wie we nog contact hebben. Ik zie helemaal niemand meer, ik ben in Amsterdam een nieuw leven begonnen. Gevlucht van thuis, omdat er geen thuis meer was. In mijn vlucht voorbijgaand aan het mooie, dat toen niet mooi genoeg was. Omdat ik het niet zag, niet wilde zien, niet kon zien. Geen sentimenten, alles of niks. Gevlucht bij gebrek aan liefde, die dus weldegelijk aanwezig was. Als een blind paard vertrokken, omdat niemand mijn oogkleppen verwijderde. Omdat ik niemand de oogkleppen liet verwijderen. Ze vertelt met wie ze uiteindelijk is getrouwd. Ze vertelt dat ze nu vier en acht jaar oud zijn.

Waarom hebben we dat nooit eerder gezegd. De angst voor de afwijzing die het altijd wint van de euforische bekentenis. De verwarring van gevoelens die je niet kunt duiden. Toen en nu. Zeg het maar gewoon wanneer je verliefd bent. Wat is het ergste dat kan gebeuren?

Een goed moment voor sterke drank. Ik neem afscheid van haar en ga op zoek naar Density die ik tequila heb beloofd. Mijn belofte komt als geroepen. Ik loop een rondje over het Kerkplein maar zie niemand die voldoet aan de beschrijving. Nog een poging. Ik loop nu in tegenovergestelde richting. Bingo! Ga in de trein eens achterstevoren zitten en je ziet ook hele andere dingen. Alweer zo’n kleintje. Of ben ik zelf gewoon lang? Ik val meteen aan op haar wangen, ik heb behoefte aan fysiek contact. Na het standaard gebrabbel loop ik het café in om mijn belofte in te lossen. De tequila is op. Heeft ze nu al de hele voorraad haar keelgat ingejaagd? Ik denk even na en neem als alternatief wodka mee. Manlief en broer voorzie ik van bier. We proosten, ik giet het destillaat in één keer naar binnen en sluit mijn ogen. Die had ik even nodig. Ze nipt van het goedje en geeft mij haar glas. Ze drinkt alleen maar tequila. Whatever. Ik neem haar glas aan en sla ook deze meteen achterover. Hij blijft even hangen maar glijdt dan door naar de plaats van bestemming. Mex is er ondertussen bij komen staan en geeft me haar lachende je-bent-weer-lekker-bezig blik. Inderdaad. Ik ben lekker bezig.

We sluiten het kroegengedeelte zoals gewoonlijk af op de Rooie Steen. Ook hier vinden we weer een vrij rondje. Heerlijk, die tradities. Rooie Steen is pullentijd. De kroegen sluiten om vier uur, tijdelijke drooglegging van de binnenstad van Hoorn. Bij een drooglegging moet je hamsteren. Maar hoe hamster je liefde?

Om onze hersencellen en maagwand te redden gaan we even na vieren naar de visboer. De meeste mensen vallen na een stevige drankpartij aan op de patat en frikadellen. Fout. Behalve die dellen dan, dat mag dan weer wel. Alles mag op Lappendag. De verzadigd vette rotzooi uit de snackbar maakt je alleen maar misselijker en zorgt voor een ongewenst effect. Je maaginhoud zal in omgekeerde richting je lichaam verlaten. Zo heeft God het biologisch niet bedoeld. Vis is het antwoord. Familiebakken kibbeling en haring. Lekker en gezond. De vis is een zwaar ondergewaardeerd beestje, ik voel me er wel bij thuis. Op Lappendag voel ik me ook thuis, als een vis in het water. De metafoor over de vis en de fiets laat ik achterwege. Want zo heeft God het biologisch tenslotte niet bedoeld.