Een lunch date. Buiten het kantoor. Een half uur voor een half jaar. De nacht om twee uur ’s middags.
Vreemd je overdag te zien, schreef ik. Geen alcohol, we moeten allebei nog werken. Het werk gaat door, dat geef je niet op. Iedereen die ik heb beschreven, waarover ik heb geschreven, ben ik kwijtgeraakt. Teveel inspanningen. Teveel mensen. Teveel woorden. Leven is overbodigheid lozen. Eenzaamheid wordt sterker naarmate je minder alleen bent. Het wordt een testcase, dit.
Ik wil het niet vragen maar doe het toch. Ik zou wensen dat ik het niet zou willen vragen, maar ik wil het weten. Ik moet het weten. Dus ik vraag het. De bekende weg.
Je borsten zijn gegroeid. Logisch, biologisch. We zijn het erover eens dat kleine borsten mooier zijn. Grote borsten associeer ik met uiers. In een kilo vet zit geen gevoel. Grote borsten associeer ik met zeugen. De verleden tijd van zogen. Uitgemolken, nutteloze omhulsels, die eerder een hernia dan een erectie veroorzaken. We zijn het eens over sigaretten. Niet roken veroorzaakt meer onrust, is schadelijker dan het geïnhaleerde gif. Waarom zou je schuldgevoel hebben wanneer je leven geeft? Wanneer je jouw leven geeft? Waarom zou je schuldgevoel hebben wanneer je jouw eigen leven opgeeft? Biologica.
We ageren tegen de kliekjes. Roddelen, ja, lekker. Het geschreven woord, nu uit mijn mond, het geschreven woord nu tegenover mij aan de tafel. Wij zijn ook een kliek. We hebben onze eigen kliek gemaakt. Het luxeprobleem. Wat waar te plaatsen? De karikatuur valkuil. We hoeven de discussie over de namen niet meer te voeren. Daar hebben we geen namen nodig, de teksten dragen onze krassen. Lidtekens en littekens. Dat zijn ook handtekeningen.
De verstorende werking van reacties. Opdringerige mensen heb ik nooit vertrouwd. Ze dringen zich op met een reden, ze moeten iets van je. Bespaar jezelf de moeite, je krijgt niets. Indringers met hun bevestigingsdrang. Laten weten dat ze het hebben gelezen. Laten weten dat ze er niets van hebben begrepen.
Ze schrijft mooi, zeg je. Intimidatie, doorgegeven als omgevallen dominostenen. Ze intimideert jou, zeg je. Jij intimideert mij, maar dat zeg ik niet. Ik intimideer háár weer. En zij, zij intimideert ons allemaal. En zij heeft het zelf niet eens in de gaten. Dat is juist het mooie aan haar. Dat pure, dat maakt háár zo mooi. Want ze is puur, hoe onzuiver zij zichzelf ook vindt.
"Ze is vast heel mooi, met groene ogen."
Intimiderend mooi. Daarom geen foto’s.
Het verschil tussen passie en seks. Nooit vragen wat iemand lekker vindt, je moet doen wat je zelf lekker vindt. Je was erbij, je voelde het. Onversneden spanning. Een elektrisch geladen driehoek boven een ter afleiding met eten gevulde tafel. Ik wilde kijken naar jullie. Jij wilde kijken naar ons. Ze schreeuwde het uit, niet van pijn. Ze schreeuwde het uit van mij. Namens mij. Het verschil tussen mij en hem. Ze is bang geworden, voor ons.
Het is koud, het ijzer dat je polsen omsluit. Verstikkend in de levensband. De band van de ongeboren vrucht. Een onzichtbaar wezen, een onzichtbare band. Leven met een band. Zichtbaar. Leven aan een band. Het verstikkende laat ademen. Het verstikkende geeft lucht. Vrijheid, lopend aan een band. Vrijheid aan de lopende band. Gevangen in vrijheid. Gevangene van de losbandigheid. Gevangene van de rijpheid. Gevangene van de paringnijd. Gevangene van de bandeloze vrijheid. In de ban van het verstikkend leven. In de ban van het verstikkend haar. In de ban van het verstikkend zijn. Koud is goed. De warmte van verbondenheid.
Wanneer je vrienden bent kwijtgeraakt moet je nieuwe vrienden maken. Wanneer je de liefde bent kwijtgeraakt is het over. Liefde kun je niet maken. Voor een slot ga je niet naar een slotenmaker.
’s Middags lig jij op je rug, ’s nachts plaats ik de foto. Het woord toeval bestaat alleen omdat onze hersens te klein zijn om alle samenhangen te begrijpen. Onberekenbaar maar onvermijdelijk. De dood voor elke wiskundige. We hebben het vermoed. We hebben het gelezen. We hebben het geweten. Geen woord teveel, elk woord moet raak zijn. Geen mens teveel. Elke ontmoeting moet raak zijn. Ik had het moeten weten maar ik haalde het er niet uit.
Na het afscheid voel ik mijn hoofd. Een half uur werd anderhalf uur. Ik vraag me af wat een half jaar gaat worden. De rest van de dag loop ik met pijn in mijn hoofd over de afdeling. Loop ik met jullie in mijn hoofd over de afdeling. Ik staar maar naar het scherm maar er komt maar niets. Het zijn háár woorden. De nacht om twee uur ’s middags. ’s Nachts heb ik nooit hoofdpijn. ’s Nachts stel je geen vragen.
"Je moet snel eens langskomen."
Het antwoord is bekend.
23 January 2006
Het verraad van Boomlang
Geen joviale lach. Timide kijkt hij me aan. Quilt. Slecht nieuws moet je meteen vertellen. "Sorry."
Zo erg was het toch niet, gisteren? Vervelend? Welnee, je was niet vervelend. Verhit, maar niet vervelend. Iedereen is wel eens dronken, ik zelf niet in de minste plaats. Hoe reageer je op mij wanneer ik weer eens ladderzat binnenval? De mensen vinden het leuk wanneer ik dronken ben. Kijk eens, hij kan praten. Ja, dan wel. Altijd lachen. Waarom weet ik vaak niet eens, maar we lachen in elk geval. Onze running gags ontstaan op zulke avonden. Het leukst is de night after, wanneer één van ons zich weer eens heeft misdragen. Dan worden de puzzelstukjes samengevoegd en krijgt de avond vorm. Nu is het anders. Ik kijk naar zijn gezicht, kleine ogen, hij is bleek. Koud zweet. Niet voor anderen gaan denken.
Het is uit. Dat weet ik, dat heeft hij me verteld. Zij overigens niet, opvallend. Ze heeft het wel tegen hem verteld. Drie maanden zagen we haar niet. Ze zat al die tijd in Haarlem, zei ze. Ik had het ook geloofd wanneer ze had gezegd dat ze boven op een viaduct had gestaan.
Tijd leert ons alles. Wanneer het te laat is, weten we alles. Wat het jaar van de grote verandering moest worden is het jaar van de totale afstomping geworden. Wat nieuwe vriendschappen moesten worden, bleken niet meer dan toevallige passanten te zijn. Medereizigers, dat wel, maar onderweg met een ander doel. Naar een ander doel. Hoeveel tijd heb ik nog?
Vlinders. Heel even. Ik heb een zwak voor haar. Voor meerdere ondertussen maar toch. Ze blijft mijn achilleshiel. Ik houd altijd in de gaten wat er om haar heen dartelt en scharrelt. Voorkomen en genezen en bla. Vlinders in mijn buik toen hij het vertelde. Het is uit wordt vertaald als ze is weer beschikbaar. En voor haar ben ik altijd beschikbaar. Ik mocht niets met haar beginnen van de kroegbaas. Niet vanwege het eigen verbruik of de stroom drank die over de bar zou gaan. Nee. Dat was het probleem niet eens. Het gevaar ligt anders. Wie helpt wie de vernieling in.
Ze komt alleen binnen. Dat was te verwachten. Alleen reizen levert eerder nieuwe contacten op. Wanneer je alleen reist maak je eerder contact. Wanneer je alleen aan een bar zit maak je geen contact. Dan ben je contactgestoord.
"Wat is het rustig."
Die was ook te verwachten.
"Bier?"
"Nee. Rode wijn. En een glas water. En galloise rood."
Ik geef het gevraagde.
"Wat is het rustig," herhaalt ze.
"Hoe gaat het?"
Ik stel de vraag toch maar, ik wil het uit haar eigen mond horen. Ik wil dat ze me aankijkt en het dan zegt. Ik vraag nooit aan mensen hoe het met ze gaat. Als ze dat willen vertellen doen ze dat wel uit zichzelf. Aan een gezicht kan ik zien hoe het met iemand gaat. Ik haat het naar de bekende weg vragen. Het vragen om het vragen. Om maar een vraag te stellen, om maar contact te maken. Twee gezichten die elkaar aankijken is ook contact. Twee gezichten die elkaar aankijken is beter contact. Twee paar ogen die elkaar aankijken is het beste contact. Ogen wil ik zien. Je gezicht wil ik zien. Woorden zijn leugens, je gezicht liegt niet. Je lichaam liegt niet. Je lichaam loog niet.
Ik hoef iemand niet eens leuk te vinden. Mijn intuïtie zegt het wanneer ik je wil. Daar hoef ik niet eens over na te denken. Nadenken werkt averechts. Eén blik is voldoende. Eén blik is het. Jij bent voldoende. Jij was het.
"Als ik dat doe dan breekt hij mijn knieschijven."
Hij wel.
Het was goed dat ik er niet was die avond, de avond toen ze het hem vertelde. De avond dat ze het wereldkundig maakte. Ik ben de wereld niet, ik ben geen onderdeel van de wereld. Ik leef in mijn eigen wereld, in mijn eigen vat van tegenstellingen en tegenstrijdigheden. Ik zou haar nooit meer aanraken. Ik zou haar nooit meer opvangen. Wanneer je jezelf tegenspreekt mag je de rest van de wereld ook tegenspreken. Ik zou zijn gesmolten. Dat gezicht. Die ogen. De blik in haar ogen. Dodelijk. Vernieling. Ja, en dus? Samen in de vernieling is minder eenzaam.
Relaties monden uit in het gedogen van elkaar. Op vriendschappen ligt geen claim. Geen afrekening. Relaties kennen een prijs. Vriendschappen niet. Vrienden rekenen niet. Hooguit op elkaar. In het beste geval dan, de uitzondering openbaart zich altijd op het verkeerde moment.
"Waarom zeggen we dat nu pas?"
Afgelopen zomer hoorde ik het en nu hoor ik het weer. De geschiedenis herhaalt zich. Ik heb er niets van geleerd. Waarom is het zo moeilijk de waarheid te zeggen? De angst omdat je jezelf kwetsbaar opstelt, de angst voor de afwijzing.
"Ik vind je leuk maar niet zó leuk."
Het is maar een zin.
De waarheid die naar buiten komt wanneer mensen al een andere weg hebben ingeslagen. Wanneer ze zich teleurgesteld hebben teruggetrokken van die ander. Berusten en accepteren als enig lapmiddel om door te kunnen gaan. De waarheid die naar buiten komt wanneer het te laat is. Er is geen tijd genoeg. Tijd is schaars en alles is tijdelijk. Beperkt. Het moment van toeslaan heeft een houdbaarheidsdatum. Tijd krijg je niet. Tijd neem je.
Op de fiets bedenk ik mijn openingsgrap.
"En, heeft ze nog een striptease gedaan?"
Ik heb het maar niet gezegd.
We hebben een spiegel nodig. Je kunt niet alles zelf verzinnen, je kunt niet alles weten. We kunnen niet alles zelf zien. Je doet het goed in de ogen van anderen, je doet het nooit goed in de ogen van jezelf. We kunnen ons zelf nooit zien zoals we werkelijk zijn, een spiegel geeft ons slechts een spiegelbeeld. Het is een beeld, het is niet de werkelijkheid. Een puist op je rechterwang zit volgens de spiegel op je rechterwang. Maar wanneer je achter de spiegel zou gaan staan en je zou de plaats innemen van de figuur die je daar ziet staan, de plaats van je eigen figuur, dan zit de puist ineens op je linkerwang. Deelnemers links, toeschouwers rechts. Hoe je het went of keert, het blijft letterlijk een spiegelbeeld. Spiegels zijn handig om coke te versnijden, om de lijntjes te doseren. Dé ander is de enig echte, ware spiegel.
Ze vraagt naar het nakende vaderschap, of zij nog steeds een kind van me wil. Komt niet. Ze heeft goed geluisterd. Ik vertel de waarheid, waarom zou ik liegen? Ik vertelde het de laatste keer dat ik haar zag. De bar gevuld, het café vol. Ik ging los, ze zoog me leeg en de hele bar genoot mee. De broedmachine heeft een andere provider gevonden. Ik voel het niet eens als een nederlaag. Waar anderen verder gaan, lijk ik zelf stil te staan. Waar anderen plannen maken, beslissingen nemen, keuzes maken, doe ik niks. Ik stel uit. Komt nog wel. Ik stel af. Komt niet meer. Ik vraag naar haar zus. Ik vraag naar Lodewijk. Ik vraag naar Haarlem. Ik vraag naar haar kamer. Ze beantwoordt alle vragen maar ze geeft niet hét antwoord. Het antwoord op de vraag die ik niet meer hoef te stellen. Komt nooit meer. "Luister je wel naar me?"
Hij laat heel even een stilte vallen, hij buigt zijn hoofd. Om adem te halen waarschijnlijk. Dan valt bij mij het kwartje, de stilte was precies lang genoeg. Zijn gezicht komt omhoog, zijn mond gaat open. Nee, zeg het niet. Niet doen. Niet jij. Niet jij ook.
Tegels mag je niet van een viaduct afgooien. Je hoort ze nooit over mensen.
Zo erg was het toch niet, gisteren? Vervelend? Welnee, je was niet vervelend. Verhit, maar niet vervelend. Iedereen is wel eens dronken, ik zelf niet in de minste plaats. Hoe reageer je op mij wanneer ik weer eens ladderzat binnenval? De mensen vinden het leuk wanneer ik dronken ben. Kijk eens, hij kan praten. Ja, dan wel. Altijd lachen. Waarom weet ik vaak niet eens, maar we lachen in elk geval. Onze running gags ontstaan op zulke avonden. Het leukst is de night after, wanneer één van ons zich weer eens heeft misdragen. Dan worden de puzzelstukjes samengevoegd en krijgt de avond vorm. Nu is het anders. Ik kijk naar zijn gezicht, kleine ogen, hij is bleek. Koud zweet. Niet voor anderen gaan denken.
Het is uit. Dat weet ik, dat heeft hij me verteld. Zij overigens niet, opvallend. Ze heeft het wel tegen hem verteld. Drie maanden zagen we haar niet. Ze zat al die tijd in Haarlem, zei ze. Ik had het ook geloofd wanneer ze had gezegd dat ze boven op een viaduct had gestaan.
Tijd leert ons alles. Wanneer het te laat is, weten we alles. Wat het jaar van de grote verandering moest worden is het jaar van de totale afstomping geworden. Wat nieuwe vriendschappen moesten worden, bleken niet meer dan toevallige passanten te zijn. Medereizigers, dat wel, maar onderweg met een ander doel. Naar een ander doel. Hoeveel tijd heb ik nog?
Vlinders. Heel even. Ik heb een zwak voor haar. Voor meerdere ondertussen maar toch. Ze blijft mijn achilleshiel. Ik houd altijd in de gaten wat er om haar heen dartelt en scharrelt. Voorkomen en genezen en bla. Vlinders in mijn buik toen hij het vertelde. Het is uit wordt vertaald als ze is weer beschikbaar. En voor haar ben ik altijd beschikbaar. Ik mocht niets met haar beginnen van de kroegbaas. Niet vanwege het eigen verbruik of de stroom drank die over de bar zou gaan. Nee. Dat was het probleem niet eens. Het gevaar ligt anders. Wie helpt wie de vernieling in.
Ze komt alleen binnen. Dat was te verwachten. Alleen reizen levert eerder nieuwe contacten op. Wanneer je alleen reist maak je eerder contact. Wanneer je alleen aan een bar zit maak je geen contact. Dan ben je contactgestoord.
"Wat is het rustig."
Die was ook te verwachten.
"Bier?"
"Nee. Rode wijn. En een glas water. En galloise rood."
Ik geef het gevraagde.
"Wat is het rustig," herhaalt ze.
"Hoe gaat het?"
Ik stel de vraag toch maar, ik wil het uit haar eigen mond horen. Ik wil dat ze me aankijkt en het dan zegt. Ik vraag nooit aan mensen hoe het met ze gaat. Als ze dat willen vertellen doen ze dat wel uit zichzelf. Aan een gezicht kan ik zien hoe het met iemand gaat. Ik haat het naar de bekende weg vragen. Het vragen om het vragen. Om maar een vraag te stellen, om maar contact te maken. Twee gezichten die elkaar aankijken is ook contact. Twee gezichten die elkaar aankijken is beter contact. Twee paar ogen die elkaar aankijken is het beste contact. Ogen wil ik zien. Je gezicht wil ik zien. Woorden zijn leugens, je gezicht liegt niet. Je lichaam liegt niet. Je lichaam loog niet.
Ik hoef iemand niet eens leuk te vinden. Mijn intuïtie zegt het wanneer ik je wil. Daar hoef ik niet eens over na te denken. Nadenken werkt averechts. Eén blik is voldoende. Eén blik is het. Jij bent voldoende. Jij was het.
"Als ik dat doe dan breekt hij mijn knieschijven."
Hij wel.
Het was goed dat ik er niet was die avond, de avond toen ze het hem vertelde. De avond dat ze het wereldkundig maakte. Ik ben de wereld niet, ik ben geen onderdeel van de wereld. Ik leef in mijn eigen wereld, in mijn eigen vat van tegenstellingen en tegenstrijdigheden. Ik zou haar nooit meer aanraken. Ik zou haar nooit meer opvangen. Wanneer je jezelf tegenspreekt mag je de rest van de wereld ook tegenspreken. Ik zou zijn gesmolten. Dat gezicht. Die ogen. De blik in haar ogen. Dodelijk. Vernieling. Ja, en dus? Samen in de vernieling is minder eenzaam.
Relaties monden uit in het gedogen van elkaar. Op vriendschappen ligt geen claim. Geen afrekening. Relaties kennen een prijs. Vriendschappen niet. Vrienden rekenen niet. Hooguit op elkaar. In het beste geval dan, de uitzondering openbaart zich altijd op het verkeerde moment.
"Waarom zeggen we dat nu pas?"
Afgelopen zomer hoorde ik het en nu hoor ik het weer. De geschiedenis herhaalt zich. Ik heb er niets van geleerd. Waarom is het zo moeilijk de waarheid te zeggen? De angst omdat je jezelf kwetsbaar opstelt, de angst voor de afwijzing.
"Ik vind je leuk maar niet zó leuk."
Het is maar een zin.
De waarheid die naar buiten komt wanneer mensen al een andere weg hebben ingeslagen. Wanneer ze zich teleurgesteld hebben teruggetrokken van die ander. Berusten en accepteren als enig lapmiddel om door te kunnen gaan. De waarheid die naar buiten komt wanneer het te laat is. Er is geen tijd genoeg. Tijd is schaars en alles is tijdelijk. Beperkt. Het moment van toeslaan heeft een houdbaarheidsdatum. Tijd krijg je niet. Tijd neem je.
Op de fiets bedenk ik mijn openingsgrap.
"En, heeft ze nog een striptease gedaan?"
Ik heb het maar niet gezegd.
We hebben een spiegel nodig. Je kunt niet alles zelf verzinnen, je kunt niet alles weten. We kunnen niet alles zelf zien. Je doet het goed in de ogen van anderen, je doet het nooit goed in de ogen van jezelf. We kunnen ons zelf nooit zien zoals we werkelijk zijn, een spiegel geeft ons slechts een spiegelbeeld. Het is een beeld, het is niet de werkelijkheid. Een puist op je rechterwang zit volgens de spiegel op je rechterwang. Maar wanneer je achter de spiegel zou gaan staan en je zou de plaats innemen van de figuur die je daar ziet staan, de plaats van je eigen figuur, dan zit de puist ineens op je linkerwang. Deelnemers links, toeschouwers rechts. Hoe je het went of keert, het blijft letterlijk een spiegelbeeld. Spiegels zijn handig om coke te versnijden, om de lijntjes te doseren. Dé ander is de enig echte, ware spiegel.
Ze vraagt naar het nakende vaderschap, of zij nog steeds een kind van me wil. Komt niet. Ze heeft goed geluisterd. Ik vertel de waarheid, waarom zou ik liegen? Ik vertelde het de laatste keer dat ik haar zag. De bar gevuld, het café vol. Ik ging los, ze zoog me leeg en de hele bar genoot mee. De broedmachine heeft een andere provider gevonden. Ik voel het niet eens als een nederlaag. Waar anderen verder gaan, lijk ik zelf stil te staan. Waar anderen plannen maken, beslissingen nemen, keuzes maken, doe ik niks. Ik stel uit. Komt nog wel. Ik stel af. Komt niet meer. Ik vraag naar haar zus. Ik vraag naar Lodewijk. Ik vraag naar Haarlem. Ik vraag naar haar kamer. Ze beantwoordt alle vragen maar ze geeft niet hét antwoord. Het antwoord op de vraag die ik niet meer hoef te stellen. Komt nooit meer. "Luister je wel naar me?"
Hij laat heel even een stilte vallen, hij buigt zijn hoofd. Om adem te halen waarschijnlijk. Dan valt bij mij het kwartje, de stilte was precies lang genoeg. Zijn gezicht komt omhoog, zijn mond gaat open. Nee, zeg het niet. Niet doen. Niet jij. Niet jij ook.
Tegels mag je niet van een viaduct afgooien. Je hoort ze nooit over mensen.
17 January 2006
Iemand (2)
Ik loop terug naar mijn barkruk en ga weer naast haar zitten.
"Mooi meisje."
Hoe gekker, hoe mooier.
"Je hebt smaak. Dat was het eerste dat me opviel aan jou. De meeste mannen hebben geen smaak. Die hebben een lul."
Geen spoortje jaloezie. Meestal wanneer een vrouw jouw aandacht verliest vanwege een andere borstenpartij worden feilloos de minpunten naar boven gehaald. Truitje te strak of te wijd, cup te groot of te klein, hakken te hoog of te laag. Teveel of te weinig kont.
"Ze heeft een mooie tatoeage. Boven haar kont."
Hoe kan zij dat nou weten?
"We hebben laatst foto’s gemaakt. Zij was er ook bij."
Ze hadden zeker allebei geld nodig.
"Nee, meer uit verveling. Meisjes doen heus niet alles voor geld."
Ik heb er nooit voor hoeven betalen.
"Ze vol met drank gooien komt op hetzelfde neer, eikel."
Er komen drie kutjes binnen. Klein, alle drie.
"Te hoge hakken. Veel te hoog. Ze lopen als mongooltjes. Nee, nee, eenden! Het is een eendenfamilie."
Charmant is dit inderdaad allerminst te noemen.
"Kwak, kwak."
Ze is gewoon jaloers omdat zij zulke schoenen niet kan betalen.
"Niet waar. Ik heb geen hakken nodig om een mooie houding te hebben."
Ze gaat staan. In plaats van mijn hoofd mee te draaien kijk ik weer naar te jong aan de andere kant van de bar en fantaseer over haar tatoeage en het gedeelte van haar lichaam daaronder. Vrouwelijke rondingen komen aan de achterkant beter tot hun recht dan aan de voorkant. Heeft er ook mee te maken dat aan de voorkant de overbodige woordenbrij hun lichaam verlaat. Houd je mond, het gaat mij om je rondingen.
"Kijk dan."
Iedereen heeft geld nodig. Mensen zoeken geen geluk maar ze zoeken geld. Geluk is niet te koop. De illusie van geluk wel. We leven in een illusie want de werkelijkheid is niet leefbaar. Er is geen doel, er is geen drang. De werkelijkheid zadelt ons op met dwangmatigheden, met verplichtingen. De illusie is de maakbare werkelijkheid van geluk.
Ik kijk. Precies op dat moment heeft ze zich helemaal omgedraaid. Ik kijk tegen haar achterkant aan. Ze heeft gelijk. Ze wrijft over haar heupen.
"Kijk dan. Zo horen heupen te zitten. En dit zijn billen."
Haar handen volgen haar woorden.
"Echte billen."
Gevalletje puur natuur.
"Als zij daar naakt voor je staan dan heb je twee puddinkjes in je handen."
Ik houd inderdaad niet van pudding. Na het eten drink je koffie.
"En moet je die paardenbek zien. Ze hadden vroeger zeker geen geld voor de tandarts."
Ik begin te lachen. Vrouwelijke logica. Er mankeert niets aan haar ogen.
"Ik heb ook wel eens een wortel in mijn mond gestopt, hoor."
Ze drukt haar handen op de onderkant van haar rug.
"Zo accentueer je een vrouwenlichaam. Daar heb ik die schoenen niet voor nodig."
Ze kijkt me uitdagend aan.
"Je kunt mij een hoop vertellen maar dit lichaam heeft je nooit teleurgesteld."
Het zijn mijn eigen woorden.
"Het zijn je eigen woorden."
Ze kijkt naar mijn kruis.
"Al hoefde je het niet eens te zeggen."
Ze steekt het puntje van haar tong uit. Ik heb een stijve gekregen.
"En dan heb ik je nog niet eens aangeraakt."
Vrouwen praten misschien veel maar mannen zeggen teveel.
"Mooi meisje."
Hoe gekker, hoe mooier.
"Je hebt smaak. Dat was het eerste dat me opviel aan jou. De meeste mannen hebben geen smaak. Die hebben een lul."
Geen spoortje jaloezie. Meestal wanneer een vrouw jouw aandacht verliest vanwege een andere borstenpartij worden feilloos de minpunten naar boven gehaald. Truitje te strak of te wijd, cup te groot of te klein, hakken te hoog of te laag. Teveel of te weinig kont.
"Ze heeft een mooie tatoeage. Boven haar kont."
Hoe kan zij dat nou weten?
"We hebben laatst foto’s gemaakt. Zij was er ook bij."
Ze hadden zeker allebei geld nodig.
"Nee, meer uit verveling. Meisjes doen heus niet alles voor geld."
Ik heb er nooit voor hoeven betalen.
"Ze vol met drank gooien komt op hetzelfde neer, eikel."
Er komen drie kutjes binnen. Klein, alle drie.
"Te hoge hakken. Veel te hoog. Ze lopen als mongooltjes. Nee, nee, eenden! Het is een eendenfamilie."
Charmant is dit inderdaad allerminst te noemen.
"Kwak, kwak."
Ze is gewoon jaloers omdat zij zulke schoenen niet kan betalen.
"Niet waar. Ik heb geen hakken nodig om een mooie houding te hebben."
Ze gaat staan. In plaats van mijn hoofd mee te draaien kijk ik weer naar te jong aan de andere kant van de bar en fantaseer over haar tatoeage en het gedeelte van haar lichaam daaronder. Vrouwelijke rondingen komen aan de achterkant beter tot hun recht dan aan de voorkant. Heeft er ook mee te maken dat aan de voorkant de overbodige woordenbrij hun lichaam verlaat. Houd je mond, het gaat mij om je rondingen.
"Kijk dan."
Iedereen heeft geld nodig. Mensen zoeken geen geluk maar ze zoeken geld. Geluk is niet te koop. De illusie van geluk wel. We leven in een illusie want de werkelijkheid is niet leefbaar. Er is geen doel, er is geen drang. De werkelijkheid zadelt ons op met dwangmatigheden, met verplichtingen. De illusie is de maakbare werkelijkheid van geluk.
Ik kijk. Precies op dat moment heeft ze zich helemaal omgedraaid. Ik kijk tegen haar achterkant aan. Ze heeft gelijk. Ze wrijft over haar heupen.
"Kijk dan. Zo horen heupen te zitten. En dit zijn billen."
Haar handen volgen haar woorden.
"Echte billen."
Gevalletje puur natuur.
"Als zij daar naakt voor je staan dan heb je twee puddinkjes in je handen."
Ik houd inderdaad niet van pudding. Na het eten drink je koffie.
"En moet je die paardenbek zien. Ze hadden vroeger zeker geen geld voor de tandarts."
Ik begin te lachen. Vrouwelijke logica. Er mankeert niets aan haar ogen.
"Ik heb ook wel eens een wortel in mijn mond gestopt, hoor."
Ze drukt haar handen op de onderkant van haar rug.
"Zo accentueer je een vrouwenlichaam. Daar heb ik die schoenen niet voor nodig."
Ze kijkt me uitdagend aan.
"Je kunt mij een hoop vertellen maar dit lichaam heeft je nooit teleurgesteld."
Het zijn mijn eigen woorden.
"Het zijn je eigen woorden."
Ze kijkt naar mijn kruis.
"Al hoefde je het niet eens te zeggen."
Ze steekt het puntje van haar tong uit. Ik heb een stijve gekregen.
"En dan heb ik je nog niet eens aangeraakt."
Vrouwen praten misschien veel maar mannen zeggen teveel.
30 December 2005
Casual friday
De pakken zijn vandaag verruild voor spijkerbroeken, felle T-shirts en hippe colbertjes. Girls from upstairs floor worden girls next door.
Mensen die door de week in een pak lopen en op vrijdag in een spijkerbroek zijn sportief. Aantrekkelijk, lekker. Mensen die altijd in een spijkerbroek lopen en dan opeens in een pak zijn overdressed. Afstotend en lelijk. Een vlag op een strontschuit. Ga je niet anders voordoen dan je bent. Blijf jezelf.
Dan vind ik je het leukst.
De mooiste nacht was toen we bij één van je vriendinnen zijn blijven slapen. Omdat het de eerste keer was? Vaak is de eerste keer niet mooi. Hooggespannen verwachtingen. Ik had geen verwachtingen van de nacht. De avond was al mooi genoeg. We waren samen. Dat was genoeg.
De reactie van haar was mooi, haar reactie toen je mij binnenliet. Je zei mijn naam tegen haar, gerustgesteld rolde ze zich weer in haar dekbed. De rollende r waarvoor ik smelt. Jullie partner in crime verleden deed de rest. Jouw vrienden zijn meteen haar vrienden. Door je verhalen wist ze wie ik was. Je had haar veel verteld. Je had haar alles verteld. Je kroop bij haar in bed, ik kreeg een matras.
Ze zit recht tegenover me aan de vergadertafel. Groene ogen. Dikke bos, lang, zwart haar. Als ze geen jasje zou dragen dan kon ze haar borsten erachter verbergen. Typisch geval van naakt willen zien. Haar hoofd schuin naar voren. Ze neemt de voorzitter, de vrouw naast naar, op van top tot teen, haar blik blijft uiteindelijk rusten op de inkijk van haar topje. Haar mondhoeken krullen langzaam omhoog. Lesbisch secreet.
Hoofd Intra en Extra worden weggeroepen, we blijven met ons vieren achter. Ze richt haar blik nu op mij, haar mond gaat open.
"En, wat zijn jouw grote plannen voor volgend jaar?"
Jou zonder jasje zien. En daarna jouw baan.
Twee lichamen, één matras. Er waren geen verwachtingen. Er was de zekerheid van het samenzijn. We spraken niet. Een lichaam moet je voelen, dan begint het pas te stralen. Geen woord. Eén lichaam.
Je moest en zou me hebben. Je hebt me uiteindelijk gekregen. Moeilijker dan verwacht maar toch. Iets met aanhouden en winnen. Dat je de dag daarna ziek werd roept nog steeds vragen bij me op. Hoe diep heeft het gezeten? De obsessie die ik voor je was. Diep. Ziekmakend diep. Dan mag je wel even overgeven. Verliefde mensen kunnen niet eten. Sterker. Verliefde mensen hoeven niet te eten. De verliefdheid voedt. De obsessie vloert.
"Jij werkt toch in een café?"
Ja. En dus? Ik moet iets hebben naast mijn werk, anders zou ik hier gek worden. Als ik het al niet ben.
Extra komt terug en lacht haar tanden bloot. Ex-roker. Gatver. Daarom lach ik nooit. Of anders gezegd, daarom houd ik mijn mond altijd dicht.
"Wie wil er koffie?"
Ze vraagt het alsof je op een kinderfeestje zit en er wordt gevraagd wie er naar het zwembad wil.
"Iedereen gebruikt elkaar."
Dat is de wijze raad waar ik het mee mag doen. Ik ben geen gebruiker.
"Kijk maar eens goed naar jezelf. Vertel jij alles?"
Ik laat me gebruiken. Hoe hypocriet ben ik zelf?
Een doolhof waarvan je de uitgang niet moet willen vinden. De uitgang markeert het eind. Ik wil niet dat het eindigt. Het moet doorgaan.
Hoofd Intra gaat ook weer zitten en strekt haar handen. Ze is ringloos valt me opeens op. Een maand geleden frustreerde het ijzer om haar vingers me juist. Ringen werken afstotend. Uiterlijke bewijslast van ingekakt huwelijksleven. Nu strelen haar maagdelijk witte vingers het bureaublad. Ik klem mijn beide handen om de beker voor me. Ik mocht eens uitschieten. Zouden ze op casual friday ook hun ringen thuislaten?
Je weet het wanneer je overbodig bent. Trek dan ook je conclusies.
Was het je schuldgevoel? Je had afspraken gemaakt, thuis. Ik was de streep door die rekening. Was je ziek van jezelf geworden? ’s Middags mailde je. Hij heeft je opgehaald toen je hem in paniek had opgebeld. Je was verdwaald. De weg van oost naar het centrum was te ingewikkeld voor je. Ik begrijp waarom je bij hem blijft. Hij is goed. Te goed.
We waren samen. Het is genoeg geweest.
Mensen die door de week in een pak lopen en op vrijdag in een spijkerbroek zijn sportief. Aantrekkelijk, lekker. Mensen die altijd in een spijkerbroek lopen en dan opeens in een pak zijn overdressed. Afstotend en lelijk. Een vlag op een strontschuit. Ga je niet anders voordoen dan je bent. Blijf jezelf.
Dan vind ik je het leukst.
De mooiste nacht was toen we bij één van je vriendinnen zijn blijven slapen. Omdat het de eerste keer was? Vaak is de eerste keer niet mooi. Hooggespannen verwachtingen. Ik had geen verwachtingen van de nacht. De avond was al mooi genoeg. We waren samen. Dat was genoeg.
De reactie van haar was mooi, haar reactie toen je mij binnenliet. Je zei mijn naam tegen haar, gerustgesteld rolde ze zich weer in haar dekbed. De rollende r waarvoor ik smelt. Jullie partner in crime verleden deed de rest. Jouw vrienden zijn meteen haar vrienden. Door je verhalen wist ze wie ik was. Je had haar veel verteld. Je had haar alles verteld. Je kroop bij haar in bed, ik kreeg een matras.
Ze zit recht tegenover me aan de vergadertafel. Groene ogen. Dikke bos, lang, zwart haar. Als ze geen jasje zou dragen dan kon ze haar borsten erachter verbergen. Typisch geval van naakt willen zien. Haar hoofd schuin naar voren. Ze neemt de voorzitter, de vrouw naast naar, op van top tot teen, haar blik blijft uiteindelijk rusten op de inkijk van haar topje. Haar mondhoeken krullen langzaam omhoog. Lesbisch secreet.
Hoofd Intra en Extra worden weggeroepen, we blijven met ons vieren achter. Ze richt haar blik nu op mij, haar mond gaat open.
"En, wat zijn jouw grote plannen voor volgend jaar?"
Jou zonder jasje zien. En daarna jouw baan.
Twee lichamen, één matras. Er waren geen verwachtingen. Er was de zekerheid van het samenzijn. We spraken niet. Een lichaam moet je voelen, dan begint het pas te stralen. Geen woord. Eén lichaam.
Je moest en zou me hebben. Je hebt me uiteindelijk gekregen. Moeilijker dan verwacht maar toch. Iets met aanhouden en winnen. Dat je de dag daarna ziek werd roept nog steeds vragen bij me op. Hoe diep heeft het gezeten? De obsessie die ik voor je was. Diep. Ziekmakend diep. Dan mag je wel even overgeven. Verliefde mensen kunnen niet eten. Sterker. Verliefde mensen hoeven niet te eten. De verliefdheid voedt. De obsessie vloert.
"Jij werkt toch in een café?"
Ja. En dus? Ik moet iets hebben naast mijn werk, anders zou ik hier gek worden. Als ik het al niet ben.
Extra komt terug en lacht haar tanden bloot. Ex-roker. Gatver. Daarom lach ik nooit. Of anders gezegd, daarom houd ik mijn mond altijd dicht.
"Wie wil er koffie?"
Ze vraagt het alsof je op een kinderfeestje zit en er wordt gevraagd wie er naar het zwembad wil.
"Iedereen gebruikt elkaar."
Dat is de wijze raad waar ik het mee mag doen. Ik ben geen gebruiker.
"Kijk maar eens goed naar jezelf. Vertel jij alles?"
Ik laat me gebruiken. Hoe hypocriet ben ik zelf?
Een doolhof waarvan je de uitgang niet moet willen vinden. De uitgang markeert het eind. Ik wil niet dat het eindigt. Het moet doorgaan.
Hoofd Intra gaat ook weer zitten en strekt haar handen. Ze is ringloos valt me opeens op. Een maand geleden frustreerde het ijzer om haar vingers me juist. Ringen werken afstotend. Uiterlijke bewijslast van ingekakt huwelijksleven. Nu strelen haar maagdelijk witte vingers het bureaublad. Ik klem mijn beide handen om de beker voor me. Ik mocht eens uitschieten. Zouden ze op casual friday ook hun ringen thuislaten?
Je weet het wanneer je overbodig bent. Trek dan ook je conclusies.
Was het je schuldgevoel? Je had afspraken gemaakt, thuis. Ik was de streep door die rekening. Was je ziek van jezelf geworden? ’s Middags mailde je. Hij heeft je opgehaald toen je hem in paniek had opgebeld. Je was verdwaald. De weg van oost naar het centrum was te ingewikkeld voor je. Ik begrijp waarom je bij hem blijft. Hij is goed. Te goed.
We waren samen. Het is genoeg geweest.
16 December 2005
The end is the beginning is the end
Ze staat alleen in het rookhok. Zal ik het zeggen?
Waar andere jaren het kerstdiner de samenhang tussen de verschillende bedrijfsonderdelen moest blootleggen, is nu op de binnenplaats van de kantoortuin een heus wintertafereel tevoorschijn getoverd. Het kerstdiner is ten onder gegaan aan het eigen succes. Ten onder gegaan aan overmatige onbelangstelling. Op het kerstdiner mocht je niet roken. Geniaal nu een buitenfeest te doen. Bij verplichte conversaties moet ik sigaretten hebben.
In het rookhok mogen maximaal zes mensen staan. Het is eigenlijk geen hok, het ziet eruit als een bushalte. Je staat er te wachten op de bus die je terugbrengt naar de kantoortuin. De bus komt wanneer je sigaret is opgerookt. Ik zeg nooit wat. Ik rust al rokend uit. Na twee uur telefoonterreur moet ik rust hebben. Eigenlijk sta ik het liefst alleen in het rookhok. Het hele hok voor mezelf. Geen verplichte conversaties. Er staan vaak collega’s die zenuwachtig worden van stilte. Er zijn mensen die niet tegen stilte kunnen. Ik kan heel goed tegen stilte. Tegen de stilte tussen mensen. Ik voel me nooit verplicht iets terug te zeggen. Of te replyen. Uit beleefdheid kijk ik ze aan wanneer ze spreken. Uit beleefdheid lees ik wat er geschreven staat. Er is een inspanning verricht. Een minimale beloning is dan geen zonde.
Ze hebben goed werk verricht. Alle bomen en struiken gaan gebukt onder een laag witte nepsneeuw, overal op de grond ligt stro. Ondergedoken Engelse brandweermannen waarschijnlijk. Een grote tent, een skihut, marktkraampjes. Kleine tentjes waar de drink- en etenswaar wordt uitgedeeld, andere tentjes waar je Oudhollandse spelletjes kunt doen. Vuurkorven met smeulende blokken hout zorgen voor een passende rookontwikkeling.
Het rookhok is één van de lekken. Je moet oppassen met wat je zegt. Het is een bushokje met een lek dak. Ons bedrijf is overdreven vrouwvriendelijk. Pas op met seksisme. Er zijn er voor ontslagen. Of zoals laatst op het grote feest. Het feest waar ik niet ben geweest. Ik kreeg de verhalen te horen. In het rookhok natuurlijk. Een hand verdween in een kruis. Ik had meteen een column klaar voor de nieuwsbrief. Voor de alternatieve nieuwsbrief dan. Ik moet aan mijn reputatie denken. Het meisje meldde zich ziek. De jongen hoefde niet meer terug te komen. Leuk, bedrijfsfeesten. Ik maak me geen zorgen op feesten. Ik ben meestal te dronken om wat dan ook met mijn handen te doen.
Bij een winterfeest hoort glühwein. Zal best maar ik wil bier. Het feest begint om vier uur ’s middags dus door mijn geweldige voorbeeldfunctie mag ik de telefoon bezet houden. Ik kijk door de kantoortuin en ontwaar Dude aan de andere kant van de verdieping. Gedeelde smart is halve smart. Om zes uur komt hij mijn kant op. Met een knikbeweging van zijn hoofd maakt hij het zullen we dan maar gebaar. Iedereen is al twee uur bezig dus de kust is veilig. Ik hoef niet als eerste op een feestje te zijn. Ik ga toch altijd als laatste weg.
Zal ik het zeggen?
Beneden gekomen gaan we op zoek naar de bierpomp. We wurmen ons door de mensenmassa. Wat een volk. Eerst drank, dan pas socializen. Nadat ik het hele terrein heb afgelopen sta ik nog steeds met lege handen. Ergo geen bier. Glühwein dan maar. Met vier glazen opgewarmde druiven in mijn handen loop ik terug naar Dude. Haantje doet een stap opzij om me er langs te laten. Hij kijkt naar mijn gevulde handen en zegt dat de erwtensoep lekker is. Haantje moet zich gedragen want zijn vrouw loopt er ook. En zijn manager. Dat is ook mijn manager. Ik heb schijt aan managers. Ik heb dorst. Ik heb geen vrouw.
Ik heb me laatst uit laten horen. Uit eten vanwege promotiebelang. Supersingle. Wie ik de leukste vind. Ik noem een naam. Ik noem nog een naam. Dat hadden ze niet verwacht. Of eigenlijk toch wel. Zeggen ze dan in tweede instantie want mensen doen het altijd voorkomen alsof ze alles van je denken te weten. Mijn smaak weten ze niet. Ik heb een aparte smaak. Ze weten niets van me. Ik kijk anders naar mensen. Ik kijk anders naar vrouwen. Vrouwen die ik nog steeds meisjes noem. Ik ben toch ook een jongen?
Glühwein is rotzooi. Dude gooit twee braadworsten naar binnen, het haalt de smaak niet weg. Ik sla het eten maar weer eens over. Ik voel aan mijn jaszak, twee pakjes. Gaat lukken vanavond. We lopen een trap op en komen in een lange overdekte gang. Gezellig hoor. De organisatie heeft goed verdiend, je struikelt over de sfeerverhogende stillevens. Een altaar van engelenhaar en een bordje met de naam van het decoratiebedrijf. Later wil ik een zeemansgraf. Halverwege de gang zit een gezellige pot. Niveau ik ben niet dik, ik ben gezellig. Ze haalt twee medailles uit haar trui tevoorschijn. Gewonnen met een Oudhollands spelletje. Hielen likken? Of toch kont likken? Ik neem aan dat de spelletjes in de geest van het bedrijf zijn. Ik pak de medailles en leg er eentje op elk van haar borsten. Bij een pot mag dat.
Zouden de disgenoten teleurgesteld zijn geweest omdat ik hun namen niet noemde? Gezellig doen betekent niet dat ik je leuk vind. Ik zit hier met een reden. Een andere reden. Investeren. Dan wil ik wel even lijden. Wel gezellig genoeg om de waarheid te vertellen. Iemand anders als de leukste bestempelen wordt geïnterpreteerd als zijnde jij bent dus niet leuk. Slim hoor.
We lopen door en komen aan in de bruine armen tent. Alles in pak of te hoog gehakt. Lenzen waar je gewoonlijk uilenbrillen ziet. Leuk, die bruine pupillen. Je hebt toch van die waterige grijze ogen? Kortgerokt zie je nooit in de winter. Rondjes, dat dan weer wel. Ik houd van rondjes, grote ronde bartafels. Ideaal om een avond aan door te brengen. Het rookt moeilijk met twee glazen in je handen. Rechts staat een collega achter een grote tinnen kan. Ik gedag haar en vraag er nog vier. Of ik vier thee wil? Thee? Ze heeft alleen koffie en thee. Zie ik eruit alsof ik op een theekransje ben? Ze wijst naar links. En bedankt. Links wordt net bijgevuld, de damp slaat van het tinnen gevaarte af. Ik steek vier vingers op. De middelvinger komt later. Ik krijg de vier glazen aangereikt en brand mijn handen. Waarom is er gvd geen bier. Als een vlag op vraagt of het goed gaat. Ik verdraai mijn nek naar lekker gehakt en knik. Nu wel weer even.
"Wat zie je er leuk uit vandaag."
Ik heb het gezegd.
We verlaten de strontschuit en lopen naar de kleine tentjes in het miniparkje van de binnentuin van ons kantoor. Eigenlijk werken we in best wel een mooi gebouw. Geen sick building syndrome maar sick people syndrome. Er staan wat kraampjes waar je iets kunt kopen. Ik doe niet aan kerstcadeaus. Er staat ook een kraam met flessen. Hè, geen tinnen kan. Barclay komt met twee shooter glaasjes bij het kraampje vandaan. Dat verandert de zaak. Ik vraag wat erin zit. "Hemel op aarde," zegt ze en knippert nudge-nudge-wink-wink met haar ogen. In your dreams, muts. Ik heb een goed humeur vanavond.
Ze krijgt een kleur. Ik wist het. Daarom. Daarom vind ik iemand leuk. Iemand die een kleur krijgt is leuk. Dat valt niet te verbergen. Een goudeerlijke stroom bloed naar het gezicht. Ik word meteen verliefd wanneer meisjes blozen.
Bij het kraampje is het gezellig. De helft van de mensen die er staan is van onze afdeling en de groep wordt alleen maar groter. Alsof we onze plaats kennen. Er loopt een fotograaf met een polaroidcamera. "Foto, foto," schreeuwen we. "Vaif euro!" Niveau is niet altijd nodig. De fotograaf wijst naar een bord. Een kerstman zonder hoofd. Steek je hoofd er doorheen en hij maakt een foto. Lexa steekt zijn kop erin en Dude en ik nemen onze pose aan. Altijd leuk voor later. Of voor een log.
"Dank je."
Verlegen. Ze kijkt naar de grond.
De shooters gaan in een fijn tempo, ik krijg last van mijn lege maag. Schade komt langs en begint een gesprek. Ons huisstamcafé gaat dicht. O jee. Zal ik je troosten? Ze heeft een lief brilletje op haar neusje, grote blauwe ogen en een paardenstaartje. Vind ik leuk. Ze is zo lekker gewoon. Het succes heeft haar niet veranderd. Het begint langzamerhand koud te worden. Veel roddels over het werk. Logisch, je staat met collega’s te praten. Ik begin aangeschoten te raken en heb geen zin in werkverhalen. Terug naar de glühwein dan maar. Ik wens Schade een fijne avond en loop weer naar de strontschuit waar het opeens verbazingwekkend rustig is. Ik steek at random wat vingers op en krijg een schuddend hoofd als antwoord. Alles is op. Aha. Vandaar die rust.
Ze legt het uit. Had niet gehoeven maar ze heeft mijn aandacht. Altijd maar diezelfde spijkerbroeken. Altijd druk ’s morgens. Toen ze hier net werkte keek ze naar de mensen. Kon ze zich niet voorstellen dat je na verloop van tijd iedereen kan uittekenen in zijn of haar kleding. Je herkent geen gezichten maar je herkent kleding. Kon ze zich niet voorstellen dat ze zelf na verloop van tijd ook steeds in dezelfde kleding de tuin zou betreden. Dat jezelf ’s morgens aankleden een sleur kan worden. Dat ze ook zo zou worden. Dat jezelf ’s morgens aankleden een sleur is geworden. Dat alles uiteindelijk een sleur wordt.
Naast de skihut schenken ze nog wel. De groep is ondertussen uitgedund en ik volg het gesprek niet meer. We verkassen en duiken meteen de skihut in waar collega’s ritmische pogingen doen Madonna bij te houden. Madonna is goed. Ook zonder geluid. In de skihut hoef je niet meer te praten, verstandig besluit dus. We veroveren één van de twee rondjes en kijken schaamteloos naar wat ons werk ons niet te bieden heeft. Tering, wat zijn ze lelijk. Een meisje met blonde schapenkrullen springt er ten goede uit. Ik doe een wedstrijdje afdeling raden. Ik kan mezelf prima vermaken. Wintertrui, rokje, maillot, laarzen. Geen marketing want dan zou ze duurdere laarzen hebben aangehad. En een jasje in plaats van een trui. Een mantelpakje in plaats van een rokje. En een panty in plaats van een maillot. Ik heb weer een focus en ga staren. Dude stoot me aan en wijst naar vier dampende glazen op het rondje. "De laatste! Alles is leeg!" Mooi. Dan kunnen we straks eindelijk aan het bier.
In een spijkerbroek vind ik haar ook leuk. Misschien nog wel leuker. Misschien had ik moeten zeggen dat ze er anders uitziet vandaag. Maar dat klinkt zo stom. Na vier jaar samenwonen zie je er anders uit. Na vier jaar samenwonen ben je anders. Ben je een ander mens geworden. Je bent zo anders krijg je te horen wanneer je, voor het eerst met iemand anders in je gedachten, samen op de bank zit.
Onze Werchteryell schalt door de tent. De muziek gaat uit. Klokslag acht uur, het is nog geen twee uur later. We gaan beginnen.
Ze zal zich niet ziek melden. Ze bloost.
Waar andere jaren het kerstdiner de samenhang tussen de verschillende bedrijfsonderdelen moest blootleggen, is nu op de binnenplaats van de kantoortuin een heus wintertafereel tevoorschijn getoverd. Het kerstdiner is ten onder gegaan aan het eigen succes. Ten onder gegaan aan overmatige onbelangstelling. Op het kerstdiner mocht je niet roken. Geniaal nu een buitenfeest te doen. Bij verplichte conversaties moet ik sigaretten hebben.
In het rookhok mogen maximaal zes mensen staan. Het is eigenlijk geen hok, het ziet eruit als een bushalte. Je staat er te wachten op de bus die je terugbrengt naar de kantoortuin. De bus komt wanneer je sigaret is opgerookt. Ik zeg nooit wat. Ik rust al rokend uit. Na twee uur telefoonterreur moet ik rust hebben. Eigenlijk sta ik het liefst alleen in het rookhok. Het hele hok voor mezelf. Geen verplichte conversaties. Er staan vaak collega’s die zenuwachtig worden van stilte. Er zijn mensen die niet tegen stilte kunnen. Ik kan heel goed tegen stilte. Tegen de stilte tussen mensen. Ik voel me nooit verplicht iets terug te zeggen. Of te replyen. Uit beleefdheid kijk ik ze aan wanneer ze spreken. Uit beleefdheid lees ik wat er geschreven staat. Er is een inspanning verricht. Een minimale beloning is dan geen zonde.
Ze hebben goed werk verricht. Alle bomen en struiken gaan gebukt onder een laag witte nepsneeuw, overal op de grond ligt stro. Ondergedoken Engelse brandweermannen waarschijnlijk. Een grote tent, een skihut, marktkraampjes. Kleine tentjes waar de drink- en etenswaar wordt uitgedeeld, andere tentjes waar je Oudhollandse spelletjes kunt doen. Vuurkorven met smeulende blokken hout zorgen voor een passende rookontwikkeling.
Het rookhok is één van de lekken. Je moet oppassen met wat je zegt. Het is een bushokje met een lek dak. Ons bedrijf is overdreven vrouwvriendelijk. Pas op met seksisme. Er zijn er voor ontslagen. Of zoals laatst op het grote feest. Het feest waar ik niet ben geweest. Ik kreeg de verhalen te horen. In het rookhok natuurlijk. Een hand verdween in een kruis. Ik had meteen een column klaar voor de nieuwsbrief. Voor de alternatieve nieuwsbrief dan. Ik moet aan mijn reputatie denken. Het meisje meldde zich ziek. De jongen hoefde niet meer terug te komen. Leuk, bedrijfsfeesten. Ik maak me geen zorgen op feesten. Ik ben meestal te dronken om wat dan ook met mijn handen te doen.
Bij een winterfeest hoort glühwein. Zal best maar ik wil bier. Het feest begint om vier uur ’s middags dus door mijn geweldige voorbeeldfunctie mag ik de telefoon bezet houden. Ik kijk door de kantoortuin en ontwaar Dude aan de andere kant van de verdieping. Gedeelde smart is halve smart. Om zes uur komt hij mijn kant op. Met een knikbeweging van zijn hoofd maakt hij het zullen we dan maar gebaar. Iedereen is al twee uur bezig dus de kust is veilig. Ik hoef niet als eerste op een feestje te zijn. Ik ga toch altijd als laatste weg.
Zal ik het zeggen?
Beneden gekomen gaan we op zoek naar de bierpomp. We wurmen ons door de mensenmassa. Wat een volk. Eerst drank, dan pas socializen. Nadat ik het hele terrein heb afgelopen sta ik nog steeds met lege handen. Ergo geen bier. Glühwein dan maar. Met vier glazen opgewarmde druiven in mijn handen loop ik terug naar Dude. Haantje doet een stap opzij om me er langs te laten. Hij kijkt naar mijn gevulde handen en zegt dat de erwtensoep lekker is. Haantje moet zich gedragen want zijn vrouw loopt er ook. En zijn manager. Dat is ook mijn manager. Ik heb schijt aan managers. Ik heb dorst. Ik heb geen vrouw.
Ik heb me laatst uit laten horen. Uit eten vanwege promotiebelang. Supersingle. Wie ik de leukste vind. Ik noem een naam. Ik noem nog een naam. Dat hadden ze niet verwacht. Of eigenlijk toch wel. Zeggen ze dan in tweede instantie want mensen doen het altijd voorkomen alsof ze alles van je denken te weten. Mijn smaak weten ze niet. Ik heb een aparte smaak. Ze weten niets van me. Ik kijk anders naar mensen. Ik kijk anders naar vrouwen. Vrouwen die ik nog steeds meisjes noem. Ik ben toch ook een jongen?
Glühwein is rotzooi. Dude gooit twee braadworsten naar binnen, het haalt de smaak niet weg. Ik sla het eten maar weer eens over. Ik voel aan mijn jaszak, twee pakjes. Gaat lukken vanavond. We lopen een trap op en komen in een lange overdekte gang. Gezellig hoor. De organisatie heeft goed verdiend, je struikelt over de sfeerverhogende stillevens. Een altaar van engelenhaar en een bordje met de naam van het decoratiebedrijf. Later wil ik een zeemansgraf. Halverwege de gang zit een gezellige pot. Niveau ik ben niet dik, ik ben gezellig. Ze haalt twee medailles uit haar trui tevoorschijn. Gewonnen met een Oudhollands spelletje. Hielen likken? Of toch kont likken? Ik neem aan dat de spelletjes in de geest van het bedrijf zijn. Ik pak de medailles en leg er eentje op elk van haar borsten. Bij een pot mag dat.
Zouden de disgenoten teleurgesteld zijn geweest omdat ik hun namen niet noemde? Gezellig doen betekent niet dat ik je leuk vind. Ik zit hier met een reden. Een andere reden. Investeren. Dan wil ik wel even lijden. Wel gezellig genoeg om de waarheid te vertellen. Iemand anders als de leukste bestempelen wordt geïnterpreteerd als zijnde jij bent dus niet leuk. Slim hoor.
We lopen door en komen aan in de bruine armen tent. Alles in pak of te hoog gehakt. Lenzen waar je gewoonlijk uilenbrillen ziet. Leuk, die bruine pupillen. Je hebt toch van die waterige grijze ogen? Kortgerokt zie je nooit in de winter. Rondjes, dat dan weer wel. Ik houd van rondjes, grote ronde bartafels. Ideaal om een avond aan door te brengen. Het rookt moeilijk met twee glazen in je handen. Rechts staat een collega achter een grote tinnen kan. Ik gedag haar en vraag er nog vier. Of ik vier thee wil? Thee? Ze heeft alleen koffie en thee. Zie ik eruit alsof ik op een theekransje ben? Ze wijst naar links. En bedankt. Links wordt net bijgevuld, de damp slaat van het tinnen gevaarte af. Ik steek vier vingers op. De middelvinger komt later. Ik krijg de vier glazen aangereikt en brand mijn handen. Waarom is er gvd geen bier. Als een vlag op vraagt of het goed gaat. Ik verdraai mijn nek naar lekker gehakt en knik. Nu wel weer even.
"Wat zie je er leuk uit vandaag."
Ik heb het gezegd.
We verlaten de strontschuit en lopen naar de kleine tentjes in het miniparkje van de binnentuin van ons kantoor. Eigenlijk werken we in best wel een mooi gebouw. Geen sick building syndrome maar sick people syndrome. Er staan wat kraampjes waar je iets kunt kopen. Ik doe niet aan kerstcadeaus. Er staat ook een kraam met flessen. Hè, geen tinnen kan. Barclay komt met twee shooter glaasjes bij het kraampje vandaan. Dat verandert de zaak. Ik vraag wat erin zit. "Hemel op aarde," zegt ze en knippert nudge-nudge-wink-wink met haar ogen. In your dreams, muts. Ik heb een goed humeur vanavond.
Ze krijgt een kleur. Ik wist het. Daarom. Daarom vind ik iemand leuk. Iemand die een kleur krijgt is leuk. Dat valt niet te verbergen. Een goudeerlijke stroom bloed naar het gezicht. Ik word meteen verliefd wanneer meisjes blozen.
Bij het kraampje is het gezellig. De helft van de mensen die er staan is van onze afdeling en de groep wordt alleen maar groter. Alsof we onze plaats kennen. Er loopt een fotograaf met een polaroidcamera. "Foto, foto," schreeuwen we. "Vaif euro!" Niveau is niet altijd nodig. De fotograaf wijst naar een bord. Een kerstman zonder hoofd. Steek je hoofd er doorheen en hij maakt een foto. Lexa steekt zijn kop erin en Dude en ik nemen onze pose aan. Altijd leuk voor later. Of voor een log.
"Dank je."
Verlegen. Ze kijkt naar de grond.
De shooters gaan in een fijn tempo, ik krijg last van mijn lege maag. Schade komt langs en begint een gesprek. Ons huisstamcafé gaat dicht. O jee. Zal ik je troosten? Ze heeft een lief brilletje op haar neusje, grote blauwe ogen en een paardenstaartje. Vind ik leuk. Ze is zo lekker gewoon. Het succes heeft haar niet veranderd. Het begint langzamerhand koud te worden. Veel roddels over het werk. Logisch, je staat met collega’s te praten. Ik begin aangeschoten te raken en heb geen zin in werkverhalen. Terug naar de glühwein dan maar. Ik wens Schade een fijne avond en loop weer naar de strontschuit waar het opeens verbazingwekkend rustig is. Ik steek at random wat vingers op en krijg een schuddend hoofd als antwoord. Alles is op. Aha. Vandaar die rust.
Ze legt het uit. Had niet gehoeven maar ze heeft mijn aandacht. Altijd maar diezelfde spijkerbroeken. Altijd druk ’s morgens. Toen ze hier net werkte keek ze naar de mensen. Kon ze zich niet voorstellen dat je na verloop van tijd iedereen kan uittekenen in zijn of haar kleding. Je herkent geen gezichten maar je herkent kleding. Kon ze zich niet voorstellen dat ze zelf na verloop van tijd ook steeds in dezelfde kleding de tuin zou betreden. Dat jezelf ’s morgens aankleden een sleur kan worden. Dat ze ook zo zou worden. Dat jezelf ’s morgens aankleden een sleur is geworden. Dat alles uiteindelijk een sleur wordt.
Naast de skihut schenken ze nog wel. De groep is ondertussen uitgedund en ik volg het gesprek niet meer. We verkassen en duiken meteen de skihut in waar collega’s ritmische pogingen doen Madonna bij te houden. Madonna is goed. Ook zonder geluid. In de skihut hoef je niet meer te praten, verstandig besluit dus. We veroveren één van de twee rondjes en kijken schaamteloos naar wat ons werk ons niet te bieden heeft. Tering, wat zijn ze lelijk. Een meisje met blonde schapenkrullen springt er ten goede uit. Ik doe een wedstrijdje afdeling raden. Ik kan mezelf prima vermaken. Wintertrui, rokje, maillot, laarzen. Geen marketing want dan zou ze duurdere laarzen hebben aangehad. En een jasje in plaats van een trui. Een mantelpakje in plaats van een rokje. En een panty in plaats van een maillot. Ik heb weer een focus en ga staren. Dude stoot me aan en wijst naar vier dampende glazen op het rondje. "De laatste! Alles is leeg!" Mooi. Dan kunnen we straks eindelijk aan het bier.
In een spijkerbroek vind ik haar ook leuk. Misschien nog wel leuker. Misschien had ik moeten zeggen dat ze er anders uitziet vandaag. Maar dat klinkt zo stom. Na vier jaar samenwonen zie je er anders uit. Na vier jaar samenwonen ben je anders. Ben je een ander mens geworden. Je bent zo anders krijg je te horen wanneer je, voor het eerst met iemand anders in je gedachten, samen op de bank zit.
Onze Werchteryell schalt door de tent. De muziek gaat uit. Klokslag acht uur, het is nog geen twee uur later. We gaan beginnen.
Ze zal zich niet ziek melden. Ze bloost.
27 November 2005
India
Alleen je naam al.
Ik ken die naam. Ik ken die naam veel te goed. Ik heb die naam vaak gezegd. Ik heb die naam vaak geroepen. Ik heb die naam vervloekt. Ik heb gejankt om die naam. Om jouw naam.
Toen ik hem las liepen de rillingen over mijn rug. Hoe diep kan pijn zitten. Je denkt dat je het kwijt bent, dat je er overheen bent. Nou vergeet het maar. Als een bestraald kankergezwel circuleert ze door mijn lichaam. Het gezwel is dood maar is niet verwijderd. Tot stilstand gebracht. Een glasscherf in je hoofd die ze niet weg willen halen. Die ze niet weg kunnen halen. Het gevaar van onherstelbare schade aan vitale delen. Eén millimeter naar rechts en het is gebeurd. Ik heb het vaak gedacht. Schiet maar uit met dat mes, dan is het over. Dan ben ik er van af.
"Mijn ouders willen je zien."
Die nacht vrijen we voor het eerst niet. Het was toch een geintje? We zijn niet plus en min, we zijn dubbel plus en dubbel min. Alles wat zij is, ben ik niet. Alles wat ik heb, heeft zij niet. We zijn samen één grote grap. We zijn verliefd. Het enig gemeenschappelijke. Het enige dat telt.
In tijd kan veel gebeuren. De tijd bracht haar man en kind. De tijd bracht mij een andere baan, een ander café, groepstherapie en losse flodders. Losse flodders voor de schutters, voltreffers in mijn gedachten. Ieder schot een nieuwe zenuwinzinking. De psychotherapie op zich was een lachertje. We zaten er met acht personen. Zes meiden, een jongen en ik. Leuke meiden. De jongen was net werkloos en wist niet wat hij met zijn leven aan moest. Afhankelijkheid van werk. Werk wordt onderschat. Je moet wat te doen hebben anders verveel je jezelf dood. Dus neem een kind of ga aan het werk. Werk is levensvulling.
"Het is toch uit?"
De vraag blijft hangen boven de bar. Haar ogen geven het antwoord. Ogen liegen niet. Daarom heb ik een hekel aan zonnebrillen. Wie zijn ogen verbergt heeft meer te verbergen.
"Ik begrijp helemaal niets van jullie twee."
Wijzelf nog minder.
Ik zat alleen maar naar de meiden te kijken. Zoals gewoonlijk zei ik niet veel. Er zaten mooie exemplaren tussen. Mooi en nog leuk ook. Verward waren we, daarom zaten we daar. Verwarring was de bindende factor. Groepstherapie is niets meer dan gelijkgestemden bij elkaar zetten en naar elkaar laten kijken. De herkenning werkt heilzaam. Ik ben niet de enige. Met die gedachte loop je weer naar buiten.
"Ik heb het koud."
Ik kom thuis. Bij haar thuis. Zondagnacht. Zij is altijd vrij op zondag, ik draai de avonddienst. Na het werk even snel naar snackbar De Prins. Versgebakken pistoletjes halen. Kaas voor haar, filet american voor mijzelf. En voor allebei een milkshake. Het huis is donker, de slaapkamer leeg. Ik vind haar onder de douche. Zittend. Haar armen om haar benen heengeslagen, haar lijkwitte gezicht verborgen tussen haar knieën. Haar lichaam versierd door rode striemen van het kokend hete water. Rillend van de kou. Ik laat de broodjes vallen en ga zonder mijn kleren uit te trekken bij haar zitten. Met mijn handen masseer ik haar rug, haar armen. Wanhopig probeer ik haar bloeddoorstroming weer op gang te brengen. Mijn tranen vermengen zich met de onuitputtelijke straal water.
"Waarom heb ik het zo koud?"
We moesten ons voorstellen. Wat we deden, waarom we hier zaten. Nummer drie zei dat ze in de fabriek werkte. In dezelfde fabriek als waar ik werk. Man, huis en baan. Wat wil je nog meer? Luxeproblemen. Toen ze de andere verhalen had gehoord, schaamde ze zich. Dat ze met haar probleempje bij deze club, tussen deze mensen zat. Ze was na de eerste sessie al genezen.
"Kut. Mijn moeder staat voor de deur."
We hebben nog niet eens geslapen. Na eerst de onophoudelijke deurbel te hebben genegeerd gaat nu ook haar mobiel af. De nummerweergave zegt genoeg. Ze neemt op. Ik zie het probleem niet, alleen dat al onze kleren verspreid door het huis liggen. Ik vind het leuk als meisjes kut zeggen.
"Ze weet niet dat jij hier bent."
Nou, over een minuut dus wel. Dat haar moeder langskwam om haar op te vangen in verband met vermeend liefdesverdriet begreep ik later pas. Er was een dag retail-therapie gepland.
"Moet ik haar zoenen?"
"Nee, je moet met mij zoenen."
Ik kreeg eerst drie persoonlijke gesprekken. Dan zou gekeken worden wat het beste bij me zou passen. Meneer de psycholoog wroette wat in mijn verleden. Ik beantwoordde netjes alle vragen zodat we op de verkeerde weg belandden. Ik zat nog in mijn ontkenningsfase en draaide behoedzaam om de kern heen. Groepstherapie zou het moeten doen. Whatever. Als er maar wat gebeurt, het maakte mij niet uit wat. Het was een leuke club. Tegen het eind van cyclus zijn we op eigen houtje uit eten gegaan. De psycholoog wist van niets. ABC-tje. De groep neemt afstand van de therapeut en geeft aan weer op eigen benen te kunnen staan.
"Viel het mee?"
Haar verjaardag. Ik overleef familie en vrienden. Haar stem komt uit het gangetje. Ze staat zich mooi te maken, we gaan met zijn tweeën uit eten. Zij paasbest. Ik heb geen schone kleren bij me en loop in mijn horecaoutfit van de vorige avond. Het uiterlijk contrast niet groter denkbaar, innerlijk dichter bij elkaar dan ooit. Het wordt onze beste avond. Langzaam krijg ik het gevoel dat het echt wat gaat worden.
Nummer vier had problemen met haar moeder. Labiel type. Allebei trouwens. Ellenlange reproducties van discussies en gesprekken passeerden onze revue. Steevast beginnend en eindigend met: mijn moeder begrijpt me niet. De appel valt niet ver van de boom. Ik heb haar uitgelegd wat projectie is. Ze kreeg een recept voor de apotheek mee.
"Bij twijfel altijd doen."
Met die woorden versierde ze me ooit. We staan op Schiphol. Twee bruisende meiden, de ouders en ik. In de periode voor het vertrek zijn we weer naar elkaar toegetrokken. Zij zocht houvast, ik probeerde te redden wat er te redden viel. De laatste week verbleef ze bij mij thuis. Onwerkelijke dagen. Waanzinnige nachten. Wrede nachten. Waanzinnige, wrede sex. Het was geen houden van, het was pure wanhoop. Ik wilde haar pijnigen. Ik wilde haar openrijten, openscheuren. Dat ze gedurende haar reis niemand toe zou kunnen laten zonder aan mij te denken. Zodat ze bij iedere volgende penetratie aan mij herinnerd zou worden. Ze neemt afscheid van haar ouders. Dan komt ze naar mij toe en we lopen naar de douane. Twee meter voor de toegangspoorten blijven we staan. We kijken elkaar aan. Haar handen wurmen zich onder mijn kleding door naar mijn rug. Mijn drijfnatte rug. Ze wrijft het zweet uit, voor de laatste keer laat ze mijn lichaamsgeur in haar handen trekken. Heel voorzichtig brengen we onze lippen bij elkaar. Een maagdelijke kus, alsof het onze eerste is. We eindigen zoals we ooit zijn begonnen. Ik kijk naar haar steeds vochtiger wordende ogen. Ik beweeg mijn hoofd naar voren en zuig zachtjes het traanvocht op. Ik wil nog wat zeggen maar mijn stem is weg. Een onsamenhangend geluid komt uit mijn keel vandaan. Ze begint te schokken en ze laat me los. Ze draait zich om en loopt met gebogen hoofd door de poortjes naar de douane. Versteend kijk ik haar na. Ik zeg het nog een keer maar ik ben de enige die het hoort. Bij twijfel niet doen.
"We landen morgen op Schiphol. Maar wil je alsjeblieft niet komen?"
Nummer vijf was er voor de derde keer. Een terugslag dwong haar tot een nieuwe poging. Ik vond haar rijp voor een psychiater, volgens mij had ze medicijnen nodig. Waanzinnig verhaal. Ze had het uitgemaakt. Hij moest weg. Ze wilde zonder hem verder. Hij wilde niet weg. Hij wilde niet verder zonder haar. ’s Avonds was hij langsgekomen. Ze stond op de trap, hij kwam binnen en knielde op de onderste trede. Trok een pistool tevoorschijn. Schreeuwend: is dit dan wat je wil? Ze kon niets zeggen. Ze wilde niets zeggen. Nooit op dreigementen ingaan, jezelf nooit laten chanteren. Dat zal hij nooit doen. Dacht ze. Hij schoot. Nadat hij de loop van het pistool in zijn mond had gestoken.
"Ze is bij ons."
Ze is terug. Ze is ziek. Ze is bij haar ouders. Ik mag haar niet zien. Of mag ze mij niet zien? Wil ze mij niet zien? Kan ze mij niet zien? Ik had de grens bereikt.
Nummer zes was de leukste. Niet de mooiste, dat werd ze later pas, toen ik haar echt leuk begon te vinden. Alleenstaand, twee worpen. Hij ging vreemd. Hij zou het niet meer doen. Hij wilde werken aan zijn huwelijk. Ze maakten nog een kindje. De tweede worp zou het huwelijk moeten redden. Terwijl zij zwanger lag te zijn, lag hij bovenop het meisje dat ze in dienst hadden. De bevalling deed ze alleen. Hij was ondertussen bij het meisje ingetrokken. De zakelijke afwikkeling van de echtscheiding bracht haar in ons midden, in ons praatclubje.
"We kunnen een stukje met de honden gaan lopen."
Mijn stem. Geluidloos. Uiteindelijk mag ik langskomen. Ze is toonbaar. We zitten buiten op het terras, binnen het blikveld van de ouderlijke gestapo. Gedrogeerd zit ze tegenover me. Het is warm. Haar gezicht is vochtig. De openstaande schuifdeuren smoren iedere poging tot conversatie. Ze staart voor zich uit, weigert me aan te kijken. Haar ogen volgen de bewegingen van één van de honden. Het beest legt zich hijgend aan haar voeten. Automatisch legt ze haar hand op zijn kop en buigt ze haar hoofd naar voren. Het beest richt zijn kop omhoog en likt het zout van haar gezicht. De gestapo beantwoordt mijn vraag door in de deuropening te gaan staan. Ik sta op en pak mijn jas. Ik aai voorzichtig haar nog steeds gebogen hoofd en steek mijn hand op richting de schuifdeuren. Bij het tuinhek aangekomen hoor ik haar stem. Toen knapte het. In mijn hoofd. De genadeklap.
Ik moest ook vertellen waarom ik er zat. Wat deed ik hier eigenlijk?
Jouw naam. Opteren voor waanzin kan slechts een houding zijn, nooit een keuze. Gedachtestromen zijn niet te beïnvloeden. Waanzin overkomt, overvalt, overruled. Hoe een naam een eigen leven gaat leiden, een naam boven de persoon uitstijgt waaraan zij toebehoorde. Een naam meer dan een persoon. Een persoon die je gedachten uiteindelijk verlaat, mits er maar genoeg cement overheen is gegaan. Een naam die blijft rondsluimeren, een naam die de waanzin van dat moment vertegenwoordigt, een naam die door de waanzin van dat moment je terugbrengt in de roes. De roes waar de naamgever allang uit is vertrokken. Geen obsessie van vlees en bloed maar de obsessie van een woord, een naam. Jouw naam. Jouw naam die je een gezicht geeft. Jouw naam die me terug in de tijd zet. Jouw naam die mij op mijn knieën kreeg. Jouw naam die na een halve fles whisky nog niet was verdwenen. Jouw naam die een verboden woord was geworden. Jouw naam die jou háár gezicht geeft.
Jouw naam. Haar naam.
Ik ken die naam. Ik ken die naam veel te goed. Ik heb die naam vaak gezegd. Ik heb die naam vaak geroepen. Ik heb die naam vervloekt. Ik heb gejankt om die naam. Om jouw naam.
Toen ik hem las liepen de rillingen over mijn rug. Hoe diep kan pijn zitten. Je denkt dat je het kwijt bent, dat je er overheen bent. Nou vergeet het maar. Als een bestraald kankergezwel circuleert ze door mijn lichaam. Het gezwel is dood maar is niet verwijderd. Tot stilstand gebracht. Een glasscherf in je hoofd die ze niet weg willen halen. Die ze niet weg kunnen halen. Het gevaar van onherstelbare schade aan vitale delen. Eén millimeter naar rechts en het is gebeurd. Ik heb het vaak gedacht. Schiet maar uit met dat mes, dan is het over. Dan ben ik er van af.
"Mijn ouders willen je zien."
Die nacht vrijen we voor het eerst niet. Het was toch een geintje? We zijn niet plus en min, we zijn dubbel plus en dubbel min. Alles wat zij is, ben ik niet. Alles wat ik heb, heeft zij niet. We zijn samen één grote grap. We zijn verliefd. Het enig gemeenschappelijke. Het enige dat telt.
In tijd kan veel gebeuren. De tijd bracht haar man en kind. De tijd bracht mij een andere baan, een ander café, groepstherapie en losse flodders. Losse flodders voor de schutters, voltreffers in mijn gedachten. Ieder schot een nieuwe zenuwinzinking. De psychotherapie op zich was een lachertje. We zaten er met acht personen. Zes meiden, een jongen en ik. Leuke meiden. De jongen was net werkloos en wist niet wat hij met zijn leven aan moest. Afhankelijkheid van werk. Werk wordt onderschat. Je moet wat te doen hebben anders verveel je jezelf dood. Dus neem een kind of ga aan het werk. Werk is levensvulling.
"Het is toch uit?"
De vraag blijft hangen boven de bar. Haar ogen geven het antwoord. Ogen liegen niet. Daarom heb ik een hekel aan zonnebrillen. Wie zijn ogen verbergt heeft meer te verbergen.
"Ik begrijp helemaal niets van jullie twee."
Wijzelf nog minder.
Ik zat alleen maar naar de meiden te kijken. Zoals gewoonlijk zei ik niet veel. Er zaten mooie exemplaren tussen. Mooi en nog leuk ook. Verward waren we, daarom zaten we daar. Verwarring was de bindende factor. Groepstherapie is niets meer dan gelijkgestemden bij elkaar zetten en naar elkaar laten kijken. De herkenning werkt heilzaam. Ik ben niet de enige. Met die gedachte loop je weer naar buiten.
"Ik heb het koud."
Ik kom thuis. Bij haar thuis. Zondagnacht. Zij is altijd vrij op zondag, ik draai de avonddienst. Na het werk even snel naar snackbar De Prins. Versgebakken pistoletjes halen. Kaas voor haar, filet american voor mijzelf. En voor allebei een milkshake. Het huis is donker, de slaapkamer leeg. Ik vind haar onder de douche. Zittend. Haar armen om haar benen heengeslagen, haar lijkwitte gezicht verborgen tussen haar knieën. Haar lichaam versierd door rode striemen van het kokend hete water. Rillend van de kou. Ik laat de broodjes vallen en ga zonder mijn kleren uit te trekken bij haar zitten. Met mijn handen masseer ik haar rug, haar armen. Wanhopig probeer ik haar bloeddoorstroming weer op gang te brengen. Mijn tranen vermengen zich met de onuitputtelijke straal water.
"Waarom heb ik het zo koud?"
We moesten ons voorstellen. Wat we deden, waarom we hier zaten. Nummer drie zei dat ze in de fabriek werkte. In dezelfde fabriek als waar ik werk. Man, huis en baan. Wat wil je nog meer? Luxeproblemen. Toen ze de andere verhalen had gehoord, schaamde ze zich. Dat ze met haar probleempje bij deze club, tussen deze mensen zat. Ze was na de eerste sessie al genezen.
"Kut. Mijn moeder staat voor de deur."
We hebben nog niet eens geslapen. Na eerst de onophoudelijke deurbel te hebben genegeerd gaat nu ook haar mobiel af. De nummerweergave zegt genoeg. Ze neemt op. Ik zie het probleem niet, alleen dat al onze kleren verspreid door het huis liggen. Ik vind het leuk als meisjes kut zeggen.
"Ze weet niet dat jij hier bent."
Nou, over een minuut dus wel. Dat haar moeder langskwam om haar op te vangen in verband met vermeend liefdesverdriet begreep ik later pas. Er was een dag retail-therapie gepland.
"Moet ik haar zoenen?"
"Nee, je moet met mij zoenen."
Ik kreeg eerst drie persoonlijke gesprekken. Dan zou gekeken worden wat het beste bij me zou passen. Meneer de psycholoog wroette wat in mijn verleden. Ik beantwoordde netjes alle vragen zodat we op de verkeerde weg belandden. Ik zat nog in mijn ontkenningsfase en draaide behoedzaam om de kern heen. Groepstherapie zou het moeten doen. Whatever. Als er maar wat gebeurt, het maakte mij niet uit wat. Het was een leuke club. Tegen het eind van cyclus zijn we op eigen houtje uit eten gegaan. De psycholoog wist van niets. ABC-tje. De groep neemt afstand van de therapeut en geeft aan weer op eigen benen te kunnen staan.
"Viel het mee?"
Haar verjaardag. Ik overleef familie en vrienden. Haar stem komt uit het gangetje. Ze staat zich mooi te maken, we gaan met zijn tweeën uit eten. Zij paasbest. Ik heb geen schone kleren bij me en loop in mijn horecaoutfit van de vorige avond. Het uiterlijk contrast niet groter denkbaar, innerlijk dichter bij elkaar dan ooit. Het wordt onze beste avond. Langzaam krijg ik het gevoel dat het echt wat gaat worden.
Nummer vier had problemen met haar moeder. Labiel type. Allebei trouwens. Ellenlange reproducties van discussies en gesprekken passeerden onze revue. Steevast beginnend en eindigend met: mijn moeder begrijpt me niet. De appel valt niet ver van de boom. Ik heb haar uitgelegd wat projectie is. Ze kreeg een recept voor de apotheek mee.
"Bij twijfel altijd doen."
Met die woorden versierde ze me ooit. We staan op Schiphol. Twee bruisende meiden, de ouders en ik. In de periode voor het vertrek zijn we weer naar elkaar toegetrokken. Zij zocht houvast, ik probeerde te redden wat er te redden viel. De laatste week verbleef ze bij mij thuis. Onwerkelijke dagen. Waanzinnige nachten. Wrede nachten. Waanzinnige, wrede sex. Het was geen houden van, het was pure wanhoop. Ik wilde haar pijnigen. Ik wilde haar openrijten, openscheuren. Dat ze gedurende haar reis niemand toe zou kunnen laten zonder aan mij te denken. Zodat ze bij iedere volgende penetratie aan mij herinnerd zou worden. Ze neemt afscheid van haar ouders. Dan komt ze naar mij toe en we lopen naar de douane. Twee meter voor de toegangspoorten blijven we staan. We kijken elkaar aan. Haar handen wurmen zich onder mijn kleding door naar mijn rug. Mijn drijfnatte rug. Ze wrijft het zweet uit, voor de laatste keer laat ze mijn lichaamsgeur in haar handen trekken. Heel voorzichtig brengen we onze lippen bij elkaar. Een maagdelijke kus, alsof het onze eerste is. We eindigen zoals we ooit zijn begonnen. Ik kijk naar haar steeds vochtiger wordende ogen. Ik beweeg mijn hoofd naar voren en zuig zachtjes het traanvocht op. Ik wil nog wat zeggen maar mijn stem is weg. Een onsamenhangend geluid komt uit mijn keel vandaan. Ze begint te schokken en ze laat me los. Ze draait zich om en loopt met gebogen hoofd door de poortjes naar de douane. Versteend kijk ik haar na. Ik zeg het nog een keer maar ik ben de enige die het hoort. Bij twijfel niet doen.
"We landen morgen op Schiphol. Maar wil je alsjeblieft niet komen?"
Nummer vijf was er voor de derde keer. Een terugslag dwong haar tot een nieuwe poging. Ik vond haar rijp voor een psychiater, volgens mij had ze medicijnen nodig. Waanzinnig verhaal. Ze had het uitgemaakt. Hij moest weg. Ze wilde zonder hem verder. Hij wilde niet weg. Hij wilde niet verder zonder haar. ’s Avonds was hij langsgekomen. Ze stond op de trap, hij kwam binnen en knielde op de onderste trede. Trok een pistool tevoorschijn. Schreeuwend: is dit dan wat je wil? Ze kon niets zeggen. Ze wilde niets zeggen. Nooit op dreigementen ingaan, jezelf nooit laten chanteren. Dat zal hij nooit doen. Dacht ze. Hij schoot. Nadat hij de loop van het pistool in zijn mond had gestoken.
"Ze is bij ons."
Ze is terug. Ze is ziek. Ze is bij haar ouders. Ik mag haar niet zien. Of mag ze mij niet zien? Wil ze mij niet zien? Kan ze mij niet zien? Ik had de grens bereikt.
Nummer zes was de leukste. Niet de mooiste, dat werd ze later pas, toen ik haar echt leuk begon te vinden. Alleenstaand, twee worpen. Hij ging vreemd. Hij zou het niet meer doen. Hij wilde werken aan zijn huwelijk. Ze maakten nog een kindje. De tweede worp zou het huwelijk moeten redden. Terwijl zij zwanger lag te zijn, lag hij bovenop het meisje dat ze in dienst hadden. De bevalling deed ze alleen. Hij was ondertussen bij het meisje ingetrokken. De zakelijke afwikkeling van de echtscheiding bracht haar in ons midden, in ons praatclubje.
"We kunnen een stukje met de honden gaan lopen."
Mijn stem. Geluidloos. Uiteindelijk mag ik langskomen. Ze is toonbaar. We zitten buiten op het terras, binnen het blikveld van de ouderlijke gestapo. Gedrogeerd zit ze tegenover me. Het is warm. Haar gezicht is vochtig. De openstaande schuifdeuren smoren iedere poging tot conversatie. Ze staart voor zich uit, weigert me aan te kijken. Haar ogen volgen de bewegingen van één van de honden. Het beest legt zich hijgend aan haar voeten. Automatisch legt ze haar hand op zijn kop en buigt ze haar hoofd naar voren. Het beest richt zijn kop omhoog en likt het zout van haar gezicht. De gestapo beantwoordt mijn vraag door in de deuropening te gaan staan. Ik sta op en pak mijn jas. Ik aai voorzichtig haar nog steeds gebogen hoofd en steek mijn hand op richting de schuifdeuren. Bij het tuinhek aangekomen hoor ik haar stem. Toen knapte het. In mijn hoofd. De genadeklap.
Ik moest ook vertellen waarom ik er zat. Wat deed ik hier eigenlijk?
Jouw naam. Opteren voor waanzin kan slechts een houding zijn, nooit een keuze. Gedachtestromen zijn niet te beïnvloeden. Waanzin overkomt, overvalt, overruled. Hoe een naam een eigen leven gaat leiden, een naam boven de persoon uitstijgt waaraan zij toebehoorde. Een naam meer dan een persoon. Een persoon die je gedachten uiteindelijk verlaat, mits er maar genoeg cement overheen is gegaan. Een naam die blijft rondsluimeren, een naam die de waanzin van dat moment vertegenwoordigt, een naam die door de waanzin van dat moment je terugbrengt in de roes. De roes waar de naamgever allang uit is vertrokken. Geen obsessie van vlees en bloed maar de obsessie van een woord, een naam. Jouw naam. Jouw naam die je een gezicht geeft. Jouw naam die me terug in de tijd zet. Jouw naam die mij op mijn knieën kreeg. Jouw naam die na een halve fles whisky nog niet was verdwenen. Jouw naam die een verboden woord was geworden. Jouw naam die jou háár gezicht geeft.
Jouw naam. Haar naam.
14 November 2005
Spoel
Of ik verdoving wil. Nee vriend, zo makkelijk verdien je je geld niet. Ik wil geen verdoving. Ik wil genieten van de boor. Van het gewroet in het uitgeholde glazuur. Ik wil de zenuw voelen die je blootlegt. De tinteling tot aan mijn tenen wanneer je de binnenkant schoon spuit en de ontwaakte zenuw zijn verblijfplaats verraad.
Hij was niet eens rot. Er zat niet eens een gaatje in. Er brak een hoekje vanaf. Zomaar. Sterke tong denk ik dan maar.
Of ik wil spoelen. Een rochel van bloed vermengd met zwarte puntjes verlaat mijn mond. Kiezen kunnen niet bloeden. Waar heeft hij allemaal aangezeten? Oude vulling, voor nieuwe gebruiken ze al jaren wit opvulsel. Een sliert kwijl blijft aan mijn mond hangen, ik schraap mijn keel en trek de groene ochtendsigaretpit omhoog. Onder de douche zie ik mijn rochels nooit. De wit porseleinen spuugbak is meedogenloos eerlijk.
De finesseboor komt erbij. Het subtiele werk begint. De subtiele pijn ook. Geniepig draait hij rondjes in de uitgeholde kies. Mijn onderlip begint te trillen.
Ik tover een gezicht tevoorschijn. Jouw gezicht. Jouw gezicht dat ik te lang niet heb gezien. Het gaat snel. Ik probeer jouw gezicht te verdrijven door een ander gezicht voor de geest te halen. Even zie ik twee andere ogen, een andere mond, een andere glimlach. Blonde haren over haar wangen. Even, heel even maar. Want jouw gezicht drukt er doorheen, dringt zich op. Haar ogen worden jouw ogen. Haar mond wordt jouw mond. Haar blonde lokken jouw zwarte krullen. Haar gezicht wordt jouw gezicht. Jouw gezicht dat ik te lang niet heb vastgehouden.
Het zwarte shirt waar ik je in uit kan tekenen gaat omhoog en omlaag. Je speelt meisje. Of ik ze niet te klein vind. Nee lief. Ze zijn precies goed. Je giechelt. Je tuit je lippen en kust in de lucht. Dan buig je jezelf naar voren en breng je gezicht naar het mijne. Ik sluit mijn ogen.
"Spoel maar. Het is klaar."
Nee. Het is nog lang niet klaar. Ik spoel terug.
Hij was niet eens rot. Er zat niet eens een gaatje in. Er brak een hoekje vanaf. Zomaar. Sterke tong denk ik dan maar.
Of ik wil spoelen. Een rochel van bloed vermengd met zwarte puntjes verlaat mijn mond. Kiezen kunnen niet bloeden. Waar heeft hij allemaal aangezeten? Oude vulling, voor nieuwe gebruiken ze al jaren wit opvulsel. Een sliert kwijl blijft aan mijn mond hangen, ik schraap mijn keel en trek de groene ochtendsigaretpit omhoog. Onder de douche zie ik mijn rochels nooit. De wit porseleinen spuugbak is meedogenloos eerlijk.
De finesseboor komt erbij. Het subtiele werk begint. De subtiele pijn ook. Geniepig draait hij rondjes in de uitgeholde kies. Mijn onderlip begint te trillen.
Ik tover een gezicht tevoorschijn. Jouw gezicht. Jouw gezicht dat ik te lang niet heb gezien. Het gaat snel. Ik probeer jouw gezicht te verdrijven door een ander gezicht voor de geest te halen. Even zie ik twee andere ogen, een andere mond, een andere glimlach. Blonde haren over haar wangen. Even, heel even maar. Want jouw gezicht drukt er doorheen, dringt zich op. Haar ogen worden jouw ogen. Haar mond wordt jouw mond. Haar blonde lokken jouw zwarte krullen. Haar gezicht wordt jouw gezicht. Jouw gezicht dat ik te lang niet heb vastgehouden.
Het zwarte shirt waar ik je in uit kan tekenen gaat omhoog en omlaag. Je speelt meisje. Of ik ze niet te klein vind. Nee lief. Ze zijn precies goed. Je giechelt. Je tuit je lippen en kust in de lucht. Dan buig je jezelf naar voren en breng je gezicht naar het mijne. Ik sluit mijn ogen.
"Spoel maar. Het is klaar."
Nee. Het is nog lang niet klaar. Ik spoel terug.
02 November 2005
She cameleon
Ze loopt langs mijn bureau en kijkt over mijn schouder naar het computerscherm.
"Wat een kleine lettertjes. Zeker omdat het geheim is."
Klopt. Het gaat over jou.
Ze krijgt nog steeds een kleur wanneer we elkaar zien. Dan begint ze te blozen en buigt haar hoofd naar beneden. Haar ogen naar de grond gericht. Ze zegt verder weinig, eigenlijk zegt ze helemaal niets meer tegen me. Hoe negeren een obsessie alleen maar versterkt.
Negeer me en de obsessie wordt alleen maar erger. Onbereikbaar is niet erg, dat is duidelijk, ik ken mijn plaats ondertussen. Onaanspreekbaar is veel erger. Ik mailde haar dat ik mezelf zou gedragen, dat doe ik dan ook. Ik maak nooit loze beloften.
Het zijn haar eerste woorden sinds ze me afwees voor een lunch. Afwees voor haar leven.
Ze is aangekomen. Ze kan het hebben. Die kop vergoedt alles. Nooit eerder zag ik puurder natuur. Rode wangetjes, altijd rode wangetjes tegen een te witte achtergrond. Schoenen die haar niet staan, een broek die niet bij haar past. Status verplicht maar het is het net niet. Daarom vind ik haar zo leuk. Omdat het net niet is.
Ooit had ze fotoboeken bij zich. Eindelijk had ze alle babyfoto’s ingeplakt en medemoeders van de kantoortuin mochten kijken. Babyfoto’s die haar bijna de W.A.O. injaagden. Gecompliceerde zwangerschap noemen ze dat bij de Arbo-dienst. Of ik haar kleine levensvervulling ook wil zien. Natuurlijk wil ik dat. Waar het nieuwe leven wordt gefotografeerd kan de moeder nooit ver weg zijn. Het boek wordt opengeslagen en ik voyeur haar leven binnen. Ik kijk niet naar haar levensvervuiler. Ik kijk naar hun huis. Hun keuken. Hun woonkamer. Hun slaapkamer. Ik kijk naar haar leven.
Ik kijk naar haar. Ik zie hem.
"Die moet ik hebben," antwoordde ze toen ik haar vroeg hoe ze hem had leren kennen.
"Je zag hem staan en toen ..."
Ze onderbreekt me.
"En toen heb ik hem gekregen."
Na de babyfoto’s volgen de vakantiefoto’s. Ik blader door en beleef de vakantie van het pril uitgebreide gezinnetje. Zo kan het dus ook. Ik zag het nooit voor me, mezelf in zo’n positie. Ik houd helemaal niet van vakantie. Nu zie ik hem staan en wil ik daar staan. Wil ik met haar op vakantie zijn.
Ik klik het worddocument weg en ze kijkt verrast naar mijn desktop.
"Is dat je vriendin?"
Nee. Dat is een foto van een mooie dag. Een vriendin voor één dag is geen vriendin.
Die heerlijke zelfgebreide truitjes. Waarom vind ik dat zo leuk? Ik zie voor me hoe ze, ’s avonds op de bank, terwijl manlief voetbal kijkt en zijn blikjes bier weg tikt, breiend en wel de avond doorbrengt. Hoe het voetbalcommentaar het getik van haar breinaalden overstemt.
Hoe hij haar leven overstemt.
"Wat een kleine lettertjes. Zeker omdat het geheim is."
Klopt. Het gaat over jou.
Ze krijgt nog steeds een kleur wanneer we elkaar zien. Dan begint ze te blozen en buigt haar hoofd naar beneden. Haar ogen naar de grond gericht. Ze zegt verder weinig, eigenlijk zegt ze helemaal niets meer tegen me. Hoe negeren een obsessie alleen maar versterkt.
Negeer me en de obsessie wordt alleen maar erger. Onbereikbaar is niet erg, dat is duidelijk, ik ken mijn plaats ondertussen. Onaanspreekbaar is veel erger. Ik mailde haar dat ik mezelf zou gedragen, dat doe ik dan ook. Ik maak nooit loze beloften.
Het zijn haar eerste woorden sinds ze me afwees voor een lunch. Afwees voor haar leven.
Ze is aangekomen. Ze kan het hebben. Die kop vergoedt alles. Nooit eerder zag ik puurder natuur. Rode wangetjes, altijd rode wangetjes tegen een te witte achtergrond. Schoenen die haar niet staan, een broek die niet bij haar past. Status verplicht maar het is het net niet. Daarom vind ik haar zo leuk. Omdat het net niet is.
Ooit had ze fotoboeken bij zich. Eindelijk had ze alle babyfoto’s ingeplakt en medemoeders van de kantoortuin mochten kijken. Babyfoto’s die haar bijna de W.A.O. injaagden. Gecompliceerde zwangerschap noemen ze dat bij de Arbo-dienst. Of ik haar kleine levensvervulling ook wil zien. Natuurlijk wil ik dat. Waar het nieuwe leven wordt gefotografeerd kan de moeder nooit ver weg zijn. Het boek wordt opengeslagen en ik voyeur haar leven binnen. Ik kijk niet naar haar levensvervuiler. Ik kijk naar hun huis. Hun keuken. Hun woonkamer. Hun slaapkamer. Ik kijk naar haar leven.
Ik kijk naar haar. Ik zie hem.
"Die moet ik hebben," antwoordde ze toen ik haar vroeg hoe ze hem had leren kennen.
"Je zag hem staan en toen ..."
Ze onderbreekt me.
"En toen heb ik hem gekregen."
Na de babyfoto’s volgen de vakantiefoto’s. Ik blader door en beleef de vakantie van het pril uitgebreide gezinnetje. Zo kan het dus ook. Ik zag het nooit voor me, mezelf in zo’n positie. Ik houd helemaal niet van vakantie. Nu zie ik hem staan en wil ik daar staan. Wil ik met haar op vakantie zijn.
Ik klik het worddocument weg en ze kijkt verrast naar mijn desktop.
"Is dat je vriendin?"
Nee. Dat is een foto van een mooie dag. Een vriendin voor één dag is geen vriendin.
Die heerlijke zelfgebreide truitjes. Waarom vind ik dat zo leuk? Ik zie voor me hoe ze, ’s avonds op de bank, terwijl manlief voetbal kijkt en zijn blikjes bier weg tikt, breiend en wel de avond doorbrengt. Hoe het voetbalcommentaar het getik van haar breinaalden overstemt.
Hoe hij haar leven overstemt.
24 October 2005
Fragment
"Bier en een jägermeister. En jij?"
"Baileys. Met ijs."
Ze komt alleen binnen. Ik vraag waar de rest is. Ze vertelt dat ze iedereen is kwijtgeraakt. Bewust? Ze schuift aan bij de harde kern aan de grote tafel en wacht tot het sluitingstijd is. Wacht tot het haar tijd is.
Ik word te vroeg wakker. Geen kater maar een stekende pijn in mijn ribbenkast. Daar raakte ik mijn stuur dus. Hoe ik ook ga liggen, elke houding veroorzaakt een nieuwe pijnscheut.
Op de hoek van de bar zit een pubermeisje. Ze vraagt pen en papier en duwt even later een briefje in mijn handen. Zo gaat dat. De puberteit is mooier als je twee keer de pubertijd hebt overschreden. Aan het andere eind van de bar zit Blond met vriend. Lichaamstaal: zij open, hij gesloten. Ik kwam hem laatst tegen in Paradiso en bood hem een biertje aan. Ik had iets goed te maken. Ik geloof niet dat zij hem heeft verteld wat.
Het verschuiven van de bierfusten jaagt de eerste pijnscheuten door mijn ribbenkast. Beginnerstikje. Ik leg één hand in mijn nek en pak met de andere hand een fust. Kom maar jongen. Ik buig door mijn knieën en kom langzaam omhoog. Het fust kantelt en balanceert op de ronde rand aan de onderkant. Wat moet je nou? Ik strek mijn rug en het fust komt los van de grond. Mijn borstkas zet uit, de steken beginnen onderaan, verdwijnen via mijn oksel naar mijn rug. Tot tien tellen. Wat je ook moet doen wanneer je geen haal van je sigaret kunt nemen en je jezelf moet inhouden om erger te voorkomen. Ik tel, mijn arm begint te trillen, aderen zwellen op. Het fust verliest.
Een obsessie van drie jaar geleden gaat aan de bar zitten. De obsessie verdween toen ze zichzelf, stomdronken, aan me opdrong. Iedereen was weg, het café was leeg, en ik kreeg haar met geen mogelijkheid naar buiten. Ze moest en zou me hebben. Dronken mensen, zeker vrouwen, hebben iets aandoenlijks maar dit was geen aandoenlijkheid meer. Dit was gewoon stom alcoholisme en bij gebrek aan beter, überhaupt bij gebrek aan iemand, volledig gefixeerd op de barkeeper. Niet voor rede vatbaar. Of ze mooi is. Ja, je bent mooi. Of haar lichaam er nog goed uitziet voor haar leeftijd. Ja, je lichaam ziet er nog goed uit voor je leeftijd. Ze had het beter kunnen relateren aan de hoeveelheid drank die haar slokdarm de afgelopen jaren heeft verwerkt. Aan de hoeveelheid vlees die haar dijen de afgelopen jaren naar binnen hebben gewerkt.
"Hoe gaat het met je?"
Ze willen helemaal niet weten hoe het met je gaat. Ze hopen er alleen maar op dat je de beleefdheid bezit de verplichte wedervraag te stellen. Zodat ze zelf kunnen vertellen wat ze kwijt willen. Je vroeg er toch naar? Dan moet je luisteren ook.
Een verlangen naar verpleging maar het aangebodene afwijzen. Niemand willen zien. Niemand kunnen zien. Mezelf aan niemand willen laten zien. Niemand mag me zo zien. Lege kasten. Beschimmeld brood kun je best roosteren. Koffie en een slof sigaretten, die had ik nog net op tijd gehaald. Wat doen cafeïne en nicotine eigenlijk met je hoofd? Dokter?
"Hoe is het eigenlijk met je liefdesleven?"
Een vraag die mensen stellen wanneer ze over hun eigen liefdesleven willen praten. Niet jouw verhaal interesseert ze, welnee, ze willen zelf lekker lozen over hun nieuwe verworven ossenworst.
Dagen, nachtenlang surfen. Kijken, lezen, absorberen. De porno werkt niet. Ik heb niet eens zin om te rukken. Ook al zou ik zin hebben, het kan niet eens. Daar ben ik in elk geval van af. Obsessief loggedrag. Hoe druk kun je jezelf maken over een website. Misschien toch een rode maken? Waar zit die bloedrode kleur? En wat doe ik met de kopfoto? Wat doe ik met mijn muze? De laatste format C kostte me het meisje met het roze haar. Binnen vijf minuten heb ik haar weer gevonden. Mijn geheugen is nog niet aangetast. Valt ook niet aan te tasten. Mijn lichaam begeeft het eerder dan mijn hoofd. Weblogs uitspitten. De reden waarom er singlereizen zijn uitgevonden spat van het scherm. Laat maar zitten. Open dirren blootleggen. Kijk, dat is nou eens een inkijk in het leven van mensen. Dit is het ultieme voyeurisme.
"Goed. Erg goed."
Vooral dat woordje erg doet het hem. Bij ossenworst moet je altijd het velletje verwijderen. Na opening beperkt houdbaar. Minder dan een dag. Erg bederfelijk. Ik wil helemaal niet weten hoe het met je gaat. Ik kan het niet meer horen. Je hebt het bedorven. Je bent bedorven.
Wit. Het ziekenhuis waarin ik me mentaal bevond? Steriele lakens. Verpleegstersuniformen. De rode lijnen als de kruisjes. Dunne, magere lijnen. De magere bloedtoevoer. Een verlangen naar reinheid? Schoon schip maken? De gif-afbeelding omdat ik wil schoppen maar het niet kan? Wie houdt me tegen? Wat houdt me tegen? En waarom houdt het me tegen? Hoe een fysieke aanslag de mentale kwetsbaarheid blootlegt. Ik kan er niet tegen wanneer mijn lichaam het begeeft.
"Mag ik de rekening?"
Dat wil ik horen. En neem die vellen mee.
Ik lijk gvd wel een wijf. Deze rok? Maar daar passen die schoenen niet bij. Streepje hier, gifje daar. Meer rood, nee minder. Alles wit en alleen zwarte tekst. Kaal. Kaler. Kaalst. Ziek. Zieker. Ziekst. Dood heeft geen overtreffende trap. Morsdood is ook dood.
Zwanger en Zwanger komen binnen. Twee jaar lang iedere vrijdag als een stel hormoonbommen aan de bar. Dertig plus, dan krijg je dat. Flirten, praten, drinken, neem zelf ook wat. Verkapte gezelligheid. Ik mag de verhalen aanhoren. Over het zoeken, over de probleempjes met hem, over de problemen van haar. Anybody will do. Hoe is het eigenlijk met jouw liefdesleven? Ik doe niet aan liefdesleven want dan had ik hier niet gestaan. Uiteindelijk hebben ze er allebei eentje mee naar huis gekregen. Eerst buiten een beetje bekken, lachen om de verplichte fietsverlichting. Met een dronken kop is het moeilijk om de lampjes aan de fiets te bevestigen. Kan daar niet eens iemand op af studeren? Aankloppen bij het ondertussen schoongemaakte café want er moet toch nog even een wc worden bezocht. Wie nam ik ook alweer mee naar huis? O ja, hij daarbuiten. Het gaat maar om één ding.
Dagen, nachtenlang muziek. Waanzinnige muziek. Koptelefoon op voor een nog intensere beleving. Het volume zo hard dat ik mezelf niet meer kan horen denken. Dat ik überhaupt niet meer kan denken. Rust. Eindelijk. Verdrinken in de muziek. De muziek die uit mijn leven is verdwenen.
Altijd aan de bar, nooit aan een tafel. Met mensen aan een tafel heb je geen contact. Een volle bar is leuker dan een vol café. Zwanger kwam ook vaak alleen. Ik dronk met haar mee, ondanks de verplichte geheelonthouding onder werktijd. Hoek van de bar, leunend op haar ellebogen. Haar toekomstige melkfabriek onontkoombaar onder mijn neus duwend.
Slapen is geen optie want liggen is geen optie. In wat voor een roes beland je dan? Rondjes lopen. Douchen. Douchen is goed. Douchen is lekker. Hoe heter hoe beter. Wanneer is lang douchen schadelijk? De zo wenselijke rugmassage. De broodnodige verzachting van de spieren. De douchestraal als twee masserende handen. De broodnodige verwarming. De broodnodige omarming. Hoe beschimmeld ook.
Mijn muze gaat aan de bar zitten en rolt met haar ogen.
"Ik ben dronken en dus ontoerekeningsvatbaar."
Ik zet een biertje voor haar neer en laat haar alleen. De armbeweging onder de bar van de jongen naast haar zegt genoeg. Ik loop naar de vriezer en schenk mezelf een borrel in. Ik hoef niet meer voor haar te zorgen.
Ik ben niet jaloers. Ik houd wel van verkapte gezelligheid. Mijn computer zegt niets terug. Ik ben twee klanten kwijt. Een klant is potentie en ik ben te koop. Elke klant is een potentiële koper.
Verkoudheid heerst. Iedereen wordt een beetje ziek. Gelul. Iedereen is per definitie ziek. Gedimde lampen, veel drank. Een alcoholroes in een schemergebied van geblaat en sigarettenrook. Beperkte blikvelden. Dan valt het minder op. Geen facial wanneer je last hebt van brandende ogen. Wacht met de gordijnen open doen totdat de ander de ochtendurine verwijdert. Gordijnen moet je sowieso nooit open doen. Dan zien mensen teveel. Je moet niet alles laten zien. Je moet niet alles willen zien.
Haar tijd is gekomen. Het is sluitingstijd geweest. De gordijnen dicht, onze drank onaangeroerd op de bar. Ze zakt door haar knieën. Ik pak haar bij haar schouders en trek haar omhoog. Ik lijk op hem, hij deed ooit hetzelfde. Het beangstigt haar dat zonder zaadlozende bevestiging iemand van haar kan houden. Ik til haar aan haar billen omhoog en zet haar op de bar. Instinctief spreidt ze haar benen.
Vaste waarden zijn vervangen door variabelen. De constante factor is verdwenen. Legio oplossingen, de uitkomst hetzelfde. Terugvallen op oude waarden is een gebrek aan daadkracht en realiteitszin. Wat je niet bezit kun je niet verliezen. Het tegenovergestelde van aftakelen is toetakelen.
"Ik ga je pijn doen."
Het spel als fragment van een fragmentatiebom. Onherstelbare schade, die zet je niet meer terug in elkaar. Liefdessap is liefdesgif. Daar kan geen chemokuur tegenop.
Op de Amstelveenseweg nemen we afscheid. Ik krijg een vreemd voorgevoel. Voorgoed? Ze is stil. Aanhankelijk zonder woorden, ze laat me niet los. Was dit de laatste keer? Ik sla linksaf, zij loopt rechtdoor. Het is druk op straat, ik heb moeite met me te concentreren op de weg. Bij de Koninginneweg vallen mijn ogen dicht. Dit gaat fout. Ik stap af en loop met mijn fiets aan de hand verder. Bij de kruising met de Zeilstraat ga ik op de grond zitten en rook een sigaret. De hoeveelste? Ik begin te zweven. Wat is dit voor leven? Een veel te warme septemberzon, ik moet ergens binnen gaan zitten. Om de hoek zit het Haarlemmermeerstation. Broodje Jaap is open. De stamtafel gevuld met kettingrokend oud en verbitterd. Hun tijd is geweest. Ik schuif bij ze aan, de legging vraagt wat ik wil drinken.
"Koffie alsjeblieft."
"Baileys. Met ijs."
Ze komt alleen binnen. Ik vraag waar de rest is. Ze vertelt dat ze iedereen is kwijtgeraakt. Bewust? Ze schuift aan bij de harde kern aan de grote tafel en wacht tot het sluitingstijd is. Wacht tot het haar tijd is.
Ik word te vroeg wakker. Geen kater maar een stekende pijn in mijn ribbenkast. Daar raakte ik mijn stuur dus. Hoe ik ook ga liggen, elke houding veroorzaakt een nieuwe pijnscheut.
Op de hoek van de bar zit een pubermeisje. Ze vraagt pen en papier en duwt even later een briefje in mijn handen. Zo gaat dat. De puberteit is mooier als je twee keer de pubertijd hebt overschreden. Aan het andere eind van de bar zit Blond met vriend. Lichaamstaal: zij open, hij gesloten. Ik kwam hem laatst tegen in Paradiso en bood hem een biertje aan. Ik had iets goed te maken. Ik geloof niet dat zij hem heeft verteld wat.
Het verschuiven van de bierfusten jaagt de eerste pijnscheuten door mijn ribbenkast. Beginnerstikje. Ik leg één hand in mijn nek en pak met de andere hand een fust. Kom maar jongen. Ik buig door mijn knieën en kom langzaam omhoog. Het fust kantelt en balanceert op de ronde rand aan de onderkant. Wat moet je nou? Ik strek mijn rug en het fust komt los van de grond. Mijn borstkas zet uit, de steken beginnen onderaan, verdwijnen via mijn oksel naar mijn rug. Tot tien tellen. Wat je ook moet doen wanneer je geen haal van je sigaret kunt nemen en je jezelf moet inhouden om erger te voorkomen. Ik tel, mijn arm begint te trillen, aderen zwellen op. Het fust verliest.
Een obsessie van drie jaar geleden gaat aan de bar zitten. De obsessie verdween toen ze zichzelf, stomdronken, aan me opdrong. Iedereen was weg, het café was leeg, en ik kreeg haar met geen mogelijkheid naar buiten. Ze moest en zou me hebben. Dronken mensen, zeker vrouwen, hebben iets aandoenlijks maar dit was geen aandoenlijkheid meer. Dit was gewoon stom alcoholisme en bij gebrek aan beter, überhaupt bij gebrek aan iemand, volledig gefixeerd op de barkeeper. Niet voor rede vatbaar. Of ze mooi is. Ja, je bent mooi. Of haar lichaam er nog goed uitziet voor haar leeftijd. Ja, je lichaam ziet er nog goed uit voor je leeftijd. Ze had het beter kunnen relateren aan de hoeveelheid drank die haar slokdarm de afgelopen jaren heeft verwerkt. Aan de hoeveelheid vlees die haar dijen de afgelopen jaren naar binnen hebben gewerkt.
"Hoe gaat het met je?"
Ze willen helemaal niet weten hoe het met je gaat. Ze hopen er alleen maar op dat je de beleefdheid bezit de verplichte wedervraag te stellen. Zodat ze zelf kunnen vertellen wat ze kwijt willen. Je vroeg er toch naar? Dan moet je luisteren ook.
Een verlangen naar verpleging maar het aangebodene afwijzen. Niemand willen zien. Niemand kunnen zien. Mezelf aan niemand willen laten zien. Niemand mag me zo zien. Lege kasten. Beschimmeld brood kun je best roosteren. Koffie en een slof sigaretten, die had ik nog net op tijd gehaald. Wat doen cafeïne en nicotine eigenlijk met je hoofd? Dokter?
"Hoe is het eigenlijk met je liefdesleven?"
Een vraag die mensen stellen wanneer ze over hun eigen liefdesleven willen praten. Niet jouw verhaal interesseert ze, welnee, ze willen zelf lekker lozen over hun nieuwe verworven ossenworst.
Dagen, nachtenlang surfen. Kijken, lezen, absorberen. De porno werkt niet. Ik heb niet eens zin om te rukken. Ook al zou ik zin hebben, het kan niet eens. Daar ben ik in elk geval van af. Obsessief loggedrag. Hoe druk kun je jezelf maken over een website. Misschien toch een rode maken? Waar zit die bloedrode kleur? En wat doe ik met de kopfoto? Wat doe ik met mijn muze? De laatste format C kostte me het meisje met het roze haar. Binnen vijf minuten heb ik haar weer gevonden. Mijn geheugen is nog niet aangetast. Valt ook niet aan te tasten. Mijn lichaam begeeft het eerder dan mijn hoofd. Weblogs uitspitten. De reden waarom er singlereizen zijn uitgevonden spat van het scherm. Laat maar zitten. Open dirren blootleggen. Kijk, dat is nou eens een inkijk in het leven van mensen. Dit is het ultieme voyeurisme.
"Goed. Erg goed."
Vooral dat woordje erg doet het hem. Bij ossenworst moet je altijd het velletje verwijderen. Na opening beperkt houdbaar. Minder dan een dag. Erg bederfelijk. Ik wil helemaal niet weten hoe het met je gaat. Ik kan het niet meer horen. Je hebt het bedorven. Je bent bedorven.
Wit. Het ziekenhuis waarin ik me mentaal bevond? Steriele lakens. Verpleegstersuniformen. De rode lijnen als de kruisjes. Dunne, magere lijnen. De magere bloedtoevoer. Een verlangen naar reinheid? Schoon schip maken? De gif-afbeelding omdat ik wil schoppen maar het niet kan? Wie houdt me tegen? Wat houdt me tegen? En waarom houdt het me tegen? Hoe een fysieke aanslag de mentale kwetsbaarheid blootlegt. Ik kan er niet tegen wanneer mijn lichaam het begeeft.
"Mag ik de rekening?"
Dat wil ik horen. En neem die vellen mee.
Ik lijk gvd wel een wijf. Deze rok? Maar daar passen die schoenen niet bij. Streepje hier, gifje daar. Meer rood, nee minder. Alles wit en alleen zwarte tekst. Kaal. Kaler. Kaalst. Ziek. Zieker. Ziekst. Dood heeft geen overtreffende trap. Morsdood is ook dood.
Zwanger en Zwanger komen binnen. Twee jaar lang iedere vrijdag als een stel hormoonbommen aan de bar. Dertig plus, dan krijg je dat. Flirten, praten, drinken, neem zelf ook wat. Verkapte gezelligheid. Ik mag de verhalen aanhoren. Over het zoeken, over de probleempjes met hem, over de problemen van haar. Anybody will do. Hoe is het eigenlijk met jouw liefdesleven? Ik doe niet aan liefdesleven want dan had ik hier niet gestaan. Uiteindelijk hebben ze er allebei eentje mee naar huis gekregen. Eerst buiten een beetje bekken, lachen om de verplichte fietsverlichting. Met een dronken kop is het moeilijk om de lampjes aan de fiets te bevestigen. Kan daar niet eens iemand op af studeren? Aankloppen bij het ondertussen schoongemaakte café want er moet toch nog even een wc worden bezocht. Wie nam ik ook alweer mee naar huis? O ja, hij daarbuiten. Het gaat maar om één ding.
Dagen, nachtenlang muziek. Waanzinnige muziek. Koptelefoon op voor een nog intensere beleving. Het volume zo hard dat ik mezelf niet meer kan horen denken. Dat ik überhaupt niet meer kan denken. Rust. Eindelijk. Verdrinken in de muziek. De muziek die uit mijn leven is verdwenen.
Altijd aan de bar, nooit aan een tafel. Met mensen aan een tafel heb je geen contact. Een volle bar is leuker dan een vol café. Zwanger kwam ook vaak alleen. Ik dronk met haar mee, ondanks de verplichte geheelonthouding onder werktijd. Hoek van de bar, leunend op haar ellebogen. Haar toekomstige melkfabriek onontkoombaar onder mijn neus duwend.
Slapen is geen optie want liggen is geen optie. In wat voor een roes beland je dan? Rondjes lopen. Douchen. Douchen is goed. Douchen is lekker. Hoe heter hoe beter. Wanneer is lang douchen schadelijk? De zo wenselijke rugmassage. De broodnodige verzachting van de spieren. De douchestraal als twee masserende handen. De broodnodige verwarming. De broodnodige omarming. Hoe beschimmeld ook.
Mijn muze gaat aan de bar zitten en rolt met haar ogen.
"Ik ben dronken en dus ontoerekeningsvatbaar."
Ik zet een biertje voor haar neer en laat haar alleen. De armbeweging onder de bar van de jongen naast haar zegt genoeg. Ik loop naar de vriezer en schenk mezelf een borrel in. Ik hoef niet meer voor haar te zorgen.
Ik ben niet jaloers. Ik houd wel van verkapte gezelligheid. Mijn computer zegt niets terug. Ik ben twee klanten kwijt. Een klant is potentie en ik ben te koop. Elke klant is een potentiële koper.
Verkoudheid heerst. Iedereen wordt een beetje ziek. Gelul. Iedereen is per definitie ziek. Gedimde lampen, veel drank. Een alcoholroes in een schemergebied van geblaat en sigarettenrook. Beperkte blikvelden. Dan valt het minder op. Geen facial wanneer je last hebt van brandende ogen. Wacht met de gordijnen open doen totdat de ander de ochtendurine verwijdert. Gordijnen moet je sowieso nooit open doen. Dan zien mensen teveel. Je moet niet alles laten zien. Je moet niet alles willen zien.
Haar tijd is gekomen. Het is sluitingstijd geweest. De gordijnen dicht, onze drank onaangeroerd op de bar. Ze zakt door haar knieën. Ik pak haar bij haar schouders en trek haar omhoog. Ik lijk op hem, hij deed ooit hetzelfde. Het beangstigt haar dat zonder zaadlozende bevestiging iemand van haar kan houden. Ik til haar aan haar billen omhoog en zet haar op de bar. Instinctief spreidt ze haar benen.
Vaste waarden zijn vervangen door variabelen. De constante factor is verdwenen. Legio oplossingen, de uitkomst hetzelfde. Terugvallen op oude waarden is een gebrek aan daadkracht en realiteitszin. Wat je niet bezit kun je niet verliezen. Het tegenovergestelde van aftakelen is toetakelen.
"Ik ga je pijn doen."
Het spel als fragment van een fragmentatiebom. Onherstelbare schade, die zet je niet meer terug in elkaar. Liefdessap is liefdesgif. Daar kan geen chemokuur tegenop.
Op de Amstelveenseweg nemen we afscheid. Ik krijg een vreemd voorgevoel. Voorgoed? Ze is stil. Aanhankelijk zonder woorden, ze laat me niet los. Was dit de laatste keer? Ik sla linksaf, zij loopt rechtdoor. Het is druk op straat, ik heb moeite met me te concentreren op de weg. Bij de Koninginneweg vallen mijn ogen dicht. Dit gaat fout. Ik stap af en loop met mijn fiets aan de hand verder. Bij de kruising met de Zeilstraat ga ik op de grond zitten en rook een sigaret. De hoeveelste? Ik begin te zweven. Wat is dit voor leven? Een veel te warme septemberzon, ik moet ergens binnen gaan zitten. Om de hoek zit het Haarlemmermeerstation. Broodje Jaap is open. De stamtafel gevuld met kettingrokend oud en verbitterd. Hun tijd is geweest. Ik schuif bij ze aan, de legging vraagt wat ik wil drinken.
"Koffie alsjeblieft."
07 October 2005
Core
Fietssturen verstrengelen. Het asfalt van de Weteringschans is hard. Dronken mensen vallen goed, breken nooit wat. Daarom ben ik graag dronken. Ingebouwde veiligheid. Ik ga zitten en strek mijn ledematen. Ze zitten er allemaal nog aan. En nog heel ook. Mijn pols doet zeer.
Haar zwartgelakte nagels rusten op zijn been. Wat een gezelligheid. Moet ik hier vanavond mee uit? Het zweet staat op mijn rug. Op mijn voorhoofd. Heb ik koorts? Er is maar één remedie. Aan de drank. Mijn rug doet zeer. Ik weiger pijnstillers te slikken. Alcohol is een spierverslapper.
Bij gebrek aan een eigen leven lees ik de levens van anderen. Bij gebrek aan eigen foto’s bekijk ik de foto’s van andere levens. Lezen is beter dan televisie kijken. Een foto is beter dan een film.
De klap is harder aangekomen dan verwacht. Waarom komt die zwelling zo langzaam op gang? Na anderhalve week gaat voor het eerst de telefoon. Goh, mis je me nu al? Waarom ik niets heb gezegd. Zo ernstig is het nou ook weer niet. Ik ben niet dood. Al doe ik met twee pakjes per dag goed mijn best. Hoeveel gif kunnen je longen verdragen? Hoeveel mensen kan ik verdragen is beter. Die jagen me eerder het graf in.
Het is binnen rustig, ik dacht dat het was uitverkocht. Bij het voorprogramma is de zaal nog niet eens halfvol. We praten bij. Opleidingen en werk. Log en leven. Wat valt er te vertellen? We komen voor de muziek. Nooit de core vergeten. Mensen maken zich te vaak te druk over randverschijnselen. Concerten kun je ook prima in je eentje doen. Wanneer je alleen bent zie je meer. Nee, niet meer, anders. Je ziet andere dingen. Je kijkt anders. Wanneer je alleen bent zie je andere mensen.
Zwart geverfd haar. Stoer motorjack. Gele rookaanslag op haar geringde vingers.
"Je kunt toch ook bellen om gewoon even te kletsen?"
Kletsen? Wat moet ik vertellen dan? Wat ik vandaag allemaal niet heb gedaan? Ik heb niet gedoucht, ik heb me niet geschoren en ik heb geen eten gekookt. Ik heb geen krant gelezen en ik heb geen televisie gekeken. Ik doe niets. Echt helemaal niets. En dat is verdomd lekker. Dat zou ik kunnen vertellen.
De lampen gaan uit. Het intromuziekje zwelt aan. Beginjaren tachtig gothic. Langhaar doet een stap naar achter, ik houd mijn sigaret naast mijn lichaam. Ik kan haar ruiken. De zaal is toch volgelopen, ze schuift iets naar links voor het beste zicht op het podium, ze is lang. Ze ruikt lekker. Ik laat mijn sigaret vallen en volg de brandende punt met mijn ogen. Mijn blik valt op haar schoenen. Waar je allemaal niet op af kunt knappen. Meer bier. Ik leg mijn hand in haar zij, duw haar naar voren en loop naar de bar.
Ze is mooi. Het is tien jaar geleden, maar dan nog. Had ik je toen maar ontmoet. Toen mezelf vasthoudend aan de nette wereld. Geregeld, gestructureerd, geëffende paden, ik hoefde ze slechts te bewandelen. Ik liep over het pad maar keek naar de andere weg. Keek naar andere mensen. Nu zwemmend tussen twee werelden in. Drijvend. Te degelijk voor de ene, te onaangepast voor de andere. Er is geen als dan.
"Straks weet ik meer van hem dan jij."
Inderdaad. Veel plezier ermee. See you at his funeral.
Haar zwartgelakte nagels rusten op zijn been. Wat een gezelligheid. Moet ik hier vanavond mee uit? Het zweet staat op mijn rug. Op mijn voorhoofd. Heb ik koorts? Er is maar één remedie. Aan de drank. Mijn rug doet zeer. Ik weiger pijnstillers te slikken. Alcohol is een spierverslapper.
Bij gebrek aan een eigen leven lees ik de levens van anderen. Bij gebrek aan eigen foto’s bekijk ik de foto’s van andere levens. Lezen is beter dan televisie kijken. Een foto is beter dan een film.
De klap is harder aangekomen dan verwacht. Waarom komt die zwelling zo langzaam op gang? Na anderhalve week gaat voor het eerst de telefoon. Goh, mis je me nu al? Waarom ik niets heb gezegd. Zo ernstig is het nou ook weer niet. Ik ben niet dood. Al doe ik met twee pakjes per dag goed mijn best. Hoeveel gif kunnen je longen verdragen? Hoeveel mensen kan ik verdragen is beter. Die jagen me eerder het graf in.
Het is binnen rustig, ik dacht dat het was uitverkocht. Bij het voorprogramma is de zaal nog niet eens halfvol. We praten bij. Opleidingen en werk. Log en leven. Wat valt er te vertellen? We komen voor de muziek. Nooit de core vergeten. Mensen maken zich te vaak te druk over randverschijnselen. Concerten kun je ook prima in je eentje doen. Wanneer je alleen bent zie je meer. Nee, niet meer, anders. Je ziet andere dingen. Je kijkt anders. Wanneer je alleen bent zie je andere mensen.
Zwart geverfd haar. Stoer motorjack. Gele rookaanslag op haar geringde vingers.
"Je kunt toch ook bellen om gewoon even te kletsen?"
Kletsen? Wat moet ik vertellen dan? Wat ik vandaag allemaal niet heb gedaan? Ik heb niet gedoucht, ik heb me niet geschoren en ik heb geen eten gekookt. Ik heb geen krant gelezen en ik heb geen televisie gekeken. Ik doe niets. Echt helemaal niets. En dat is verdomd lekker. Dat zou ik kunnen vertellen.
De lampen gaan uit. Het intromuziekje zwelt aan. Beginjaren tachtig gothic. Langhaar doet een stap naar achter, ik houd mijn sigaret naast mijn lichaam. Ik kan haar ruiken. De zaal is toch volgelopen, ze schuift iets naar links voor het beste zicht op het podium, ze is lang. Ze ruikt lekker. Ik laat mijn sigaret vallen en volg de brandende punt met mijn ogen. Mijn blik valt op haar schoenen. Waar je allemaal niet op af kunt knappen. Meer bier. Ik leg mijn hand in haar zij, duw haar naar voren en loop naar de bar.
Ze is mooi. Het is tien jaar geleden, maar dan nog. Had ik je toen maar ontmoet. Toen mezelf vasthoudend aan de nette wereld. Geregeld, gestructureerd, geëffende paden, ik hoefde ze slechts te bewandelen. Ik liep over het pad maar keek naar de andere weg. Keek naar andere mensen. Nu zwemmend tussen twee werelden in. Drijvend. Te degelijk voor de ene, te onaangepast voor de andere. Er is geen als dan.
"Straks weet ik meer van hem dan jij."
Inderdaad. Veel plezier ermee. See you at his funeral.
Subscribe to:
Posts (Atom)